Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:13515

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-11-2016
Datum publicatie
15-11-2016
Zaaknummer
09-757191-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak doodslag. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van toegebracht letsel bij een vier weken oude baby en dat het letsel kort voor het intreden van de klinische verschijnselen is toegebracht. Onder deze omstandigheid kan de rechtbank geen waarde hechten aan de verklaringen van verdachte en zijn vrouw, die inhouden dat er (kort) voor het moment dat de baby slap werd en niet meer ademde niets met hem is gebeurd. Deze verklaringen kunnen derhalve niet voor het bewijs worden gebruikt. Bij gebrek aan (andere) bewijsmiddelen waaruit volgt dat verdachte degene is geweest die het letsel heeft toegebracht, kan het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen worden, zodat verdachte wordt vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2017, afl. 1, p. 30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/757191-12

Datum uitspraak: 15 november 2016

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1968 te [geboorteplaats]

[adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 22 mei 2015, 29 oktober 2015, 1 maart 2016, 7 oktober 2016 en 1 november 2016.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. H. Mol, inhoudende dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, en van hetgeen door de raadslieden van verdachte mr. M.J. Crombach en mr. R.N.N. Poppelaars, advocaten te Breda, en door verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 januari 2012 te 's-Gravenhage opzettelijk [slachtoffer] , geboren op 16 december 2011 van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] beetgepakt en/of beetgehouden en/of (vervolgens) (met kracht) heen en weer geschud en/of met kracht tegen een hard voorwerp geslagen en/of geduwd en/of gegooid, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding
Verdachte is de vader van [slachtoffer] , geboren op 16 december 2011. Op 21 januari 2012 heeft verdachte omstreeks 03.38 uur het alarmnummer 112 gebeld en gemeld dat [slachtoffer] niet meer ademde. [slachtoffer] is door verdachte beademd en door later ter plaatse gekomen agenten en ambulancepersoneel gereanimeerd. [slachtoffer] werd door het ambulancepersoneel als levenloos omschreven. Zij hebben hem naar het Hagaziekenhuis te Den Haag vervoerd. Hij is vervolgens overgebracht naar het VU Medisch Centrum te Amsterdam. Daar is [slachtoffer] op 22 januari 2012 omstreeks 10.48 uur overleden.

Omdat werd vermoed dat [slachtoffer] niet was overleden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak, is een gerechtelijke sectie gelast.

Verdachte en de moeder van [slachtoffer] , [de vrouw van verdachte] zijn als verdachten aangemerkt. De zaak tegen [de vrouw van verdachte] is door de officier van justitie geseponeerd.

In deze strafzaak zijn twee hoofdvragen van belang, namelijk of [slachtoffer] is overleden als gevolg van toegebracht letsel, en - als deze vraag bevestigend wordt beantwoord - of het verdachte is geweest die dat letsel heeft veroorzaakt.

3.2

De standpunten

3.2.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. De officier van justitie gaat er gelet op de deskundigenrapporten van uit dat er sprake is van toegebracht letsel en dat het letsel kort voor het ontstaan van de klinische verschijnselen bij [slachtoffer] is toegebracht. Zowel verdachte als zijn vrouw hebben verklaard dat verdachte degene was die zich bezig hield met de verzorging van [slachtoffer] die nacht. Dientengevolge kan niemand anders dan verdachte het letsel bij [slachtoffer] hebben toegebracht. De officier van justitie concludeert dat verdachte opzettelijk, in de vorm van voorwaardelijk opzet, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

3.2.2

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Volgens de verdediging kan in het licht van de door hen aangevoerde hypothese (die hierna zal worden besproken), het ontbreken van ander bewijs naast de medische bevindingen, alsmede onduidelijkheden die bestaan over het overlijden van [slachtoffer] , niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

3.3

Wat is de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer] ?

3.3.1

Het geconstateerde letsel

Op 23 januari 2012 werd in opdracht van de rechter-commissaris door A. Maes, arts en patholoog bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), een gerechtelijke sectie uitgevoerd. Het sectierapport van 10 augustus 2012, waarbij tevens de rapportages van een radioloog van het AMC, een toxicoloog van het NFI, een oogpatholoog van het Erasmus MC, een neuropatholoog van het NFI, het Laboratorium Genetisch Metabole Ziekten van het AMC en een rapport over wonddatering van het VUMC zijn betrokken, houdt onder meer het volgende in:

‘[…]

A1 Het was het lichaam van een goed gevoed en goed verzorgd jongetje waarvan het lichaamsgewicht 4930 gram en de lichaamslengte van 56,3 cm konden passen bij de leeftijd van 1 maand, rond de P80, volgens Groeionderzoek LUMC/TNO 1997. De hoofdomtrek van 41,4 cm was veel, meer dan de P98. […]

A2 Er was een onderhuidse bloeduitstorting van circa 0,7 cm op het voorhoofd.

