Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:13661

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-11-2016
Datum publicatie
17-11-2016
Zaaknummer
NL16.2917, NL16.2918
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Asielaanvraag na intrekking regulier (nareis), Somalië, herkomst niet aannemelijk, motiveringsgebrek, beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL16.2917 (beroep) en NL16.2918 (verzoek)

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 7 november 2016 in de zaak tussen

[naam], eiseres en verzoekster (hierna: eiseres),

gemachtigde mr. R.C. van den Berg,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. M.M.E. Jasper.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 18 oktober 2016 (het bestreden besluit). Tevens heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten totdat op het beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig A.H. Sharif, tolk in de Somalische taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] en de Somalische nationaliteit te bezitten. Bij besluit van 20 januari 2010 heeft verweerder aan eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend met als doel ‘verruimde gezinshereniging bij [naam 1]’ (de zoon van eiseres), geldig van 31 december 2009 tot 31 december 2010. Deze verblijfsvergunning is laatstelijk verlengd tot 31 december 2012. Op 14 november 2012 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot verlenging van de geldigheidsduur van haar verblijfsvergunning.

2. Bij besluit van 26 november 2014 is de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de zoon van eiseres met terugwerkende kracht tot 17 februari 2008 ingetrokken en zijn aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd afgewezen. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 24 maart 2016 (AWB 14/28779) is zijn beroep daartegen ongegrond verklaard. Op 21 april 2016 heeft hij tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling).

3. Bij besluit van 9 maart 2015 heeft verweerder de aan eiseres verleende verblijfsvergunning regulier met terugwerkende kracht tot 31 december 2009 ingetrokken en haar aanvraag tot verlenging van deze vergunning afgewezen. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s Hertogenbosch, van 30 september 2016 (AWB 16/8478) is het daartegen door eiseres ingestelde beroep ongegrond verklaard.

4. Op 22 juli 2016 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Aan deze aanvraag ligt het volgende ten grondslag. Eiseres behoort tot de Isaq stam en is geboren in [geboorteplaats], Somaliland. Op haar dertigste is zij naar Hargeisa vertrokken, waar zij haar echtgenoot heeft ontmoet. De dag na hun ontmoeting zijn zij getrouwd en daarna zijn zij samen vertrokken naar het zuiden van Somalië. Zij hebben zich in [woonplaats] gevestigd. Vanwege haar afkomst werd eiseres in [woonplaats] buitengesloten, uitgescholden en geslagen. Haar kinderen, een zoon en een dochter, ondervonden dezelfde problemen. Op een dag is de echtgenoot van eiseres vermoord, maar zij is er nooit achter gekomen door wie en hoe. Na de dood van haar echtgenoot stond eiseres er alleen voor met haar kinderen in een zeer vijandige omgeving. Toen zij haar kinderen naar buiten had gestuurd om boodschappen te doen, kwam haar zoon na een tijdje naar huis en vertelde dat hij in elkaar geslagen was en dat zijn zusje was verkracht. Eiseres en haar zoon zijn naar haar dochter toegerend, maar zij werden bedreigd met een geweer en terug naar huis gestuurd. Even later werd haar dochter voor de deur van hun huis afgezet, gehavend en geschonden. Een tijdje later zijn eiseres en haar kinderen ’s nachts thuis aangevallen en is haar dochter meegenomen. Tot op heden weet eiseres niet wat er met haar dochter gebeurd is en of zij nog in leven is. Een vriend van de echtgenoot van eiseres heeft naar aanleiding van deze gebeurtenissen geholpen om haar zoon het land uit te krijgen. Zo heeft hij naar Nederland kunnen vluchten en kon eiseres later in het kader van een nareisprocedure ook naar Nederland komen.

5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder acht de nationaliteit van eiseres geloofwaardig, maar haar identiteit en herkomst niet. Daartoe heeft verweerder allereerst overwogen dat eiseres geen identificerende documenten heeft overgelegd. Voorts verwijst verweerder naar de procedure van de zoon van eiseres, waarin op basis van een taalanalyse en herkomstvragen is geconcludeerd dat het niet geloofwaardig is dat hij afkomstig is uit Zuid-Somalië. Tot slot stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres ook middels haar eigen verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij tot aan haar vertrek in [woonplaats] heeft gewoond. Omdat eiseres haar herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt, worden de problemen die zij in [woonplaats] stelt te hebben ondervonden eveneens niet geloofwaardig geacht.

6. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat haar asielaanvraag ten onrechte niet op zijn eigen merites is beoordeeld. De verklaringen en de taalanalyse van haar zoon zijn leidend geweest in de beoordeling, zodat haar eigen verklaringen op voorhand in twijfel zijn getrokken. Voorts heeft eiseres geen valse of onjuiste verklaringen afgelegd over haar herkomstgebied. Bovendien is in de zienswijze een nadere toelichting gegeven op deze verklaringen, waar in het bestreden besluit niet op is gereageerd. Verder heeft eiseres betoogd dat haar overige verklaringen uit het nader gehoor, waaruit evenzeer haar herkomst blijkt en ook dat zij vanwege discriminatie aldaar niet heeft kunnen socialiseren, ten onrechte niet bij de besluitvorming zijn betrokken. Ook wijst eiseres er op dat met voornoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 24 maart 2016 vast is komen te staan dat de zoon van eiseres in [woonplaats] is geboren, wat niet anders kan betekenen dan dat eiseres daar heeft gewoond. Tot slot heeft eiseres betoogd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres geen beroep op artikel 64 van de Vw dan wel artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft gedaan in verband met haar medische omstandigheden. Zowel bij de aanvullingen en correcties als bij de zienswijze heeft zij namelijk gewezen op haar medische klachten en zij heeft haar medisch dossier overgelegd.

De rechtbank oordeelt als volgt.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres met haar eigen verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij afkomstig is uit [woonplaats]. Eiseres heeft er terecht op gewezen dat zij in de zienswijze uitgebreid heeft toegelicht dat haar antwoorden op de gestelde herkomstvragen en de vragen over de stammen die voorkomen in [woonplaats] wel degelijk juist zijn. Verweerder heeft in het bestreden besluit in het geheel niet op deze toelichting gereageerd. Ook ter zitting heeft verweerder niet duidelijk kunnen maken waarom deze verklaringen van eiseres, mede gelet op de toelichting in de zienswijze, onvoldoende zijn om haar herkomst aannemelijk te maken. Bovendien heeft verweerder ter zitting erkend dat eiseres een periode in [woonplaats] verbleven heeft, gelet op het feit dat haar zoon daar geboren is. Ook hier is in het bestreden besluit onvoldoende rekening mee gehouden.

8. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder ook de overige verklaringen van eiseres bij zijn beoordeling had moeten betrekken. Het asielrelaas van eiseres, zoals zij dat naar voren heeft gebracht tijdens het nader gehoor, biedt immers ook informatie over het gebied waar zij stelt te hebben gewoond tot aan haar vertrek.

9. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte niet heeft getoetst of eiseres in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw dan wel of er sprake is van medische omstandigheden die bij terugkeer zullen leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM. In haar zienswijze heeft eiseres haar medische klachten naar voren gebracht en haar medisch dossier overgelegd. Gelet daarop kon verweerder niet volstaan met de opmerking in het bestreden besluit dat ‘er geen zienswijze met betrekking tot artikel 64 van de Vw is ingediend’. Verweerders aanvullende betoog ter zitting dat er volgens zijn beleid bij aanvragen die als kennelijk ongegrond worden afgewezen niet wordt ‘doorgetoetst’ aan artikel 64 van de Vw, kan niet tot een ander oordeel leiden. Uit paragraaf C1/4.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 volgt immers dat verweerder het ‘doortoetsen’ slechts achterwege laat als de aanvraag als kennelijk ongegrond is afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, j, of k, van de Vw. De aanvraag van eiseres is echter afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en e, van de Vw.

10. De rechtbank zal het beroep van eiseres gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De asielaanvraag van eiseres moet op zijn eigen merites worden beoordeeld. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de intrekking van de verblijfsvergunning van de zoon van eiseres nog niet in rechte vast staat, nu er nog een hoger beroep aanhangig is bij de Afdeling.

11. Het beroep is gegrond. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat geen aanleiding.

12. Verweerder zal op na te melden wijze worden veroordeeld in de proceskosten van eiseres.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak met nr. NL16.2917:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de kosten van het beroep, ten bedrage van € 992 (negenhonderdtweeënnegentig euro), te betalen aan eiseres.

De voorzieningenrechter, in de zaak met nr. NL16.2918:

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

  • -

    veroordeelt verweerder in de kosten van het verzoek, ten bedrage van € 496

(vierhonderdzesennegentig euro), te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, (voorzieningen)rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op het beroep, kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: