Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:13821

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-11-2016
Datum publicatie
21-11-2016
Zaaknummer
AWB 16/18851 en AWB 16/18846
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:846, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Syriƫ, Dublinverordening, verzoek om heroverweging bij Duitse autoriteiten, geen fatale beslistermijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 16/18851 en AWB 16/18846

V-nummers: [nummer]

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 11 november 2016 in de zaken tussen

[naam], eiseres,

[naam 1] , eiser,

gezamenlijk: eisers,

gemachtigde mr. S. Thelosen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. M.M.J. Pieters.

Procesverloop

Op 19 augustus 2016 hebben eisers beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op hun asielaanvragen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2016. Eisers zijn verschenen bij hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank doet na afloop van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak. De rechtbank overweegt het volgende.

2. De rechtbank is van oordeel dat verweerder binnen de door artikel 5, tweede lid van Verordening (EU) nr.1560/2003 (Uitvoeringsverordening Dublin II) gestelde termijn een verzoek om heroverweging heeft ingediend bij de Duitse autoriteiten. De Duitse autoriteiten hebben hier tot op heden niet op gereageerd. Er is geen fatale termijn voor het nemen van een beslissing op een verzoek om heroverweging. Verweerder heeft dat uiteengezet in het verweerschrift van 6 september 2016 en het aanvullend verweerschrift van 10 november 2016 en de rechtbank volgt de daarin vervatte motivering.

3. De rechtbank ziet geen aanleiding om prejudiciƫle vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, omdat daarvoor in Verordening EU nr. 604/2013 (de Dublinverordening) geen aanknopingspunt is. Het enkele beroep op het evenredigheids- en doeltreffendheidsbeginsel zoals gedaan door de gemachtigde van eisers is daartoe onvoldoende.

4. De beroepen zijn ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J.P. van Os van den Abeelen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier, op 11 november 2016.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.