Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:13416

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-11-2016
Datum publicatie
14-11-2016
Zaaknummer
RK 16/4652
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verdenking dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot overtreding van artikel 144 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), te weten - kort gezegd - het proberen te verstoren van een geoorloofde demonstratie. Daarnaast wordt appellant ervan verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan het overtreden van artikel 11 van de Wet Openbare Manifestaties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Kenmerk RK: 16/4652

Beslissing van 9 november 2016

Beslissing van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het ingestelde beroep ex artikel 509hh van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[appellant]

geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van advocaat mr. C.J.M. van den Brûle, adres: Prinsegracht 53, 2512 EX Den Haag,

blijkens een daarvan opgemaakte akte op 24 oktober 2016 ter griffie van deze rechtbank ingediend (maar blijkens het datumstempel ontvangen op 19 oktober 2016).

De rechtbank heeft kennisgenomen van het proces-verbaal van politie Eenheid Den Haag met proces-verbaalnummer: PL1500-2016262994 Z.

De rechtbank heeft op 1 november 2016 het beroep in besloten raadkamer behandeld.

Appellant, bijgestaan door mr. C.J.M. van den Brüle, is in raadkamer verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. T. Berger heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het beroep.

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het beroep.

Het beroepschrift is tijdig ingediend.

Bij besluit van 30 september 2016 heeft de officier van justitie aan appellant een gedragsaanwijzing opgelegd. Deze gedragsaanwijzing houdt - kort gezegd - in dat appellant zich op de zondagen 9 oktober 2016, 13 november 2016 en 11 december 2016 niet zal ophouden in de stadsdelen Centrum en Haagse Hout, waarbij de grenzen van deze gebieden ook vallen onder het gebiedsverbod. Voorts dient appellant zich op de reeds genoemde zondagen om 14:00 en 15:00 uur te melden op het politiebureau Scheveningen, op het adres Nieuwe Parklaan 250 te Den Haag bij de operationeel coördinator van de Districtsrecherche Den Haag West.

Uit de gedragsaanwijzing volgt dat deze is gegeven naar aanleiding van de verdenking dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot overtreding van artikel 144 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), te weten - kort gezegd - het proberen te verstoren van een geoorloofde demonstratie. Daarnaast wordt appellant ervan verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan het overtreden van artikel 11 van de Wet Openbare Manifestaties.

De raadsvrouw heeft in raadkamer verzocht het beroepschrift gegrond te verklaren en heeft daartoe in haar beroepschrift en ter zitting - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

Niet gesteld kan worden dat er sprake is van ernstige bezwaren ten aanzien van strafbare feiten waardoor de openbare orde ernstig is verstoord. Evenmin kan worden gesteld dat het gaat om een strafbaar feit waarbij gerechtvaardigde vrees bestaat voor ernstig belastend gedrag van appellant jegens personen. Derhalve is er niet voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 509hh Sv en dient het beroep gegrond verklaard te worden.

De raadsvrouw heeft verder aangevoerd dat de gedragsaanwijzing de vrijheid van verplaatsing, het recht op betoging en het recht op vrije meningsuiting van appellant op onaanvaardbare wijze inperkt en dat het uitvaardigen van een gedragsaanwijzing in dit geval niet proportioneel is, nu er andere, minder verstrekkende middelen ingezet hadden kunnen worden. Tot slot heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het opleggen van deze gedragsaanwijzing in strijd is met de onschuldpresumptie zoals neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

De officier van justitie heeft zich in raadkamer op het standpunt gesteld dat het beroep ongegrond moet worden verklaard en heeft daartoe - kort samengevat - het volgende aangevoerd. Appellant wordt verdacht van een poging tot verstoring van een geoorloofde demonstratie door het veroorzaken van wanorde en daarnaast wordt hij verdacht van deelname aan een (tegen)demonstratie waarvoor de vereiste kennisgeving niet aan de burgemeester is gedaan. Er is gegronde vrees dat hij zich ook in de toekomst belastend zal gedragen jegens Pegida-demonstranten. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van de gedragsaanwijzing. De inbreuk op de grondrechten van appellant die daarmee wordt gemaakt, is in casu gerechtvaardigd.

De rechtbank overweegt het volgende.

Als uitgangspunt voor de beoordeling van het beroep geldt dat de rechtbank moet toetsen:

a. a) of er ernstige bezwaren bestaan tegen appellant ter zake van een strafbaar feit waardoor de openbare orde ernstig is verstoord en waarbij grote vrees voor herhaling bestaat, dan wel ter zake van een strafbaar feit in verband waarmee de vrees bestaat voor ernstig belastend gedrag van appellant jegens een persoon of personen, dan wel in verband waarmee vrees bestaat voor gedrag van appellant dat herhaald gevaar voor goederen oplevert;

b) of de opgelegde gedragsaanwijzing proportioneel is.

Uit het overgelegde proces-verbaal in samenhang met informatie die ter zitting door de officier van justitie is verstrekt en door of namens appellant niet is betwist, leidt de rechtbank het volgende af.

Op 11 september 2016 vond er een demonstratie van Pegida plaats in Den Haag, waarvan kennis was gegeven aan de burgemeester. Voorafgaand aan deze demonstatie heeft de Anti-Fascistische Aktie (AFA) opgeroepen tot actie tegen en het blokkeren van Pegida-demonstranten. Van een tegendemonstratie is geen kennis gegeven aan de burgemeester. Tegendemonstranten werden door de politie verwezen naar Plein 1813. Appellant is aangehouden op de Prinsessegracht, nabij de plek waar door Pegida toespraken zouden worden gehouden. Hij bevond zich in een groep waarvan meerdere personen hun gezicht bedekt hadden en die schreeuwde en gebaarde richting de demonstranten van Pegida. Daarbij werden leuzen gescandeerd als: “Ze komen er niet door!” Bij de insluitingsfouillering werden twee zelfgemaakte rookbommen aangetroffen in de rugzak van appellant.

De rechtbank is van oordeel dat op basis hiervan ernstige bezwaren bestaan dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan de strafbare feiten zoals aan hem verweten in de gedragsaanwijzing. Zij overweegt verder dat het vanaf de overkant van een gracht staan schreeuwen geen ernstige verstoring van de openbare orde op hoeft te leveren, maar dat dit wel het geval was in de onderhavige context. Het ging hier immers om een ongeoorloofde tegendemonstratie door een groep mensen, van wie een aantal met gezichtsbedekking, die de indruk wekten dat ze de Pegida-betogers tegen wilden houden en die, zoals de officier van justitie het formuleerde, een kat-en-muisspel met de politie speelden.

Uit het verhandelde ter zitting blijkt, dat appellant handelt uit ideologische motieven. Hij vindt het belangrijk een tegengeluid te laten horen tegen Pegida, omdat deze beweging islamofoob geweld legitimeert. Appellant vindt ook dat de tegenstanders van Pegida zichtbaar moeten zijn voor het publiek tijdens demonstraties. Een tegendemonstratie op Plein 1813 valt volstrekt niet op en heeft dus geen zin. Appellant heeft opgemerkt dat er een toegestane tegendemonstratie zal zijn tijdens de Pegidademonstratie van 13 november aanstaande, die hij door de gedragsaanwijzing niet zou kunnen bezoeken.

Blijkens zijn strafblad is appellant frequent in aanraking gekomen met justitie vanwege kraken en voor andere aan de openbare orde rakende feiten.

De rechtbank leidt uit deze feiten en omstandigheden af, dat er een groot gevaar is voor herhaling, in ieder geval ten aanzien van overtreding van artikel 144 Sr. Het optreden van appellant tijdens de demonstatie van 11 september 2016 ging immers veel verder dan het enkel zichtbaar zijn als tegendemonstrant. De rechtbank weegt hierbij ook mee dat appellant twee rookbommen had meegenomen naar deze demonstratie.

Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van een gedragsaanwijzing is voldaan.

Zoals door de raadsvrouw is betoogd, maakt de gedragsaanwijzing inbreuk op het recht op bewegingsvrijheid, vrije meningsuiting en demonstratie van appellant, maar deze rechten zijn niet onbeperkt. Voorwaarden, beperkingen of sancties die bij wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn ter voorkoming van onder meer wanordelijkheden, zijn bijvoorbeeld volgens de artikelen 10 en 11 van het EVRM toegestaan. Daaraan voldoet de gedragsaanwijzing zoals geregeld in artikel 509hh van het Wetboek van Strafvordering. De vrijheid van de een strekt in het algemeen niet zo ver dat hij inbreuk mag maken op de rechten van een ander.

De volgende vraag waarvoor de rechtbank zich ziet gesteld is of het persoonlijke belang van appellant om de stadsdelen Centrum en Haagse Hout te bezoeken (vrijheid van verplaatsing) op 13 november 2016 en 11 december 2016 en daar actie te voeren tegen Pegida (vrijheid van betoging) zwaarder dient te wegen dan algemene belangen, zoals het zonder wanordelijkheden laten verlopen van deze demonstraties en de verdragsverplichting van de Nederlandse Staat om deelnemers aan geoorloofde demonstraties hun recht om te betogen te laten effectueren.

De rechtbank is van oordeel dat het algemene belang zwaarder dient te wegen, omdat de te beschermen belangen van derden groot zijn en de gedragsaanwijzing een beperkte inbreuk oplevert op de rechten van appellant. Het betreft (nog) twee zondagen en twee stadsdelen. Daarmee dient eveneens vastgesteld te worden dat de opgelegde gedragsaanwijzing, gelet op de beperking in tijd en plaats, in dit geval als proportioneel moet worden aangemerkt. Voorts overweegt de rechtbank dat er geen sprake is van een schending van de onschuldpresumptie, nu het opleggen van een gedragsaanwijzing niet strekt tot vaststelling van schuld; het betreft immers een wettelijk geregelde tijdelijke maatregel gebaseerd op een serieuze verdenking.

Gelet op het al vorenstaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.

Beslissing.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan te Den Haag door mr. J. Eisses, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. T. Ketelaars, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 9 november 2016.