Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:13250

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-10-2016
Datum publicatie
07-11-2016
Zaaknummer
NL 16.2559 en NL16.2558
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 10 van de Dublinverordening kan niet zo worden gelezen dat alleen dan sprake is van een verzoek om internationale bescherming in de zin van deze bepaling, indien een verzoek overeenkomstig artikel 20, tweede lid, van de Verordening is ingediend, dat wil zeggen een formeel verzoek middels een daartoe ingediend formulier of een door de autoriteiten opgesteld proces-verbaal.

Eiser voert daarom terecht dat verweerder zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de echtgenote van eiser geen verzoek om internationale bescherming in Duitsland heeft ingediend, nu zij wel als asielzoeker in Duitsland is geregistreerd, en dat om die reden Duitsland niet verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van eiser op grond van artikel 10 van de Verordening. Nu voorts de echtgenote van eiser een instemmingsverklaring heeft ondertekend, als bedoeld in artikel 10 van de Verordening, en op grond van artikel 7, eerste lid, van de Verordening de in hoofdstuk III van de Verordening vastgestelde criteria aan de hand waarvan de verantwoordelijke lidstaat wordt bepaald, waaronder de artikelen 10 en 12, van toepassing zijn in de volgorde waarin zij voorkomen in de tekst, betoogt eiser terecht dat Duitsland, en niet Portugal, verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek.

Nu het bestreden besluit, waarbij de aanvraag van eiser niet in behandeling is genomen, tevens geldt als weigering van de toegang, komt met de vernietiging van dat besluit ook de toegangsweigering te vervallen. De beslissing tot uitstel van de toegangsweigering maakt geen onderdeel uit van de beoordeling van het besluit tot toegangsweigering.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 30, geldigheid: 2015-07-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN-HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL16.2559 (beroep)

NL16.2558 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 14 oktober 2016 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Angolese nationaliteit,

eiser, verzoeker,

hierna te noemen eiser,

(gemachtigde: mr. Th. J. Bos, advocaat te Utrecht),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. J.M. Sidler, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 16 september 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Eiser verzoekt verweerder te verbieden hem over te dragen tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt een aanvraag

tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet in behandeling genomen, indien op grond van Verordening (EU) 604/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat hij Portugal verantwoordelijk acht voor de behandeling van zijn asielverzoek. Eiser heeft bij aankomst op Schiphol op [dag] augustus 2016 een echt bevonden paspoort overgelegd dat was voorzien van een Schengenvisum, afgegeven door de autoriteiten van Portugal te Luanda (Angola), geldig van 22 augustus 2016 tot 25 november 2016. Verweerder heeft op 6 september 2016 de Portugese autoriteiten daarom verzocht eiser op grond van artikel 12, tweede lid, van de Verordening over te nemen. Portugal heeft op 15 september 2016 ingestemd met dit verzoek.

3. Eiser voert aan dat verweerder heeft miskend dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek op grond van artikel 10 van de Verordening. De echtgenote van eiser en hun twee minderjarige kinderen verblijven in Duitsland. De jongste zoon van eiser, [naam zoon 1] , is daar op 3 augustus 2016 geboren. De echtgenote van eiser heeft zich in Duitsland als asielzoeker gemeld. Eiser heeft onder meer een Bescheinigung über die Meldung als Asylsuchender van zijn echtgenote overgelegd van 11 januari 2016, een Aufenthaltgestattung zur Durchführung des Asylverfahrens, gedateerd op 9 september 2016 en geldig tot 25 maart 2017 en een bevestiging van de stad [stad] van de toewijzing van een woning aan de echtgenote van eiser en hun minderjarige zoon [naam zoon 2] van 29 juli 2016. Dat zij formeel nog geen asielverzoek aldaar heeft ingediend maakt niet dat Duitsland niet verantwoordelijk is. Eiser heeft voorts een schriftelijke instemmingsverklaring van zijn echtgenote overgelegd, als bedoeld in artikel 10 van de Verordening.

