Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:13238

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-10-2016
Datum publicatie
15-11-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2197
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting, belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, heffingvrij vermogen, ouderentoeslag. Eiseres geniet als oud-werknemer van de Europese Unie een pensioen ten laste van de Europese Commissie. Zij bezit een vermogen van ruim € 100.000. In geschil is of zij recht heeft op de ouderentoeslag heffingvrij vermogen, meer specifiek of het EU-pensioen mag worden betrokken bij de toets of eiseres recht heeft op de ouderentoeslag. Naar het oordeel van de rechtbank is dit laatste het geval. Dit betekent dat eiseres geen recht heeft op de ouderentoeslag. Dat is naar het oordeel van de rechtbank ook in lijn met de verschillende arresten van het HvJ. Het andersluidende standpunt van eiseres wordt verworpen. (Beroep ongegrond).

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 2.3, geldigheid: 2002-04-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-2838
V-N Vandaag 2016/2463
V-N 2016/64.7
mr. drs. A.C.M. Kuypers annotatie in NTFR 2017/144

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 16/2197

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 oktober 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: Th. J. Bruinsma),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [kantoorplaats] , verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2012 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Daarbij is aan eiseres belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 februari 2016 de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2016.

Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres geniet als oud-werknemer van de Europese Unie sinds 1 november 1997 een pensioen ten laste van de Europese Commissie. In 2012 had eiseres geen fiscale partner.

2. In haar aangifte IB/PVV 2012 heeft eiseres onder andere een bedrag van € 23.126 aangegeven als vrijgesteld pensioen van de EU. Twee jaar later heeft eiseres een herziene aangifte IB/PVV 2012 ingediend, waarin zij het EU-pensioen niet heeft vermeld.

3. In de herziene aangifte heeft eiseres -onder meer- het volgende vermeld:

- Inkomen uit werk en woning (AOW) € 13.695

- Waarde bezittingen minus schulden € 101.039

- Heffingvrij vermogen € 21.139

- Ouderentoeslag heffingvrij vermogen € 27.984

- Aandeel aangever in grondslag sparen en beleggen (100%) € 51.916

4. Verweerder heeft het belastbare inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 13.695. Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen heeft hij vastgesteld op € 3.196, namelijk op 4% van (€ 101.039 -/- € 21.139). Hij heeft het heffingvrije vermogen niet verhoogd met de ouderentoeslag als genoemd in artikel 5.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001, tekst 2012 (Wet IB 2001).

Geschil

5. In geschil is of eiseres recht heeft op de ouderentoeslag. Eiseres beantwoordt deze vraag bevestigend, verweerder ontkennend.

6. Eiseres stelt zich -kort gezegd- op het standpunt dat haar EU-pensioen buiten aanmerking moet blijven bij de toets of zij recht heeft op de ouderentoeslag. Zij wijst op verschillende arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) en concludeert tot vermindering van het vastgestelde belastbare inkomen uit sparen en beleggen naar € 2.076 (4% van € 51.916).

7. Verweerder stelt -kort gezegd- dat er weliswaar geen inkomstenbelasting geheven mag worden over het EU-pensioen, maar dat het EU-pensioen wel betrokken mag worden bij de vraag of eiseres recht heeft op de ouderentoeslag. Nu haar inkomen inclusief het EU-pensioen meer bedraagt dan € 19.895, heeft eiseres geen recht heeft op de ouderentoeslag. Hij verwijst naar verschillende arresten van het HvJ en van de Hoge Raad, alsook naar het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 23 september 2004, nr. IFZ2004/764M.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

Nationale regelgeving

8. Op grond van artikel 2.3, onder c, van de Wet IB 2001, wordt inkomstenbelasting geheven over het door de belastingplichtige in het kalenderjaar genoten belastbare inkomen uit sparen en beleggen. De belasting bedraagt op grond van artikel 2.13 van de Wet IB 2001 30%.

9. Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen is het voordeel uit sparen en beleggen verminderd met de persoonsgebonden aftrek (artikel 5.1 van de Wet IB 2001). Artikel 5.2 van de Wet IB 2001 bepaalt dat het voordeel uit sparen en beleggen wordt gesteld op 4% van de grondslag sparen en beleggen, waarbij de grondslag sparen en beleggen de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar is voor zover deze meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen. Volgens artikel 5.5 van de Wet IB 2001 bedraagt het heffingvrije vermogen € 21.139.

10. Indien aan de in dit artikel gestelde voorwaarden wordt voldaan, bepaalt artikel 5.6 van de Wet IB 2001 dat het heffingvrije vermogen wordt verhoogd met de ouderentoeslag. De ouderentoeslag loopt van € 27.984 indien het inkomen uit werk en woning vóór inachtneming van de persoonsgebonden aftrek niet meer is dan € 14.302 tot nihil indien dit inkomen meer bedraagt dan € 19.895.

Europese regelgeving en jurisprudentie

11. Op grond van de Europese regelgeving en jurisprudentie is het EU-pensioen geheel vrijgesteld van nationale belastingen, waarbij ook geldt dat het niet in aanmerking mag worden genomen voor de vaststelling van het belastingtarief voor de niet vrijgestelde inkomsten. De vrijstelling van het EU-pensioen ingevolge artikel 12 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie (het Protocol) geldt daarmee niet alleen voor nationale belastingen die rechtstreeks zijn gebaseerd op de door de Unie betaalde salarissen, lonen en emolumenten, maar strekt zich ook uit tot iedere indirecte belasting daarvan, zie HvJ 14 oktober 1999, C-229/98 (Vander Zwalmen en Massart), HvJ 5 juli 2012, C‑558/10 (Bourges-Maunoury en Heintz) en HvJ 21 mei 2015, C-349/14 (Pazdziej).

12. Indien het nationale fiscale recht voorziet in een stelsel van progressieve belastingheffing mag aldus voor de hoogte van de over de niet vrijgestelde inkomsten te heffen belasting geen rekening worden gehouden met de door de Unie betaalde salarissen. Een ambtenaar zou dan immers over zijn andere inkomsten zwaarder worden belast wegens het feit dat hij een salaris ontvangt van de Unie, zie HvJ 16 december 1960, C‑6/60 (Humblet/Belgische Staat) en HvJ 21 mei 2015, C‑349/14 (Pazdziej).

13. Volgens de jurisprudentie van het HvJ verplicht artikel 12 van het Protocol de lidstaten echter niet aan de ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie dezelfde voordelen toe te kennen als aan begunstigden in de zin van de toepasselijke nationale bepalingen. Het eist alleen dat een dergelijke persoon die voldoet aan de voorwaarden van de toepasselijke nationale wettelijke regeling in aanmerking komt voor elk belastingvoordeel waarop andere belastingplichtigen recht hebben, om te vermijden dat hij zwaarder wordt belast of dat hij wordt gediscrimineerd ten opzichte van die andere belastingplichtigen. Maar artikel 12 van het Protocol schrijft geen voorkeursbehandeling voor, zie HvJ 14 oktober 1999, C-229/98 (Vander Zwalmen en Massart), punt 25 en HvJ 21 mei 2015, C‑349/14 (Pazdziej), punt 19. In zoverre mag dus met de financiële draagkracht van een dergelijke persoon wel rekening worden gehouden.

De ouderentoeslag

14. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 238-239 (MvT)) is over de ouderentoeslag -onder meer- het volgende vermeld:

“In artikel 5.1.4, eerste en tweede lid, wordt voor belastingplichtigen van 65 jaar en ouder de zogenoemde ouderentoeslag uitgewerkt. Met deze toeslag wordt op globale wijze compensatie geboden voor het feit dat ouderen die naast een relatief laag inkomen uit werk en woning ook vermogensinkomsten hebben, door introductie van het vaste tarief van 30% voor inkomen uit sparen en beleggen per saldo met nadelige koopkrachteffecten zouden kunnen worden geconfronteerd. Dit nadelige koopkrachteffect hangt samen met het feit dat inkomen uit sparen en beleggen niet meer tegen het – voor hen lagere – progressieve tabeltarief maar tegen het vaste tarief van 30% in de heffing wordt betrokken. (…)

Om deze nadelige koopkrachteffecten te mitigeren is er voor gekozen om ouderen met een box I inkomen tot maximaal € 11 500 (f 25 342) een toeslag te geven op het in artikel 5.1.2 genoemde heffingvrije bedrag van € 17 000. (…)”.