[…]

B1 Er was links aan het schedeldak een circa 4,5 cm lange streepvormige opheldering met het aspect van een scheur met omgevende bloeduitstorting onder het botvlies. Bij microscopisch onderzoek werd een recente fractuurlijn waargenomen.

B2 Er was een schil van bloed links onder het harde hersenvlies en er was bloederig hersenvocht. De hersenen waren sterk gezwollen en zeer week. Er was een complete verstrijking van de hersenwindingen met afplatting van het hersenoppervlak (inklemming).

[…]

C3 Er is pathologisch onderzoek verricht op de bij sectie uitgenomen oogjes. De conclusie: oogbol links en rechts met uitgebreide retinale (netvlies) bloedingen, bloedingen in en rond de nervus opticus (oogzenuwschede) met uitbreiding intrascleraal (in de harde oogrok) ter hoogt van de nervus opticus insertie (intrede). Ook deposities van ijzerpigment: dit wijst op bloedingen van 2-3 dagen oud. De bevindingen kunnen passen bij acceleratie/deceleratie/impact trauma, indien andere oorzaken voor bloedingen zijn uitgesloten. […]

C4 Er is neuropathologisch onderzoek verricht op de bij sectie uitgenomen hersenen. De conclusie: Het neuropathologisch onderzoek van de hersenen en het ruggenmerg toonde recente bloeduitstorting in de zachte hersenvliezen, fors oedeem (hersenzwelling) en axonale veranderingen (veranderingen van de zenuwbanen), passend bij acceleratie/deceleratie-trauma.

[…]

Interpretatie van de resultaten

[…]

Bij sectie werd een normaal geproportioneerd jongetje gezien zonder aangeboren misvormingen. Uitwendig werd een onderhuidse bloeduitstorting op het voorhoofd gezien. Bij inwendig onderzoek werd een mogelijke scheur (fractuur) in het schedeldak links zijwaarts waargenomen. Dat het inderdaad een scheur (fractuur) betrof, werd bevestigd door microscopisch onderzoek. Er was links bloed onder het harde hersenvlies. De hersenen waren sterk gezwollen en afgeplat met inklemmingsverschijnselen. Er waren bij neuropathologisch onderzoek recente bloeduitstortingen in de zachte hersenvliezen en veranderingen passend bij acceleratie/deceleratie-trauma.

In de onderzochte oogjes waren er veranderingen passend bij acceleratie/deceleratie/impact-trauma conform de klinische bevindingen van de oogarts. In de beide longen was beginnende longontsteking, een verwikkeling van de hersenschade. Het overlijden wordt door de gevonden schedelhersenschade zondermeer verklaard. Verminderde longfunctie door de longontsteking heeft aan het overlijden bijgedragen.

De oorzaak van de schedelhersen- en oogschade wordt gevormd door een combinatie van impact met acceleratie/deceleratie-trauma (door heftig schudden) op het hoofd. De sectiebevindingen wijzen op niet accidenteel/toegebracht schedelhersen- en netvliesletsels.

Bespreking: De oogpatholoog vond in de oogjes behalve recente bloedingen ook ijzerdeposities als aanwijzingen voor oogletsels van 2-3 dagen oud. De neuropatholoog vond in de hersenen geen zekere ijzerdeposities. [slachtoffer] heeft in het ziekenhuis nog ruim 1 dag geleefd na het incident dat kan de verklaring vormen voor het reeds aanwezig zijn van ijzerpigment in de onderzochte netvliezen. Ook worden bij oogpathologisch onderzoek de oogjes in hun geheel onderzocht en uit de hersenen worden representatieve delen onderzocht. Hierbij kunnen mogelijke deposities van ijzerpigment bij neuropathologisch onderzoek worden gemist.

De discrepantie tussen de bevindingen bij radiologisch onderzoek (geen fracturen) en pathologische onderzoek (schedeldak fractuur) kan mogelijk worden verklaard doordat het een recente fractuur betrof zonder weefselreactie en zonder verplaatsing van de breukdelen, waardoor de breuk bij radiologisch onderzoek niet zichtbaar is.

Conclusie

[slachtoffer] , 1 maand oud geworden, is overleden aan de gevolgen van ernstig toegebracht schedelhersenletsel.

[…]’

3.3.2

De bevindingen van de deskundigen

De deskundige, W.A. Karst, forensisch arts KNMG, werkzaam bij het NFI, heeft in opdracht van de rechter-commissaris in deze zaak gerapporteerd. In zijn rapport van 18 september 2012, aangevuld door het rapport van 11 maart 2013, is onder meer het volgende opgenomen:

‘[…]

Combinatie van bevindingen

Bij [slachtoffer] zijn onder meer ernstig (fataal verlopend) hersenletsel, een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies, uitgebreide netvliesbloedingen, een onderhuidse bloeduitstorting op het voorhoofd en een schedelbreuk geconstateerd.

Deze combinatie van bevindingen is passend bij toegebracht schedelhersenletsel door een schudincident (acceleratie/deceleratie-trauma), door impact, of door de combinatie van beide. De geconstateerde schedelbreuk en de onderhuidse bloeduitstorting kunnen wijzen op impact als oorzaak van het geheel van bevindingen, al dan niet in combinatie met een schudincident. Er zijn geen medische aandoeningen geconstateerd die de combinatie van bevindingen kunnen verklaren. De geconstateerde letsels zijn niet ontstaan door eigen toedoen of gedragingen van [slachtoffer] , bij gebruikelijke verzorgingshandelingen, of bij de bevalling.

[…]

Datering

Op basis van studies naar de tijdsduur tussen een traumatisch incident en het ontstaan van klinische verschijnselen (deels met verklaringen van bekennende daders) bij toegebracht ernstig schadehersenletsel, kan worden geconcludeerd dat het traumatische incident juist voor (ordegrootte: seconden) het ontstaan van de klinische verschijnselen zoals bijvoorbeeld een onmiddellijke daling van het bewustzijnsniveau (lethargie of bewusteloosheid), onregelmatige ademhaling, moeilijkheden bij het ademen of ademstilstand en frequente insulten, moet hebben plaatsgevonden. Bovendien wordt aangenomen dat bij een kind dat direct na het ontstaan van hersenletsel gezond en normaal functioneert, het bijzonder onwaarschijnlijk is dat in latere instantie zonder nieuw incident alsnog ernstig (fataal of bijna-fataal) hersenletsel wordt geconstateerd.

Conclusie

Het fataal verlopen hersenletsel, de bloeduitstorting onder het harde hersenvlies, de uitgebreide netvliesbloedingen, de onderhuidse bloeduitstorting op het voorhoofd en de schedelbreuk zijn in combinatie zeer veel waarschijnlijker bij een niet-accidenteel contacttrauma, al dan niet in combinatie met een schudincident (repeterend acceleratie/deceleratie-trauma), dan bij een medische oorzaak en/of een val van beperkte hoogte en/of gebruikelijke verzorgingshandelingen en/of door eigen toedoen van [slachtoffer] .’

Op verzoek van de verdediging hebben ook de heer F.R.W. van de Goot, mevrouw J. Koppe en de heer J. Koetsier gerapporteerd in deze zaak.

De deskundige, F.R.W. van de Goot, forensisch arts en patholoog, heeft in opdracht van de rechter-commissaris in deze zaak gerapporteerd. Blijkens zijn rapport van 29 juli 2014 heeft hij, teneinde de aan hem gestelde vragen te beantwoorden en ter beoordeling van al wat nog onderbelicht gebleven zou zijn, een dossierstudie uitgevoerd met daarbij een aantal aanvullende technische onderzoeken. Een daarvan is revisie van het sectierapport en bijbehorende foto’s met meewegen van de aanvullende onderzoeken, te weten toxicologie, oogpathologie, neuropathologie en anderen, revisie van het histologisch materiaal en het radiologische materiaal. Tevens heeft er een aanvullende datering van huidstukken, de schedelbreuk en de hersenschade plaatsgevonden, alsmede een implementatie van alle bevindingen in de vraagstelling.

In zijn rapport van 29 juli 2014 is onder meer opgenomen:

‘[…]

Van het letsel van het voorhoofd werd helaas geen histologisch monster genomen. Accurate datering is derhalve niet mogelijk, een benadering echter wel.

Het letsel van het voorhoofd betreft een vaag begrensde donkere huidverkleuring van circa 2 cm in doorsnede met een bruin aspect. Aan de binnenzijde van de huid wordt een kleine onderhuidse bloeduitstorting gezien welke uitbreidt in de lederhuid.

Het optreden van een bloeduitstorting met uitbreiding in de lederhuid was het gevolg van inwerking van uitwendig botsend mechanisch geweld. Zoals bijvoorbeeld kan optreden bij stoten, slaan, vallen etc. Daar de overliggende huid niet zichtbaar beschadigd is, is de mate van geweldsinwerking niet aan te geven. Het aspect van de bloeduitstorting is slechts bij benadering aan te geven als: bij leven, en niet al te lang voor het intreden van de dood. Met niet al te lang wordt een periode van minuten, uren maar ook circa een dag. Een nog langere periode van bijvoorbeeld 2 of meer dagen wordt gezien het aspect met de lengte van de duur toenemend onwaarschijnlijker.

Het sectierapport is verder te ontnemen dat sprake was van een bloeduitstorting onder de harde hersenvliezen bij tekenen van hersenzwelling en bloedig hersenvocht.

Het optreden van een subdurale bloeduitstorting (onder de harde hersenvliezen) is vrijwel altijd het gevolg van inwerking van substantieel uitwendig mechanisch geweld zoals bijvoorbeeld kan optreden bij slaan, schudden, hard vallen, hard stoten, etc.

Het neuropathologisch rapport geeft aan dat sprake was van diffuse hersenschade met op verschillende B-app positieve bulbs. Dergelijke zenuwbeschadiging heeft enige tijd nog om te ontwikkelen. Tevens werd histologisch een beeld gezien met opkomende ontstekingsactiviteit, opkomende marcofagale activiteit en endotheelzwelling. Een dergelijk beeld is conform hersenletsel van recente datum. Een ouderdom van circa 1 dag behoort tot de mogelijkheden, een langere periode van bijvoorbeeld 2 of meer wordt toenemend onwaarschijnlijk. […]

Tevens werd bij revisie van het histologisch materiaal expliciet gekeken naar tekenen van oude bloedingen. Dit omdat overwogen werd in hoeverre een stollingsstoornis voor het een en ander verantwoordelijk zou kunnen zijn. Er werden geen resten van oudere bloedingen in de hersenen aangetroffen.

[…]

Het oogpathologisch onderzoek leverde aan dat sprake was van uitgebreide retinale bloeduitstortingen in de rond de oogzenuw. Tevens waren er deposities van ijzerpigment. Deze rapportage gebruikt echter het woord “ook” alvorens het ijzerpigment te benoemen. Het is namelijk zondermeer mogelijk dat er sprake is van recente bloeduitstorting bij reeds aanwezig ijzerpigment.

[…]

De breuk van de schedel blijkt inderdaad reëel.

Het wondbeeld is van dien aard dat geen sprake kan zijn van een na de dood ontstane breuk. […]

Met enige terughoudendheid kan worden gesteld dat de bevindingen een botbreuk met een veronderstelde ouderdom van circa 1 dag beslist niet tegenspreken.

[…]

Samenvatting van alle bevindingen

[…]

Centraal is het geheel van de plotselinge knik in het verhaal met rabiaat overlijden. Het optreden van een vers hematoom en daarbij diffuse hersenschade bij een baby die voorheen gezond was met rabiaat overlijden in vanuit een diep comateuze toestand, in combinatie met het uitsluiten van alle andere relevante oorzaken die aan een dergelijk beeld ten grondslag zouden kunnen liggen, laten feitelijk geen ruimte meer over voor alternatieve verklaringen. In deze casus zijn de bevindingen redelijkerwijs niet anders te verklaren dan opgelopen door substantiële geweldsinwerking kort voor, dan wel tijdens, het optreden van de knik.

Het feit dat een kind tot dat moment symptoomloos zou hebben gereageerd geeft geen ruimte voor een geweldsinwerking langer geleden. Dat er ijzerpigment in het optische systeem aanwezig is, kan een enkele keer toch ten gevolge van een geboorte optreden dan wel op een andere niet meer aantoonbare oorzaak. Hoe dan ook, in deze zaak is het slechts bijzaak.

