Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:13574

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-03-2016
Datum publicatie
15-11-2016
Zaaknummer
C/09/493548 / FA RK 15-5946
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2015:14211
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

gezagsuitoefening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 15-5946

Zaaknummer: C/09/493548

Datum beschikking: 10 maart 2016

Gezagsuitoefening

Beschikking op het op 28 juli 2015 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,

wonende te [plaats] ,

advocaat: mr. M.M. Strengers te Soest.

Als belanghebbende worden aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,

wonende te [plaats] ,

advocaat: mr.drs. E.J. Kim-Meijer te 's-Gravenhage.

Procedure

Bij beschikking van 21 oktober 2015 van deze rechtbank is drs. J.L. van Wesemael-Smit als bijzondere curator benoemd over de minderjarige:

- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,

en is bepaald dat de bijzondere curator schriftelijk verslag dient te doen aan de rechtbank en partijen. Iedere verdere beslissing ter zake van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling), het gezag en de proceskosten is aangehouden.

De rechtbank heeft wederom kennis genomen van de stukken, waaronder thans ook:

- het rapport van de bijzondere curator, bij de rechtbank binnengekomen op 15 december 2015;

- het faxbericht d.d. 15 december 2015, bij de rechtbank binnengekomen op 16 december 2015, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

- het faxbericht d.d. 28 januari 2016, met bijlage, van de zijde van de vader.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist.

Uit het rapport van de bijzondere curator volgt – verkort weergegeven – het volgende.

Tussen de ouders bestaan spanningen rondom mogelijke gebeurtenissen in het verleden en de (on)mogelijkheden tot contact tussen de vader en de minderjarige. Er is nog steeds sprake van een zeer gecompliceerde situatie en de onderlinge verhouding tussen de ouders is nog immer (zeer) negatief. De situatie rond de mogelijkheid van onbelast contact in een veilige situatie voor de minderjarige is onveranderd sinds de uitspraak van de rechtbank in 2013. Bij de minderjarige is, naast een zekere mate van spanning en angst, sprake van verzet tegen contact met zijn vader. Naar de bevindingen van de bijzondere curator verzet de minderjarige zich tegen contact met de vader en kan het in de huidige situatie eigenlijk ook niet anders dan dat de minderjarige negatief staat tegenover elke vorm van contact met zijn vader.

Ten behoeve van het opstarten van hulpverlening en het opstarten van enig contact tussen de vader en de minderjarige heeft de bijzondere curator een stappenplan opgesteld waarbij het starten van hulpverlening voor de minderjarige de eerste prioriteit heeft. Als eerste stap stelt de bijzondere curator traumaverwerking bijvoorbeeld via EMDR voor. De bijzondere curator voert aan dat het aan de behandelend therapeut is om te bepalen of verdere begeleiding en of behandeling nodig dan wel wenselijk is. De volgende stap betreft het ondersteunen van de minderjarige bij zijn identiteitsontwikkeling. De minderjarige dient onder begeleiding van een therapeut meer inzicht te krijgen in zijn eigen achtergrond, zijn geschiedenis en zijn vader. De bijzondere curator brengt daarbij naar voren dat het hebben van alleen negatieve herinneringen aan de vader op langere termijn tot problemen voor de ontwikkeling van de minderjarige kan leiden. Bij de derde stap dient onder begeleiding van een deskundige te worden bezien of en welk contact met de vader mogelijk is. In deze fase zou mogelijk de therapeut die betrokken is geweest bij de tweede stap betrokken kunnen worden.

De bijzondere curator wijst erop dat met deze hulpverlening nog geen sprake is van de door de Raad voor de Kinderbescherming (in het gespreksverslag d.d. 6 maart 2013) genoemde driehoek van geruststelling. De vader kan de moeder niet geruststellen, vervolgens kan de moeder het kind niet geruststellen en dus kan het kind zich niet gerust voelen over het contact met de vader. Indien de overtuiging zo groot is dat het kind niet veilig is bij de andere ouder dan zal het kind ook niet gerustgesteld kunnen worden. De bijzondere curator acht het daarom raadzaam dat de ouders hieraan bijvoorbeeld middels mediation gaan werken en waar nodig eigen blokkades met therapeutische begeleiding weg te nemen, alvorens stap drie in de hulpverlening voor de minderjarige gaat starten.

