Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:13288

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-11-2016
Datum publicatie
28-11-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 23037
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het indienen van een formele asielaanvraag is geen vereiste voor de toepasselijkheid van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/23037

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer [vreemdelingennummer 1] , mede voor haar minderjarige kinderen [kind van eiseres 1] en [kind van eiseres 2] V-nummers [vreemdelingennummer 2] en [vreemdelingennummer 3]

(gemachtigde: mr. M.J. Verwers),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.W. Kreumer).

Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres van 27 februari 2016 niet in behandeling genomen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit op 10 oktober 2016 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2016. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Chaker.

Overwegingen

1. Eiseres heeft in Duitsland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de autoriteiten van Duitsland op grond van Verordening (EU) 604/2013 op 19 april 2016 gevraagd om eiseres terug te nemen. Duitsland heeft dit verzoek op 22 april 2016 afgewezen omdat meer tijd nodig was om onderzoek te doen naar de verantwoordelijkheid. Na een verzoek tot heroverweging van 26 april 2016 heeft Duitsland deze verantwoordelijkheid middels het claimakkoord van 17 augustus 2016 alsnog erkend.

2. Eiseres voert aan dat zij in Duitsland niet om asiel heeft verzocht en dat haar vingerafdrukken alleen zijn afgenomen voor veiligheidsonderzoek. Voor zover verweerder stelt dat zij heeft beschikt over een BUMA-formulier, dat een meldbrief betreft om asiel aan te vragen, voert eiseres aan dat de omstandigheid dat zij dat formulier in haar bezit heeft gehad nog niet betekent dat zij ook daadwerkelijk om asiel heeft verzocht. Ingevolge artikel 20, tweede lid, van de Verordening wordt een verzoek om internationale bescherming pas geacht te zijn ingediend vanaf het tijdstip waarop de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat een door de verzoeker ingediend formulier of een door de autoriteiten opgesteld proces-verbaal hebben ontvangen. Dit wordt bevestigd door vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 18 oktober 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:5557. Voorts voert eiseres aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek, nu uit het claimakkoord van 17 augustus 2016 juist blijkt dat er geen formeel verzoek om internationale bescherming is gedaan. Eiseres voert voorts aan dat verweerder niet heeft onderkend dat zij behoort tot de groep van 900 asielzoekers van wie in Duitsland weliswaar vingerafdrukken zijn afgenomen maar die geen formeel verzoek om asiel hebben ingediend. Dat eiseres vervolgens toch naar Duitsland moet voor de behandeling van haar asielverzoek is in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur. Daarnaast voert eiseres aan dat de asielprocedure in Duitsland systematische tekortkomingen kent – voor wat betreft het ontbreken van gefinancierde rechtsbijstand, de slechte opvangomstandigheden, het tekort aan medische noodzorg, en discriminatie en geweld tegen asielzoekers – veroorzaakt door de grote toestroom aan asielzoekers waarmee Duitsland kampt, waardoor niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daartoe heeft eiseres gewezen op het artikel ‘Germany’s asylum seekers, you can’t evict a movement’ van 27 mei 2015 van de Inter Press Service en het ‘rapport Duitsland 2014/2015’ van 25 februari 2015 van Amnesty International. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd dat de in de zaak die heeft geleid tot het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), M.S.S. tegen België en Griekenland van 21 januari 2011 (nr. 30696/09) genoemde aspecten niet aan overdracht in de weg staan, aldus eiseres. Ten aanzien van het ontbreken van gefinancierde rechtsbijstand voert eiseres aan dat er derhalve niet gesproken kan worden van een effectief rechtsmiddel in Duitsland. Ook heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat zij zich met klachten over de procedure kan wenden tot de Duitse autoriteiten, juist omdat er geen gefinancierde rechtsbijstand is. Ter onderbouwing wijst zij op het landenrapport Duitsland van januari 2015 van AIDA. Ten slotte voert eiseres aan dat verweerder heeft miskend dat zij wel degelijk afhankelijk is van haar ouders in Nederland in de zin van artikel 16, eerste lid, van de Verordening, dan wel artikel 17, eerste lid. Daartoe wijst zij er op dat zij een alleenstaande jonge moeder is met twee jonge kinderen, en dat zij is weggelopen bij haar echtgenoot die zich bij IS heeft aangesloten en die haar mishandelde.

3. Verweerder heeft zich ten aanzien van de vraag of eiseres in Duitsland een asielverzoek heeft ingediend, op het standpunt gesteld dat uit het feit dat eiseres in Duitsland beschikte over een BUMA-formulier blijkt dat zij in Duitsland te kennen heeft gegeven een verzoek om internationale bescherming te willen indienen. Met de BUMA-registratie is de asielwens geregistreerd en had eiseres in Duitsland recht op opvang. Dat in het claimakkoord van 17 augustus 2016 is vermeld dat er geen sprake is van een formeel verzoek om internationale bescherming betekent niet dat zij niet heeft kenbaar gemaakt een asielverzoek te willen indienen. Voorts is uit Eurodac gebleken dat eiseres in Duitsland is geregistreerd. Van een vergelijkbaar geval met de groep van 900 asielzoekers als omschreven in de beroepsgronden is geen sprake, nu in de onderhavige zaak Duitsland het claimverzoek heeft geaccepteerd, terwijl in het claimverzoek is aangegeven dat eiseres betwist dat zij in Duitsland om asiel heeft verzocht.

3.1.

Niet in geschil is dat eiseres is geregistreerd in Eurodac. De Duitse autoriteiten hebben op 17 augustus 2016 het claimverzoek ten behoeve van eiseres geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening en daarbij het volgende aangegeven: “Germany accepts responsibility, despite the absence of a formal application for asylum. However Germany has a German “BÜMA” of a written instruction, which proves that the applicant was registered as a asylum seeker in Germany”.

3.2.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de resultaten van Eurodac blijkt dat eiseres in Duitsland is geregistreerd met een referentienummer met kenletter ‘1’. Blijkens artikel 24 van de Verordening (EU) nr. 603/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de instelling van Eurodac voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Dublinverordening (herschikking) blijkt dat asielzoekers worden aangeduid met kenletter ‘1’. Uit lijst A van bijlage II van de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 118/2014 volgt dat een treffer in Eurodac geldt als bewijs van indiening van een asielverzoek. Dit laat onverlet dat een vreemdeling middels directe of indirecte bewijzen, bewijs kan leveren van het tegendeel. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiseres daarin evenwel niet is geslaagd en overweegt daartoe het volgende.

3.3.

Uit de omstandigheid dat eiseres stelt slechts vingerafdrukken te hebben laten afnemen voor veiligheidsonderzoek blijkt niet dat de registratie in Eurodac als asielzoeker onjuist is. In dat kader acht de rechtbank van belang dat het terugnameverzoek van eiseres expliciet is ingewilligd, terwijl door verweerder in het claimverzoek uitdrukkelijk is aangegeven dat eiseres betwist dat zij in Duitsland een asielverzoek heeft gedaan.

3.4.

Ten aanzien van de stelling van eiseres, dat verweerder niet van het claimakkoord kan uitgaan nu er geen sprake is van een formeel asielverzoek, overweegt de rechtbank dat de indiening van een asielverzoek in de zin van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening, vormvrij is en dus ook mondeling kan worden kenbaar gemaakt. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 4 oktober 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BT7118) waarin de Afdeling heeft overwogen dat uit artikel 2, aanhef en onder c, (thans b) van de Verordening, gelezen in samenhang met artikel 2, aanhef en onder g, (thans h) van de Definitierichtlijn, volgt dat een door de vreemdeling kenbaar gemaakte wens om hem internationale bescherming te verlenen als een asielverzoek in de zin van deze bepalingen kan worden aangemerkt. Nu de Duitse autoriteiten in het claimakkoord van 17 augustus 2016 hebben aangegeven dat zij de verantwoordelijkheid accepteren, ondanks dat eiseres geen formele asielaanvraag heeft ingediend, kon verweerder er vanuit gaan dat eiseres anderszins haar asielwens heeft kenbaar gemaakt. Te meer nu de Duitse autoriteiten hebben aangegeven dat aan eiseres een BUMA-formulier is verstrekt.