Conclusie

Bij deze circa 5 weken oud geworden baby wijzen de bevindingen zeer sterk in de richting van substantiële geweldsinwerking kort voor, dan wel tijdens het optreden van de eerste symptomen, als oorzaak van het ontstaan van een uitzichtloze situatie en het daaruit volgende intreden van de dood.

De verdediging heeft de conclusies van de deskundigen Maes, Karst en Van de Goot bestreden en heeft daartoe een rapport van J. Koetsier, gepensioneerd huisarts, in het geding gebracht. De rechtbank heeft reeds ter terechtzitting van 22 mei 2015 geoordeeld dat Koetsier ten aanzien van de vragen die in onderhavige zaak dienen te worden beantwoord, niet als deskundige kan worden aangemerkt. Aangezien de verdediging voorts de bevindingen uit het rapport van Koetsier niet ten grondslag heeft gelegd aan haar verweer, zal de rechtbank het rapport van Koetsier in dit vonnis niet verder bespreken.

De verdediging heeft eveneens een rapport van J.G. Koppe, Emeritus Hoogleraar neonatologie, in het geding gebracht. Zij is met Van de Goot en Karst ter terechtzittingen van 29 oktober 2015 en 1 maart 2016 als deskundige gehoord.

In haar rapport van 1 december 2014 en de aanvullingen daarop, heeft Koppe de conclusies van Karst en Van de Goot bestreden. De rechtbank overweegt dat de deskundigheid van Koppe ligt op het gebied van neonatologie, zodat zij de conclusies voor zover deze vallen buiten dit gebied met terughoudendheid zal benaderen. De rechtbank zal in dit vonnis ingaan op de conclusies uit haar rapport, daar waar de verdediging daarop een beroep heeft gedaan.

3.3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank dient de conclusies van de deskundigen Maes, Karst en Van de Goot af te wegen tegen andere mogelijke oorzaken van het overlijden van [slachtoffer] , waaronder de door de verdediging aangevoerde hypothese.

De verdediging heeft aangevoerd dat er zich in het hoofd van [slachtoffer] rechts onder het harde hersenvlies een hygroom/oude vochtcollectie heeft bevonden die het gevolg is van een eerder (bij de geboorte) ontstaan subduraal hematoom. Deze vochtcollectie kan hebben bijgedragen aan het ontstaan van de overige letsels. De aanwezigheid van deze vochtcollectie vindt volgens de verdediging steun in de bevindingen van radiologisch onderzoek dat bij [slachtoffer] is uitgevoerd nadat hij was opgenomen in het VU Medisch Centrum. Daarop werd aan de rechterzijde een iets forser subduraal hematoom waargenomen dan aan de linkerzijde. Door de artsen van het VU Medisch Centrum werd dit als een hygroom - een met vocht en eiwit gevulde holte welke resteert na een doorgemaakt subduraal hematoom - rechts en een verse bloeding links beoordeeld. Daarbij heeft de verdediging gewezen op de bevindingen omtrent de omvang van het hoofd van [slachtoffer] , dat volgens de verdediging sinds de geboorte disproportioneel is gegroeid. De verdediging houdt er rekening mee dat de vochtcollectie bij de sectie ongemerkt is weggelopen.

De bevindingen die ten aanzien van de letsels zijn gedaan, passen volgens de verdediging in de hypothese dat er zich reeds langere tijd een proces afspeelde in het hoofd. Dit kan in ieder geval hebben bestaan uit de vochtcollectie die de omvang van het hoofd heeft doen toenemen. Dit proces heeft ertoe bijgedragen dat er axonale beschadigingen ontstonden alsmede hersenzwelling. Deze hersenzwelling en axonale beschadigingen hebben niet direct tot klinische symptomen geleid. De verwikkeling van de hersenzwelling en de axonale schade die hierdoor is veroorzaakt, de daardoor toenemende hersenzwelling en de afplatting van de hersenen hebben er volgens de verdediging toe geleid dat [slachtoffer] is komen te overlijden.

De verdediging heeft de bevindingen die ten aanzien van de letsels zijn gedaan afzonderlijk besproken. De rechtbank zal in diezelfde lijn de door de verdediging aangevoerde hypothese afzonderlijk per type letsel bespreken.

De schedelbreuk

De verdediging heeft ten aanzien van de schedelbreuk aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat deze een andere oorzaak heeft dan het hersenletsel. De schedelbreuk kan volgens de verdediging sneller zijn ontstaan doordat er zich reeds een zwelling in de hersenen bevond.

