Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:13767

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-11-2016
Datum publicatie
17-11-2016
Zaaknummer
VK-16_23435
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Dublinverordening; Polen; visum; asielaanvraag; volgorde; verantwoordelijke lidstaat; preambule; artikelen 7:1, 7:2 en 12:4 van Dublinverordening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 16/23435 (beroep) en AWB 16/23437 (verzoek)

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter en de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 7 november 2016 in de zaken tussen

[naam], eiser en verzoeker, hierna: eiser,

gemachtigde mr. J.A. Tegenbosch,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. A. Hadfy-Kovacs.

Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiser heeft tevens een voorlopige voorziening verzocht ter voorkoming van overdracht hangende het beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig T.J. Hussain, tolk in de taal Urdu. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Pakistaanse nationaliteit. Op 7 augustus 2016 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder geconcludeerd dat Polen, gelet op het op 21 juli 2016 aan eiser verstrekte en door hem gebruikte visum voor Polen (geldig van 22 juli tot 5 augustus 2016), op grond van artikel 12, vierde lid, van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening) verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Om die reden is de aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

3. Eiser, die vanuit Polen met de trein naar Hongarije is gereisd, heeft op 2 augustus 2016 in Hongarije asiel gevraagd. Aansluitend is hij op 3 augustus 2016 naar Nederland doorgereisd. Hij stelt dat op grond van artikel 7, tweede lid, van de Dublinverordening niet Polen, maar Hongarije de verantwoordelijke lidstaat is.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Hoofdstuk III van de Dublinverordening bevat criteria voor het aanwijzen van de verantwoordelijke lidstaat.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Dublinverordening zijn de in dit hoofdstuk vastgestelde criteria aan de hand waarvan de verantwoordelijke lidstaat wordt bepaald, van toepassing in de volgorde waarin zij voorkomen in de tekst.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat op grond van de situatie op het tijdstip waarop de verzoeker zijn verzoek om internationale bescherming voor de eerste maal bij een lidstaat indient, wordt bepaald welke lidstaat met toepassing van de in dit hoofdstuk beschreven criteria de verantwoordelijke lidstaat is.

5. De rechtbank stelt, onder verwijzing naar de preambule van de Dublinverordening - zie in het bijzonder onder (5) - voorop dat de methode om vast te stellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, moet zijn gebaseerd op objectieve en zowel voor de lidstaten als voor de betrokken asielzoeker eerlijke criteria.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser met gebruikmaking van zijn visum voor Polen op 27 juli 2016 per vliegtuig naar Polen is gereisd, in Warschau is geland en vervolgens per trein naar Hongarije is gereisd waar hij op 2 augustus 2016 in Boedapest is aangekomen.

7. De rechtbank stelt vast dat partijen verdeeld zijn over de vraag of de afgifte van een visum voor Polen voorrang heeft boven de in Hongarije ingediende asielaanvraag.

8. Gelet op het bepaalde in artikel 7, tweede lid, van de Dublinverordening wordt de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming beoordeeld naar de situatie op het tijdstip waarop voor de eerste maal bij een lidstaat een asielverzoek wordt ingediend.

9. Uit EU-Vis is gebleken dat aan eiser een visum voor Polen is verleend dat geldig was van 22 juli tot 5 augustus 2016. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 2 augustus 2016 in Hongarije een asielverzoek heeft ingediend.

10. Nu eiser op het moment dat hij in Hongarije een asielverzoek indiende al gebruik had gemaakt van het eerder aan hem voor Polen verleende visum, mocht verweerder zich tot Polen wenden met het verzoek op basis van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening eiser terug te nemen. Polen heeft zich op 14 september 2016 op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening akkoord verklaard met het terugnemen van eiser.

11. Gelet hierop gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van eiser dat Nederland en/of Polen had(den) moeten nagaan of Hongarije binnen de daarvoor bestaande tijdslimiet heeft vastgesteld dat Polen de verantwoordelijke staat is voor de behandeling van het asielverzoek van eiser.

12. Het beroep is ongegrond. Op grond hiervan is er geen aanleiding om de gevraagde voorlopige voorziening toe te wijzen.

13. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak met nr. 16/23435:

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter, in de zaak met nr. 16/23437:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter en voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Paulus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2016.

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op het beroep, kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.