3.5.

Het voorgaande, in het licht bezien van de Eurodac-registratie van eiseres, maakt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder er terecht vanuit is gegaan dat eiseres in Duitsland om internationale bescherming heeft verzocht. Gelet daarop ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder te gelasten nader onderzoek te verrichten bij de Duitse autoriteiten.

3.6.

Het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur kan evenmin slagen. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op goede gronden op het standpunt gesteld dat geen sprake is van gelijke gevallen reeds nu in het geval van eiseres de Duitse autoriteiten het claimverzoek hebben geaccepteerd en niet is gebleken dat dat ten aanzien van de groep vreemdelingen waar eiseres een beroep op doet ook het geval was.

De beroepsgrond faalt.

4. Ten aanzien van de beroepsgrond van eiseres dat de asielprocedure in Duitsland systematische tekortkomingen kent zodat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de door eiseres overgelegde stukken van de Inter Press Service, Amnesty International en AIDA kan niet worden opgemaakt dat de structuur van en de algehele omstandigheden in het Duitse opvangsysteem zodanig zijn dat overdracht van asielzoekers aan Duitsland zonder meer leidt tot een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie strijdige situatie. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat uit deze stukken niet blijkt dat in Duitsland sprake is van systematische tekortkomingen als vorenbedoeld. Uit het persoonlijk relaas van eiseres kan dat evenmin worden afgeleid Reeds daarom faalt het beroep van eiseres op het arrest M.S.S. tegen België en Griekenland.

4.1.

Voor zover eiseres stelt dat de procedure in Duitsland onzorgvuldig is vanwege het ontbreken van gefinancierde rechtshulp, overweegt de rechtbank dat uit het rapport van AIDA volgt dat asielzoekers niet automatisch worden voorzien van kosteloze rechtsbijstand en dat, indien zij rechtsbijstand wensen, zij in de gelegenheid zijn deze zelf – op eigen kosten – in te schakelen. Verder blijkt dat, indien het asielverzoek wordt afgewezen, de vreemdeling op verzoek kosteloze rechtsbijstand wordt geboden, mits het beroep een kans van slagen heeft. Naar het oordeel van de rechtbank valt de Duitse asielprocedure op dit onderdeel binnen de reikwijdte van het bepaalde in artikel 20, eerste en derde lid, van richtlijn 2013/32/EU, zodat van schending van deze richtlijn geen sprake is. Ook overigens vormt de omstandigheid dat de juridische bijstand voor asielzoekers in Duitsland anders is geregeld dan in Nederland geen grond voor het oordeel dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

4.2.

Verweerder heeft verder terecht gesteld dat eiseres, gelet op het arrest van het EHRM van 2 december 2008 inzake K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk (nr. 32733/08), eventuele klachten over de asielprocedure en de omstandigheden waaronder asielzoekers in Duitsland verblijven bij de Duitse autoriteiten naar voren moeten brengen en zo nodig daarna bij het EHRM, zodat hier in beginsel geen taak is weggelegd voor de Nederlandse autoriteiten. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als er sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in het systeem van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, zoals bedoeld in het hiervoor genoemde arrest M.S.S. tegen Duitsland en Griekenland. Zoals hiervoor is overwogen, is daarvan in dit geval niet gebleken.

4.3.

Ten aanzien van het betoog van eiseres dat haar asielaanvraag op grond van artikel 16 dan wel 17 van de Verordening in Nederland moet worden behandeld, omdat zij afhankelijk is van haar ouders, overweegt de rechtbank dat verweerder zich in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat die afhankelijkheid niet is onderbouwd met documenten. Voorts heeft verweerder zich in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden niet zodanig bijzonder zijn dat Nederland het verzoek om internationale bescherming onverplicht aan zich zou moeten trekken, nu zij zich niet onderscheidt ten opzichte van andere jonge alleenstaande moeders en zij, voor zover zij bij de verwerking van haar ervaringen medische hulp nodig zou hebben, zij daarom kan verzoeken bij de Duitse autoriteiten.

5. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van mr. A.H. Ferment, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (nadere informatie: www.raadvanstate.nl).