15. De ouderentoeslag is bedoeld om de koopkrachtvermindering te compenseren die optreedt als gevolg van de introductie van het vaste tarief over vermogensinkomsten bij ouderen die bij een bescheiden verzamelinkomen wegens een laag inkomen uit werk en woning niet meer kunnen profiteren van het voor dit inkomen voor hen geldende lagere progressieve tarief. Eén van de voorwaarden daarbij is dat het inkomen uit sparen en beleggen een bepaalde grens niet mag overstijgen. De ouderentoeslag ziet dus op het behoud van koopkracht bij ouderen met een relatief laag inkomen en een vermogen dat een bepaalde grens niet overschrijdt. Het gaat daarom naar het oordeel van de rechtbank om een belastingvoordeel als aan de orde was in HvJ 14 oktober 1999, C-229/98 (Vander Zwalmen en Massart) en HvJ 21 mei 2015, C‑349/14 (Pazdziej).

16. Aan de toekenning van het voordeel is immers de objectieve voorwaarde verbonden, dat de belastingplichtige geen of slechts geringe inkomsten uit werk en woning geniet. Bij hogere inkomsten wordt het voordeel niet toegekend. Met de financiële draagkracht wordt dus uitsluitend rekening gehouden bij het verlenen van het belastingvoordeel en zij vormt niet het eigenlijke voorwerp van belastingheffing, direct noch indirect.

17. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het EU-pensioen betrokken mag worden bij de toets of eiseres recht heeft op de ouderentoeslag. Verweerder heeft in dit verband terecht aangevoerd dat indien eiseres de ouderentoeslag wel zou ontvangen, zij minder belasting zou hoeven te betalen over haar inkomen uit sparen en beleggen dan gepensioneerden die eenzelfde vermogen en inkomen hebben als eiseres maar van wie het inkomen niet is vrijgesteld. Dan zou eiseres door het feit dat zij vrijgesteld pensioen geniet positief gediscrimineerd worden ten opzichte van een gepensioneerde die een zelfde pensioeninkomen en vermogen heeft als eiseres, maar die geen vrijgesteld pensioen geniet, wat er toe zou leiden dat de sociale maatregel die ten grondslag ligt aan de ouderentoeslag wordt vertekend, zie HvJ 21 mei 2015, C‑349/14 (Pazdziej), punt 29.

18. Dit betekent dat eiseres geen recht heeft op de ouderentoeslag.

19. Het arrest HvJ 5 juli 2012, C‑558/10 (Bourges-Maunoury en Heintz) waarnaar eiseres verwijst, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel, reeds omdat het in dat arrest, anders dan in de onderhavige zaak, niet gaat om het al dan niet verlenen van een belastingvoordeel/tegemoetkoming aan de belastingplichtige. Dat arrest doet in zoverre dus niet af aan het bepaalde in HvJ 14 oktober 1999, C-229/98 (Vander Zwalmen en Massart) en HvJ 21 mei 2015, C‑349/14 (Pazdziej).

20. Dat eiseres, naar zij terecht heeft aangevoerd, op grond van dit door haar genoemde arrest niet verplicht is de omvang van het EU-pensioen in haar aangifte te vermelden, doet evenmin af aan het gegeven oordeel.

Belastingrente

21. Nu eiseres tegen het in rekening brengen van belastingrente geen afzonderlijke beroepsgronden heeft aangevoerd en ook overigens niet is gebleken dat de belastingrente in strijd met de wettelijke bepalingen is berekend, bestaat geen aanleiding de berekende belastingrente te matigen.

22. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.

Proceskosten

23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, voorzitter, en mr. T. van Rij en mr. drs. L.M. Brouwer-Harten, leden, in aanwezigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.