Volgens Karst kunnen schedelbreuken ontstaan bij forse impact, onder meer in het kader van heftig acceleratie/deceleratie-trauma waarbij het hoofd door de heen en weer gaande beweging tegen een voorwerp is geslagen. Ook een afzonderlijk incident is mogelijk, zoals bijvoorbeeld een heftig botsend contact van de schedel met of tegen een voorwerp of oppervlak, zoals bijvoorbeeld bij een krachtige vuistslag. Van der Goot heeft geconcludeerd dat het wondbeeld van dien aard is dat er geen sprake kan zijn van een na de dood ontstane breuk. Met enige terughoudendheid kan worden gesteld dat de bevindingen een botbreuk met een veronderstelde ouderdom van circa 1 dag niet tegenspreken.

De verdediging heeft twee alternatieve hypotheses opgeworpen voor het ontstaan van de schedelbreuk. De eerste hypothese, luidend dat de schedelbreuk eerder, maar niet kort voor het bellen van 112 is ontstaan, heeft zij echter niet nader onderbouwd. Evenmin hebben verdachte en zijn vrouw verklaard over een mogelijke oorzaak van dit letsel, terwijl dit letsel volgens Karst moet zijn ontstaan ten gevolge van forse impact.

Concrete aanwijzingen voor de andere alternatieve hypothese, namelijk dat de breuk is ontstaan als gevolg van de reanimatiehandelingen door de politie, door het vervoer van [slachtoffer] naar het ziekenhuis of de verzorging in het ziekenhuis bevinden zich niet in het dossier. Karst heeft naar aanleiding van vragen van de verdediging gerapporteerd dat een schedelbreuk geen gevolg zal zijn van normaal uitgevoerde reanimatiehandelingen, ervan uitgaande dat impact tegen of compressie van het hoofd niet tijdens reanimatiehandelingen plaatsvindt. Ook Van de Goot heeft gerapporteerd dat er substantiële kracht nodig is voor het ontstaan van een schedelbreuk, zoals vallen van enige hoogte, hard slaan of stompen of hard samendrukken van het hoofd. Dit zijn volgens hem geen gangbare handelingen bij reanimatie, noch bij leken, noch bij professionals.

De door de verdediging gesuggereerde mogelijkheid dat een schedelbreuk sneller kan ontstaan indien zich reeds een zwelling in de hersenen bevond is niet voorzien van een wetenschappelijke onderbouwing.

De netvliesbloedingen

De verdediging heeft ten aanzien van de netvliesbloedingen gesteld dat hieruit op zich niet veel kan worden afgeleid en dat deze deels en mogelijk in zijn geheel minstens twee of drie dagen oud waren.

Volgens Karst zijn de fysieke krachten die door acceleratie en deceleratie ontstaan de meest waarschijnlijke verklaring voor het ontstaan van netvliesbloedingen. Het is mogelijk dat een kind netvliesbloedingen oploopt bij de geboorte, maar is het onmogelijk om deze netvliesbloedingen met deze mate van uitbreiding te krijgen als gevolg daarvan. De bevalling als oorzaak van de netvliesbloedingen wordt door hem dan ook uitgesloten. De aangetroffen netvliesbloedingen zijn veel waarschijnlijker bij een contacttrauma, bij schudden (acceleratie/deceleratie) of bij een combinatie van beide, dan bij een medische oorzaak, en/of een val van beperkte hoogte en/of gebruikelijke verzorgingshandelingen.

Volgens Maes kunnen de bevindingen uit het pathologisch onderzoek aan het oog passen bij acceleratie/deceleratie/impact trauma indien andere oorzaken voor bloedingen zijn uitgesloten.

Uit het dossier is niet gebleken van een andere mogelijke oorzaak voor de uitgebreide netvliesbloedingen in de ogen van [slachtoffer] . Ook de verdediging heeft daarvoor geen andere oorzaak genoemd.

Het subduraal hematoom (links)

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het subduraal hematoom niet is gedateerd. Voorts heeft zij aangevoerd dat het, alhoewel het waarschijnlijker is dat het is ontstaan voordat er hersenzwelling is opgetreden, ook mogelijk is dat het erna heeft plaatsgevonden. Ten slotte stelt zij dat het subduraal hematoom niet heeft bijgedragen aan het overlijden van [slachtoffer] .

De rechtbank stelt vast dat ook de deskundigen Karst en Van de Goot tot de conclusie komen dat het subduraal hematoom zoals dit bij [slachtoffer] is aangetroffen, niet heeft bijgedragen aan het overlijden. Van de Goot concludeert dat een subduraal hematoom in vrijwel alle gevallen een gevolg is van inwerking van substantieel uitwendig mechanisch geweld, zoals bijvoorbeeld kan optreden bij slaan, schudden, hard vallen, hard stoten etc. Karst heeft gerapporteerd dat een subduraal hematoom kan ontstaan bij de geboorte, door heftig repeterend acceleratie-deceleratie trauma of bij forse impact, of bij een combinatie van beide zoals bij ernstige ongevallen. Hij heeft voorts gerapporteerd dat bij onderzoek naar kinderen met een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies na de geboorte is gebleken dat de bloeduitstortingen op de leeftijd van vier weken waren verdwenen. De rechtbank stelt vast dat ook de stelling van de verdediging, waarbij zij er vanuit gaat dat de volgens haar bestaande vochtophoping aan de rechterzijde een restant is van een eerder (bij de geboorte) ontstaan hematoom, zich niet goed verhoudt met de geboorte als oorzaak van het bij de sectie geconstateerde subduraal hematoom links. Een andere mogelijke oorzaak voor het ontstaan van het subduraal hematoom links, zoals een val of een ongeluk, blijkt niet uit het dossier en is door de verdediging ook niet aangedragen.

Hersenschade

De verdediging heeft gesteld dat rekening gehouden dient te worden met de mogelijkheid dat het ruimte-innemend proces in de hersenen, bestaande uit een oude vochtcollectie/hygroom in de subdurale ruimte, de geconstateerde axonale beschadigingen alsmede hersenzwelling heeft doen ontstaan, en dat de zwelling zelf ook weer axonale schade heeft veroorzaakt.

De rechtbank stelt allereerst vast dat Karst heeft verklaard dat een subduraal hematoom een bloeduitstorting is die geen symptomen geeft.

Volgens Van de Goot was er bij [slachtoffer] sprake van diffuse axonale schade, diffuse beschadiging van de hersenen, en dientengevolge hersenzwelling.

Van de Goot heeft voorts verklaard dat axonale schade het kapotscheuren van de tussenverbindingen in de hersenen is en dat elke forse geweldsinwerking op het hoofd axonale schade kan veroorzaken. Hij heeft voorts verklaard dat bij de geconstateerde diffuse hersenschade een traumatische geweldsinwerking op nummer één staat. Verder heeft hij verklaard dat de bevindingen van het neuropathologisch onderzoek wijzen op axonale schade van een dag, waaruit de rechtbank begrijpt de ouderdom van een dag. Volgens Maes is de geconstateerde axonale schade passend bij acceleratie/declaratie trauma. Gezien deze bevindingen acht de rechtbank de door de verdediging aangevoerde mogelijkheid dat de hersenzwelling en axonale beschadigingen reeds langere tijd aan de gang waren, onvoldoende onderbouwd. In elk geval is onvoldoende onderbouwd op welke wijze de hersenschade als geheel het gevolg kan zijn van een oude vochtcollectie/hygroom in de subdurale ruimte.

Conclusie

De rechtbank stelt vast dat Maes heeft geconcludeerd dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van toegebracht schedelhersenletsel. Karst heeft geconcludeerd dat de geconstateerde letsels in combinatie zeer veel waarschijnlijker zijn bij een niet-accidenteel contacttrauma, al dan niet in combinatie met een schudincident, dan bij een medische oorzaak en/of een val van beperkte hoogte en/of gebruikelijke verzorgingshandelingen en/of door eigen toedoen van [slachtoffer] . Van de Goot heeft geconcludeerd dat de bevindingen zeer sterk wijzen in de richting van substantiële geweldsinwerking kort voor, dan wel tijdens het optreden van de eerste symptomen, als oorzaak van het intreden van de dood. Uit de verschillende rapporten die Karst en Van de Goot hebben opgesteld en hun verklaringen ter terechtzitting blijkt uitdrukkelijk dat zij ook andere mogelijke oorzaken, waaronder ook die door de verdediging zelf of in door haar overgelegde rapporten zijn aangedragen, bij hun conclusies hebben betrokken.