3.1

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat uit onderzoek op basis van artikel 34 van de Verordening is gebleken dat de echtgenote en zoons van eiser in Duitsland als asielzoekers zijn geregistreerd, maar geen verzoeken om internationale bescherming hebben ingediend. Reeds daarom is geen sprake van een verantwoordelijkheid van Duitsland op basis van artikel 10 van de Verordening. Ook uit het door eiser aangevoerde blijkt niet dat de familieleden van eiser in Duitsland een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt enkel dat de familieleden in Duitsland als asielzoeker zijn geregistreerd, hetgeen niet betekent dat zij in Duitsland een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend.
Ter zitting heeft verweerder zijn standpunt nader toegelicht door te betogen dat uit het systeem van de Verordening voortvloeit dat de lidstaat waar het gezinslid van de verzoeker verblijft alleen op grond van artikel 10 van de Verordening verantwoordelijkheid kan worden gehouden voor het asielverzoek van de verzoeker, indien op het moment dat de verzoeker zijn formele asielverzoek indient, het gezinslid in de andere lidstaat reeds een formeel, dat wil zeggen schriftelijk, asielverzoek heeft ingediend. Het is onder de Verordening niet mogelijk een overnameverzoek in te dienen bij een andere lidstaat, als de verantwoordelijkheid van die lidstaat nog niet vaststaat. Het is in dit geval immers niet uitgesloten dat de echtgenote van eiser geen formeel asielverzoek zal indienen in Duitsland.

3.2

Op grond van artikel 10 van de Verordening is, wanneer een gezinslid van een verzoeker in een lidstaat een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend waarover in eerste aanleg nog geen beslissing ten gronde is genomen, deze lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, mits de betrokkenen schriftelijk hebben verklaard dat zij dat wensen.

In artikel 2, aanhef en onder b, Verordening is bepaald dat onder de term “verzoek om internationale bescherming” wordt verstaan: een verzoek om internationale bescherming in de zin van artikel 2, onder h, van Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming (Definitierichtlijn).

In artikel 2, onder h, van de Definitierichtlijn is bepaald dat onder “verzoek om internationale bescherming” wordt verstaan: een verzoek van een onderdaan van een derde land of een staatloze om bescherming van een lidstaat die kennelijk de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus wenst en niet uitdrukkelijk verzoekt om een andere, niet onder deze richtlijn vallende vorm van bescherming waarom afzonderlijk kan worden verzocht.

3.3

Tussen partijen is niet in geschil dat de echtgenote van eiser en hun kinderen in Duitsland als asielzoekers zijn geregistreerd en zij dus een asielwens aan de Duitse autoriteiten kenbaar hebben gemaakt. Evenmin is in geschil dat de Duitse autoriteiten daarop nog niet hebben beslist. Niet is komen vast te staan dat op het moment van de asielaanvraag van eiser zijn echtgenote reeds een formeel, schriftelijk, asielverzoek had ingediend in Duitsland. Het geschil spitst zich toe op de vraag of onder het indienen van een verzoek om internationale bescherming door een gezinslid, zoals bedoeld in artikel 10 van de Verordening, uitsluitend een formeel, schriftelijk, verzoek moet worden verstaan.

3.4

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen in haar uitspraak van 4 oktober 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BT7118) volgt uit artikel 2, aanhef en onder g (thans h), van de Definitierichtlijn dat een door de vreemdeling kenbaar gemaakte wens om hem internationale bescherming te verlenen als een asielverzoek in de zin van deze bepaling kan worden aangemerkt. Uit de omschrijving van een verzoek om internationale bescherming in artikel 2, aanhef en onder h, van de Definitierichtlijn en van een asielverzoek (thans: verzoek om internationale bescherming) in artikel 2, aanhef en onder c (thans b), van de Verordening volgt dat deze verzoeken vormvrij kunnen worden gedaan, hetgeen overeenstemt met het Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen en het Protocol van 31 januari 1967 bij dat Verdrag, omdat een beroep op het in artikel 33, eerste lid, van dat Verdrag gestelde verbod van non-refoulement vormvrij is.
Daarvan uitgaande moet het adjectief ‘ingediend’ in de Nederlandse versie van artikel 10 van de Verordening niet worden opgevat als een verwijzing naar de indiening van een asielverzoek als bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de Verordening, dat wil zeggen een formeel verzoek middels een daartoe ingediend formulier of een door de autoriteiten opgesteld proces-verbaal, maar strekt het ertoe om de aanvang van de verantwoordelijkheid van de lidstaat waar het gezinslid verblijft te markeren. Dat dat gezinslid mogelijk op een later moment kan terugkomen van zijn asielverzoek, of kan afzien van de formele indiening van het verzoek, doet daaraan niet af. Op grond van artikel 7, tweede lid, van de Verordening wordt de verantwoordelijkheid van een lidstaat immers bepaald op grond van de situatie op het tijdstip waarop de verzoeker voor de eerste maal zijn verzoek om internationale bescherming bij een lidstaat indient.
Daarom kan artikel 10 van de Verordening niet zo worden gelezen dat alleen dan sprake is van een verzoek om internationale bescherming in de zin van deze bepaling, indien een verzoek overeenkomstig artikel 20, tweede lid, van de Verordening is ingediend. Daarnaast heeft artikel 20 van de Verordening blijkens het eerste lid betrekking op de aanvang van de procedure waarbij wordt bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is voor het de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, waarvoor het moment van de formele indiening van het verzoek, als bedoeld in het tweede lid, bepalend is, dat wil in dit geval zeggen het moment van de formele indiening van het asielverzoek door eiser in Nederland.