De bijzondere curator heeft de rechtbank geadviseerd de beslissing voor de duur van drie maanden aan te houden zodat de noodzakelijke hulpverlening aan de minderjarige kan worden opgestart, de ouders hulp kunnen zoeken voor hun eigen problematiek en zij middels mediation de mogelijkheden in kaart kunnen brengen voor veilig en gefaseerd contact tussen de minderjarige en de vader.

Uit voormeld faxbericht d.d. 15 december 2015 volgt dat de moeder het op meerdere punten niet eens is met het verslag van de bijzondere curator. De moeder erkent dat therapie nodig is met het oog op de ontwikkeling van de minderjarige, maar zij stemt niet in met het voorstel tot mediation. Zij is van mening dat de minderjarige zijn gevoel van basisveiligheid zal verliezen als hij weet dat de ouders in mediation gaan. De moeder acht dit niet in het belang van de minderjarige. De moeder heeft tot slot naar voren gebracht dat zij haar medewerking zal verlenen aan een vorm van contact tussen de minderjarige en de vader indien de minderjarige aangeeft dat hij daarvoor open staat. Vooralsnog is dit niet het geval, aldus de moeder.

Blijkens voornoemd faxbericht d.d. 28 januari 2016 sluit de vader zich aan bij het rapport en het advies van de bijzondere curator en verzoekt hij de zaak aan te houden in afwachting van het verloop van het weergegeven stappenplan.

De rechtbank overweegt als volgt.

Beëindiging gezamenlijk gezag

De moeder heeft verzocht haar met het eenhoofdig gezag over de minderjarige te belasten en draagt daartoe aan dat partijen niet in staat zijn tezamen invulling te geven aan het gezag.

Ook de vader heeft, zij het subsidiair, een dergelijk verzoek gedaan en voert daartoe aan dat bij de moeder geen ruimte bestaat voor enige andere visie dan die inhoudende dat de vader de minderjarige zou hebben misbruikt. Deze visie belemmert het contact tussen de vader en de minderjarige, hetgeen gevolgen heeft voor de ontwikkeling van de minderjarige, aldus de vader.

De rechtbank stelt voorop dat de ouders na echtscheiding in beginsel gezamenlijk met het gezag belast blijven. Uit artikel 1:253n, eerste lid, BW blijkt dat op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag dat na ontbinding van het huwelijk door echtscheiding in stand is gebleven kan worden beëindigd, onder meer indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.

Nu door beide partijen een wijziging van omstandigheden ten grondslag is gelegd aan hun verzoek, kunnen zij in de over en weer gedane verzoeken worden ontvangen.

Ingevolge 1:253n, tweede lid, BW is het eerste en het derde lid van 1:251a BW van overeenkomstige toepassing, zodat de rechtbank dit verzoek (mede) dient te beoordelen overeenkomstig de criteria van artikel 1:251a, eerste lid, BW. Op grond van artikel 1:251a, eerste lid, BW kan het gezamenlijk gezag worden beëindigd, indien: (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

De rechtbank overweegt dat voor gezamenlijk gezag vereist is dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen, zodanig dat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders.

Het is de rechtbank gebleken dat de onderlinge verstandhouding tussen de ouders nog altijd zeer complex en verstoord is. Partijen blijven lijnrecht tegenover elkaar staan. Er bestaan nog immer veel spanningen tussen partijen en de communicatie tussen partijen is niet verbeterd. Ter illustratie hiervan wijst de rechtbank op hetgeen ter terechtzitting door partijen naar voren is gebracht over het verloop van de inschrijving van de minderjarige op een nieuwe school.