De rechtbank acht de door de verdediging aangevoerde hypothese enerzijds onvoldoende feitelijk en wetenschappelijk onderbouwd en anderzijds niet verklarend voor alle bij [slachtoffer] aangetroffen letsels. Dit terwijl juist de combinatie van de letsels de aanleiding vormt voor de conclusies van de deskundigen Maes, Karst en Van de Goot. De rechtbank zal dan ook de conclusies van de deskundigen Maes, Karst en Van de Goot overnemen. Aan de hand van die conclusies komt de rechtbank tot het oordeel dat het overlijden van [slachtoffer] is veroorzaakt door toegebracht letsel.

3.4

Heeft verdachte het letsel toegebracht?

3.4.1

Wanneer is het letsel toegebracht?

Zoals reeds onder 3.3.2 weergegeven kan volgens Karst ten aanzien van de datering van het traumatisch incident en het ontstaan van de klinische verschijnselen, worden geconcludeerd dat het traumatische incident juist voor (seconden) het ontstaan van de klinische verschijnselen moet hebben plaatsgevonden. Ook Van de Goot concludeert dat de bevindingen zeer sterk in de richting wijzen van substantiële geweldsinwerking kort voor, dan wel tijdens, het optreden van de eerste symptomen. De rechtbank neemt ook deze conclusies van Karst en Van de Goot over.

3.4.2

De verklaring van verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij omstreeks half drie wakker werd van [slachtoffer] en dat hij hem vervolgens een flesje heeft gegeven op het bed, waarbij zijn vrouw naast hem lag. Hij heeft [slachtoffer] na het flesje laten boeren, heeft hem verschoond en zijn mutsje opgedaan. Omdat [slachtoffer] hierna begon te huilen heeft hij hem opgepakt en geprobeerd te troosten. Zijn vrouw stapte uit bed en vroeg om [slachtoffer] . Verdachte zei dat hij het zou oplossen en is naar de woonkamer gelopen. Zijn vrouw liep achter hem aan. [slachtoffer] werd langzaam stil toen hij de woonkamer in liep. Op het laatste moment huilde hij helemaal niet meer. [slachtoffer] zuchtte diep. Verdachte dacht dat [slachtoffer] sliep en gaf [slachtoffer] aan zijn vrouw, die daarop zei dat [slachtoffer] er niet goed uitzag omdat hij zo slap was. Verdachte heeft vervolgens 112 gebeld.

3.4.3

De verklaring van [de vrouw van verdachte]

, heeft verklaard dat verdachte [slachtoffer] die nacht het flesje heeft gegeven. [slachtoffer] begon te huilen toen verdachte het mutsje op wilde doen. Hierop heeft verdachte het mutsje weer afgedaan en is met [slachtoffer] naar de woonkamer gelopen. [de vrouw van verdachte] liep meteen achter verdachte aan. Het duurde een aantal minuten voordat [slachtoffer] minder ging huilen. Zij hoorde een diepe zucht en dacht dat [slachtoffer] in slaap was gevallen. Op het moment dat zij [slachtoffer] aannam van verdachte voelde hij slap aan. Zij keek naar zijn neus en zei dat hij niet ademde. Op het moment dat [slachtoffer] zuchtte had verdachte hem nog vast. Zo’n zucht was niet normaal bij [slachtoffer] . Hierop heeft verdachte 112 gebeld.

3.4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is reeds tot de conclusie gekomen dat het overlijden van [slachtoffer] het gevolg is van toegebracht letsel. Ook wat betreft het moment van het toebrengen van dat letsel volgt zij de conclusies van de deskundigen Karst en Van de Goot, namelijk dat het letsel kort voor het intreden van de klinische verschijnselen is toegebracht. Onder deze omstandigheid kan de rechtbank geen waarde hechten aan de verklaringen van verdachte en zijn vrouw, die immers inhouden dat er (kort) voor het moment dat [slachtoffer] slap werd en niet meer ademde niets met hem is gebeurd. Deze verklaringen kunnen dan ook niet voor het bewijs worden gebruikt. Bij gebrek aan (andere) bewijsmiddelen waaruit volgt dat het verdachte moet zijn geweest die het letsel aan [slachtoffer] heeft toegebracht, kan het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen worden. De rechtbank zal hem dan ook vrijspreken van het hem tenlastegelegde.

4 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P. Verbeek, voorzitter,

mr. C.F. Mewe, rechter,

mr. M.J.J. Visser, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J. Boon, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 november 2016.