Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:13816

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-10-2016
Datum publicatie
17-11-2016
Zaaknummer
AWB_15/15593
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de aanvraag van eiser tot afgifte van een document ‘duurzaam verblijf burgers van de Unie’ afgewezen. Volgens verweerder heeft eiser niet aangetoond dat hij gedurende vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad in de zin van Richtlijn 2004/38/EG.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet heeft aangetoond dat hij een ononderbroken periode van vijf jaar rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt wel dat eiser gedurende perioden in Nederland heeft verbleven, maar niet dat hij een onafgebroken periode van vijf jaar in Nederland heeft verbleven en hij gedurende deze periode rechtmatig verblijf had als werknemer dan wel werkzoekende. Eiser voldoet derhalve niet aan de voorwaarden voor een duurzaam verblijfsrecht, zodat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/15593

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 oktober 2016 in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [1958] , van Franse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. C.N. Noordzee),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Sweerts).

Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een document ‘duurzaam verblijf burgers van de Unie’ afgewezen.

Bij besluit van 11 augustus 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser niet heeft aangetoond dat hij gedurende vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad in de zin van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (hierna: de Richtlijn). Uit de basisregistratie personen blijkt dat eiser zich sinds 12 december 2014 vanuit Frankrijk in Nederland heeft gevestigd en hij op 5 februari 2015 op een adres in Utrecht is gaan wonen, maar hieruit blijkt niet dat sprake is van vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf in Nederland. Eiser stelt sinds 2007 rechtmatig verblijf te hebben als werknemer, maar uit de door eiser overgelegde stukken blijkt niet van reële en daadwerkelijke arbeid in deze periode. Uit de stukken blijkt evenmin dat eiser ooit heeft beschikt over voldoende middelen van bestaan. Ook in de bezwaarprocedure heeft eiser geen stukken overgelegd waaruit een onafgebroken rechtmatig verblijf van vijf jaar blijkt. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor afgifte van een document ‘duurzaam verblijf burgers van de Unie’.

2. Eiser voert aan dat hij in 2007 vanuit Frankrijk naar Nederland is gereisd. Op 17 september 2007 is aan hem een sofinummer verstrekt. Eiser heeft zich daarna bij verschillende uitzendbureaus ingeschreven en ook werkzaamheden verricht. Eiser heeft daarna jarenlang voor Stichting Straatnieuws de daklozenkrant verkocht. Eiser heeft dus wel degelijk als werkzoekende en werknemer verblijf gehad in de zin van de Richtlijn. Door overmacht in verband met psychische problematiek is eiser niet bij machte geweest de werkzaamheden voort te zetten. Hij heeft zijn verblijf voortgezet als economisch niet-actieve. Eiser voert verder aan dat verweerder niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat eiser nimmer de beschikking heeft gehad over voldoende middelen van bestaan. Eiser is naar eigen zeggen voor het verkrijgen van duurzaam verblijf niet gehouden dit aan te tonen. Eiser wijst er verder op dat verweerder nooit aanleiding heeft gezien om hem uit Nederland te verwijderen. Zijn aanwezigheid hier was bekend, hij is zelfs verdachte geweest van een strafbaar feit en is aangemeld als slachtoffer bij het Slachtofferloket. Bij twijfel had het volgens eiser op de weg van verweerder gelegen om zijn verblijfsrecht te verifiëren in de zin van artikel 14, tweede lid, van de Richtlijn. Ook hiervoor heeft verweerder nooit aanleiding gezien. Verweerder kan daarom niet achteraf stellen dat geen sprake is geweest van rechtmatig verblijf, aldus eiser.

3. In aanvulling hierop heeft eiser ter zitting, onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 28 april 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:4544), betoogd dat verweerder, anders dan nu, het vereiste van het beschikken over voldoende middelen van bestaan vóór april 2015 niet toepaste bij de beoordeling van een duurzaam verblijfrecht en dat, nu de aanvraag van eiser dateert van vóór april 2015, het middelenvereiste niet op zijn aanvraag van toepassing is.

4. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat hem hieromtrent geen beleidswijzing bekend is. Het vereiste van het beschikken over voldoende middelen van bestaan gold zowel in de periode vóór april 2015, als daarna. Hierin is geen verandering geweest, aldus verweerder.

