Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:1347

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-02-2016
Datum publicatie
03-05-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 888
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser door de wijze waarop hij zijn geloof uitdraagt en verspreidt in Pakistan gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel een reëel risico loopt in een situatie strijdig met artikel 3 EVRM te komen. De rechtbank overweegt daarbij dat uit het thematisch ambtsbericht over de positie van Ahmadi’s en Christenen in Pakistan van november 2014 blijkt dat Christenen gedurende de verslagperiode hun geloof konden verspreiden, mits ze duidelijk maakten dat ze geen moslims waren en ze niet tegen de islam preekten. De rechtbank overweegt – onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2419) – dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt wanneer er sprake is van ‘preken tegen de islam’. Ter zitting heeft verweerder zijn standpunt in deze ook niet kunnen verduidelijken. Derhalve kan niet worden beoordeeld of de manier waarop eiser zijn geloof uitdraagt en verspreidt in Pakistan zal worden beschouwd als ‘preken tegen de islam’

Gelet hierop heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd dat uit de verklaringen van eiser niet kan worden afgeleid dat hij bij een terugkeer in Pakistan vanwege het uitdragen van zijn geloof een gegronde vrees heeft voor vervolging, dan wel een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 16/888 en AWB 16/889

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2016 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [nummer]

(gemachtigde: mr. M.J. Paffen),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.R. Bekink).

Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), die op 26 juni 2012 is ingediend, afgewezen op grond van artikel 31 van de Vw 2000.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2016.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1991 en bezit de Pakistaanse nationaliteit.

1.1

Op 26 juni 2012 heeft eiser een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 28 augustus 2013 afgewezen. Bij uitspraak van 27 maart 2014 heeft de rechtbank het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft bij uitspraak van 7 augustus 2015 het hoger beroep gegrond verklaard en het besluit van verweerder vernietigd.

1.2

Op 22 januari 2015 heeft eiser een herhaalde asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is op 26 januari 2015 afgewezen. Bij uitspraak van 19 februari 2015 heeft de rechtbank het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Afdeling heeft het hoger beroep van eiser niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. De Afdeling heeft hierbij overwogen dat, nu het hoger beroep in de eerste procedure gegrond is verklaard, verweerder een nieuw besluit dient te nemen en hierbij moet uitgaan van de feiten en omstandigheden zoals die zich op dat moment voordoen.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit – kort weergegeven – ten grondslag gelegd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, of een reëel risico op ernstige schade heeft.

3. Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en voert daartoe – samengevat – het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte slechts de vrees van eiser om te worden vermoord op aannemelijkheid beoordeelt. Verweerder had hierbij ook het risico moeten betrekken dat eiser vanwege zijn geloof zal worden vervolgd en een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dan wel dat eiser, ter voorkoming hiervan, zijn geloof terughoudend dient uit te oefenen. Eiser was al wel christen in Pakistan, maar is zijn geloof in Nederland anders gaan beleven en uitoefenen. Eiser stelt in Pakistan te blijven praten en rappen over zijn geloof. In de Pakistan zal dat niet worden geaccepteerd en door moslims als beledigend voor de Islam kunnen worden opgevat. Het besluit is derhalve onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd.

4. Verweerder voert gemotiveerd verweer.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 7 augustus 2015 overwogen dat de eerste twee grieven die eiser heeft aangevoerd niet tot vernietiging van de uitspraak van 27 maart 2014 kunnen leiden. De ongeloofwaardigheid van eisers asielrelaas, behoudens zijn christelijke geloof, is daarmee in rechte vast komen te staat. In deze procedure staat derhalve slechts ter beoordeling of eiser bij terugkeer naar Pakistan gegronde vrees voor vervolging heeft danwel een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM loopt door de wijze waarop eiser uiting geeft aan zijn christelijke geloof.

7.1

Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2420) volgt dat verweerder bij het beoordelen of eiser een gegronde vrees heeft voor vervolging niet alleen de verklaringen van eiser dient te betrekken over de wijze waarop hij na terugkeer in zijn land van herkomst uiting wil geven aan zijn geloof, maar ook de situatie van geloofsgenoten en de te verwachten acceptatie van het gestelde handelen in het land van herkomst.

7.2

Blijkens het ‘rapport aanvullend gehoor’ heeft eiser naar voren gebracht dat hij in het openbaar rapt en spreekt over zijn geloof. Hij heeft onder meer verklaard dat hij zijn geloof uitdraagt door met mensen te praten en te vertellen dat het christendom de beste weg is. Eiser heeft verklaard dat hij vertelt dat Jezus de zoon van God is en de bijbel geeft aan personen die interesse tonen. Eiser gaat in aanwezigheid van anderen voor hen bidden. Daarnaast probeert hij andere asielzoekers over te halen om mee te gaan naar de kerk. Gelet op deze onderdelen van eisers relaas acht de rechtbank eisers verklaring dat hij in Pakistan op dezelfde wijze zijn christelijke geloofsovertuiging wil uitdragen en verspreiden, aannemelijk. Eisers verklaring dat hij niet in discussie gaat en niet negatief praat over een ander geloof, doet daar niet aan af.

7.3

Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of eiser door de wijze waarop hij zijn geloof uitdraagt en verspreidt in Pakistan gegronde vrees voor vervolging heeft danwel een reëel risico loopt in een situatie strijdig met artikel 3 EVRM te komen. De rechtbank overweegt daarbij dat uit het thematisch ambtsbericht over de positie van Ahmadi’s en Christenen in Pakistan van november 2014 blijkt dat Christenen gedurende de verslagperiode hun geloof konden verspreiden, mits ze duidelijk maakten dat ze geen moslims waren en ze niet tegen de islam preekten. De rechtbank overweegt – onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2419) – dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt wanneer er sprake is van ‘preken tegen de islam’. Ter zitting heeft verweerder zijn standpunt in deze ook niet kunnen verduidelijken. Derhalve kan niet worden beoordeeld of de manier waarop eiser zijn geloof uitdraagt en verspreidt in Pakistan zal worden beschouwd als ‘preken tegen de islam’

7.4

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd dat uit de verklaringen van eiser niet kan worden afgeleid dat hij bij een terugkeer in Pakistan vanwege het uitdragen van zijn geloof een gegronde vrees heeft voor vervolging, dan wel een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

8. Het beroep is gegrond.

9. De rechtbank vernietigt het besluit mede voor zover dit betrekking heeft op de aangezegde vertrektermijn en het niet opheffen van het inreisverbod.

10. Nu het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 496,- en wegingsfactor 1).

Ten aanzien van het verzoek (AWB 16/889)

11. De voorzieningenrechter is verzocht om hangende het beroep te bepalen dat verweerder de uitzetting van eiser achterwege dient te laten, totdat op het beroepschrift is beslist.

12. Nu de rechtbank het beroep gegrond heeft verklaard, is er geen aanleiding voor toewijzing van de voorlopige voorziening.

13. Het verzoek moet worden afgewezen.

14. Nu het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 496,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift; waarde per punt € 496,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De (voorzieningenrechter van de) rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1488,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Brand, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover hierbij is beslist op het beroep, binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.