Uit de reactie van de moeder op het rapport van de bijzondere curator blijkt dat zij pas bereid is te werken aan hun onderlinge relatie als ouders als de minderjarige heeft aangegeven contact te willen met zijn vader. Hiervoor is hulpverlening nodig. Deze hulpverlening aan de minderjarige is – voor zover de rechtbank weet – nog niet gestart. Dit komt mede door de verstoorde onderlinge relatie tussen de ouders. De rechtbank is van oordeel dat het starten van hulpverlening aan de minderjarige prioriteit heeft en dat gelet op de verstoorde relatie tussen de ouders er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de minderjarige klem of verloren zal raken tussen de ouders indien het gezamenlijk gezag wordt gecontinueerd nu ook niet verwacht kan worden dat de communicatie tussen partijen binnen afzienbare tijd dusdanig zal verbeteren dat dit risico wordt afgewend. Daarbij komt dat de rechtbank van oordeel is dat het ook in het belang van de minderjarige is dat de moeder ook verder zal gaan met haar hulpverleningstraject. Zij heeft ter terechtzitting aangegeven dat de hulpverlening die zij zelf heeft aangewend, zoals haar is meegegeven in de beschikking van 19 augustus 2013, op aanraden van de hulpverlener tijdelijk is gestopt in verband met de aanzienlijke spanningen en stress die de moeder ervaart door de huidige procedure.

De rechtbank zal het verzoek van de moeder tot beëindiging van het gezamenlijk gezag toewijzen, in die zin dat voortaan alleen de moeder het gezag over de minderjarige zal uitoefenen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het volgens de bijzondere curator op dit moment goed gaat met de minderjarige in het gezin van de moeder. Het verzoek van de vader ten aanzien van het gezag zal de rechtbank afwijzen.

Zorgregeling

Uitgaande van de situatie dat de moeder in het vervolg alleen met het gezag is belast dient de rechtbank de verzoeken met betrekking tot een zorgregeling te toetsen aan de gronden als genoemd in artikel 1:377a, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Hierin is bepaald dat de rechter het recht op omgang slechts ontzegt, indien:

  1. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

  2. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt is of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

  3. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of

  4. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

Hoewel de moeder zich kritisch heeft uitgelaten over het rapport van de bijzondere curator begrijpt de rechtbank dat zij zich niet zo zeer verzet tegen het voorgestelde stappenplan (maar alleen tegen de in aanvulling daarop voorgestelde parallelle mediation voor de ouders om de mogelijkheden in kaart brengen van veilig en gefaseerd contact tussen de minderjarige en de vader).

De rechtbank is, evenals de bijzondere curator, van oordeel dat het voor van de identiteitsontwikkeling van de minderjarige van belang is dat de minderjarige zich een beeld kan vormen van de vader. Om die reden dient contact tussen de minderjarige en de vader in zijn belang te worden geacht. De rechtbank overweegt evenwel dat uit de rapportage en het daarin opgenomen stappenplan van de bijzondere curator volgt dat allereerst de hulpverlening voor de minderjarige wordt gestart én de minderjarige positief aangeeft open te staan voor contact met de vader alvorens dat contact daadwerkelijk kan aanvangen. Gelet op het huidige verzet van de minderjarige tegen contact met de vader zoals geuit tegenover de bijzondere curator en de reactie van de moeder verwacht de rechtbank niet dat de minderjarige op korte termijn klaar zal zijn voor contact met de vader.

Gelet hierop acht de rechtbank het niet zinvol een beslissing over de zorgregeling aan te houden en is de rechtbank van oordeel dat het op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van de minderjarigen om een zorgregeling met de vader vast te stellen. Het verzoek van de vader tot vaststelling van een zorgregeling zal daarom worden afgewezen.

Deskundige

De man heeft voorts verzocht te bepalen dat partijen onder begeleiding van een deskundige zullen werken aan de verbetering van de onderlinge communicatie. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen, nu de rechtbank een dergelijke beslissing op dit moment niet in het belang van de minderjarige acht.

Bijzondere curator

De rechtbank stelt vast dat in deze procedure de taak van drs. J.L. van Wesemael-Smit als bijzondere curator in de zin van artikel 1:250 BW is beëindigd. De rechtbank zal haar daarom ontslaan van haar taak als bijzondere curator.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat voortaan alleen aan de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , het gezag zal toekomen over de minderjarige:

- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,

en verklaart deze gezagsvoorziening uitvoerbaar bij voorraad;

ontslaat drs. J.L. van Wesemael-Smit van haar taak als bijzondere curator;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M. Vink, M.P. Verloop en A.D. van Riel, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Arreman-Mos als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2016.