5. De rechtbank ziet, mede gelet op het onder 4 door verweerder ingenomen standpunt, geen aanknopingspunten voor de conclusie dat bij de beoordeling van een duurzaam verblijfsrecht in de periode vóór april 2015 niet aan het vereiste van voldoende bestaansmiddelen werd getoetst. Anders dan in de door eiser aangehaalde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 28 april 2016 blijkt dit in deze zaak ook niet uit het dossier. De rechtbank ziet hiervoor ook geen aanwijzingen in de rechtspraak. Verweerder heeft daarom terecht conform artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) bij de beoordeling van eisers aanvraag betrokken of hij over voldoende middelen van bestaan beschikt.

6. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet heeft aangetoond dat hij een ononderbroken periode van vijf jaar rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt wel dat eiser gedurende perioden in Nederland heeft verbleven, maar niet dat hij een onafgebroken periode van vijf jaar in Nederland heeft verbleven en hij gedurende deze periode rechtmatig verblijf had als werknemer dan wel werkzoekende. De verklaring van werkhistorie van 8 december 2012, de (ongedateerde) uitzendovereenkomst, de bevestigingen van uitzending van 28 november 2008 en 22 december 2008 en de salarisstrook over de periode 1 december 2008 tot en met 7 december 2008 zijn daarvoor onvoldoende. Ook is niet gebleken dat eiser actief op zoek is geweest naar werk. De rechtbank acht voorts van belang dat, zoals verweerder in het primaire besluit en het verweerschrift heeft vermeld, van eiser geen enkele inkomensverhouding bekend is in Suwinet. Nu (op de ene loonstrook na) niet is gebleken van verworven inkomsten, is ook niet gebleken dat eiser over voldoende middelen van bestaan beschikt. Er is zodoende ook geen aanleiding voor de conclusie dat eiser rechtmatig verblijf heeft gehad als economisch niet-actieve. Eiser voldoet derhalve niet aan de voorwaarden voor een duurzaam verblijfsrecht, zoals neergelegd in artikel 8.17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb.

7. De rechtbank is verder van oordeel dat eiser, anders dan hij heeft betoogd, geen rechten kan ontlenen aan het gestelde stilzwijgend toestaan van zijn verblijf hier te lande. Het ligt immers op de weg van eiser om aan te tonen dat sprake is van een onafgebroken rechtmatig verblijf van vijf jaar. De stelling van eiser dat zijn aanwezigheid bekend was en verweerder bij twijfel over zijn verblijfsrecht een onderzoek had moeten doen in de zin van artikel 14 tweede lid, van de richtlijn, treft daarom geen doel.

8. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een document ‘duurzaam verblijf burgers van de Unie’ terecht heeft afgewezen.

9. Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar. Eiser was in afwachting van aanvullende informatie van Stichting Seguro en een uitnodiging voor een hoorzitting. Volgens eiser blijkt uit het bezwaarschrift van 1 juni 2015 dat de bewijsvoering nog niet rond was en blijkt uit de omstandigheid dat in beroep aanvullende stukken zijn aangeleverd dat het onderzoek nog niet was afgerond. Van een kennelijk ongegrond bezwaar is daarom volgens eiser geen sprake.

10. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Van het horen mag met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht worden afgezien indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over de conclusie dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een ander besluit. Gelet op hetgeen eiser bij zijn aanvraag en in bezwaar heeft overgelegd en aangevoerd is naar het oordeel van de rechtbank aan voormeld criterium voldaan. Dat eiser in bezwaar heeft meegedeeld dat nog contact zou worden opgenomen met zijn werkgevers voor meer informatie en verweerder nadere stukken niet heeft afgewacht, maakt dit oordeel niet anders. Uit de stellingen van eiser in bezwaar kan immers niet worden opgemaakt dat hij met de door hem bij zijn werkgevers gevraagde informatie zal kunnen onderbouwen dat hij gedurende een onafgebroken periode van vijf jaar in Nederland heeft verbleven en gedurende die periode rechtmatig verblijf had.

11. Ook wat verder is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, voorzitter, en mr. G.A. Bouter-Rijksen en mr. M. den Heijer, leden, in aanwezigheid van mr. D. de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2016.

griffier voorzitter

(is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen)

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.