3.5

Uit het voorgaande volgt dat eiser terecht aanvoert dat verweerder zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de echtgenote van eiser geen verzoek om internationale bescherming in Duitsland heeft ingediend en dat om die reden Duitsland niet verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van eiser op grond van artikel 10 van de Verordening. Nu voorts de echtgenote van eiser een instemmingsverklaring heeft ondertekend, als bedoeld in artikel 10 van de Verordening, en op grond van artikel 7, eerste lid, van de Verordening de in hoofdstuk III van de Verordening vastgestelde criteria aan de hand waarvan de verantwoordelijke lidstaat wordt bepaald, waaronder de artikelen 10 en 12, van toepassing zijn in de volgorde waarin zij voorkomen in de tekst, betoogt eiser terecht dat Duitsland, en niet Portugal, verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek.
De beroepsgrond slaagt.


4. Eiser komt voorts op tegen de weigering hem de toegang tot Nederland te verlenen. Daarbij dient de rechtbank volgens eiser tevens de gronden te beoordelen die verweerder ten grondslag heeft gelegd aan zijn beslissing tot uitstel van de toegangsweigering op [dag] augustus 2016. Daartoe acht hij van belang dat aan hem aanvankelijk de toegang is geweigerd op grond van Verordening (EG) nr. 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (de Schengengrenscode), en eiser daarin de noodzaak heeft gezien om een asielverzoek te doen, en verweerder vervolgens een beslissing omtrent de weigering van de toegang heeft uitgesteld. Indien de rechtbank die beslissing niet zou kunnen toetsen, is sprake van strijd met artikel 5 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat eiser geen effectief rechtsmiddel heeft gehad om op te komen tegen de eerste toegangsweigering die ertoe heeft geleid dat hij in detentie is gegaan. Er is immers sprake van een causaal verband tussen het tegenhouden van eiser aan de grens, het vragen van asiel door eiser en de daaropvolgende detentie en behandeling van de asielaanvraag in de grensprocedure.

4.1

Ingevolge artikel 3, zesde lid, Vw geldt de beschikking waarbij een aanvraag met toepassing van de grensprocedure, voor zover hier van belang, niet in behandeling wordt genomen, tevens als weigering van de toegang. Nu de beroepsgrond van eiser gericht tegen het besluit op zijn asielaanvraag slaagt, komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Nu dat besluit tevens geldt als weigering van de toegang, komt met de vernietiging ook de toegangsweigering te vervallen. Het beroep van eiser, voor zover gericht tegen de toegangsweigering, slaagt reeds daarom eveneens.

4.2

De beslissing tot uitstel van de toegangsweigering op [dag] augustus 2016 maakt geen onderdeel uit van de beoordeling van het besluit tot toegangsweigering, zoals dat in deze procedure voorligt. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1451) volgt dat eiser met zijn asielverzoek aan de grens na de aanvankelijke weigering van de toegang op grond van de Schengengrenscode, te kennen heeft gegeven dat hij langdurig verblijf in Nederland beoogt, zodat zijn situatie opnieuw diende te worden beoordeeld. De toegangsweigerig van eiser aan de grens op grond van de Schengengrenscode is daarmee vanaf dat moment komen te vervallen.
Het vervolgens uitstellen van het besluit over de toegang is, anders dan eiser betoogt, niet de grondslag voor de toepassing van de grensprocedure. Krachtens artikel 3, derde lid, Vw is voor de toepassing van de grensprocedure immers slechts vereist dat sprake is van een aan de buitengrens geuite asielwens. Het uitstellen van het besluit over de toegang is daarnaast evenmin de grondslag voor de vrijheidsontnemende maatregel krachtens artikel 6a Vw. Voor toepassing van die maatregel is immers, gelet op het bepaalde in artikel 5.1a, vijfde lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), slechts vereist dat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Verordening en dat een significant risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtmatigheid van de toepassing van die gronden heeft eiser in zijn beroep tegen de aan hem opgelegde vrijheidsontnemende maatregel ter toetsing aan de rechtbank kunnen voorleggen. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat eiser een effectief rechtsmiddel is onthouden tegen een door hem gestelde schending van artikel 5 EVRM.

5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 10 van de Verordening en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

6. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser.

7. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 992,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Verzoek om een voorlopige voorziening

8. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

9. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

10. De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 496,- (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 992,- te betalen.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 496,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van der Kluit, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2016.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.