Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:13228

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-10-2016
Datum publicatie
14-11-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1132
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Steekproef.

De administratie van eiseres is gecontroleerd door middel van het trekken van een steekproef. Dat voor 2008 met een steekproef kon worden volstaan is niet in geschil, maar volgens de rechtbank heeft verweerder een aantal bevindingen ten onrechte als foutscore aangemerkt. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-2832
V-N Vandaag 2016/2475
V-N 2017/4.25.44
Drs. M.J.M.A. Toet annotatie in NTFR 2017/166

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 16/1132

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 oktober 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. drs. R. Brouwer),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [kantoorplaats], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd ter grootte van € 617.741 en bij daartoe strekkende beschikkingen een boete opgelegd van € 4.537 en € 86.638 heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 2 januari 2016 de naheffingsaanslag en de belastingrente verminderd tot respectievelijk € 580.342 en € 82.070 en de boete gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2016.

Namens eiseres is de gemachtigde verschenen, bijgestaan door [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] en [persoon 4] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 5] , bijgestaan door [persoon 6] , [persoon 7] , [persoon 8] , [persoon 9] en [persoon 10] .

Ter zitting heeft tevens de mondelinge behandeling plaatsgevonden van het beroep van eiseres betreffende de aan haar opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting voor het jaar 2009, zaaknummer SGR 16/1133. Al hetgeen is aangevoerd en overgelegd in die zaak, wordt ook geacht te zijn aangevoerd en overgelegd in deze zaak.

Overwegingen

Feiten

1. Op 13 augustus 2013 is verweerder begonnen aan een boekenonderzoek bij eiseres. Van dit onderzoek is op 26 november 2015 het controlerapport uitgebracht waarin onder meer het volgende is vermeld:

2.2 Verloop boekenonderzoek

Op 15 april 2013 is de aankondigingsbrief voor een boekenonderzoek aan [eiseres] verzonden. Op 15 april 2013 is in overleg met (…) STEP afgesproken, dat STEP niet alleen een steekproef zou trekken ten behoeve van de door STEP ingediende suppletie maar ook voor het door [verweerder] uit te voeren boekenonderzoek. Op 8 mei 2013 heeft STEP daarvoor een aanvullende opdracht ontvangen van [eiseres].

(…)

4 Steekproef

4.1

Uitgangspunten

Op 13 december 2012 heeft Step namens [eiseres] een suppletie voor de aangiften BCF en BTW voor de jaren 2007 tot en met 2011 ingediend. [Eiseres] heeft aan STEP een aanvullende opdracht gegeven om de suppletie door STEP te laten toetsen door middel van een steekproef. In overleg tussen [eiseres] en [verweerder] is besloten om STEP een steekproef te laten uitvoeren op alle BTW mutaties van 2008 ter toetsing van de genoemde suppletie én als basis voor de door [verweerder] uit te voeren controle over 2008.

(…)

Uit de tabel volgt een materialiteit van (…) € 240.000. (…) Ter voorkoming (…) is (…) afgesproken om de controletolerantie te stellen op 60% van de materialiteit zijnde € 144.000. Hierbij bedraagt het interval € 48.000.

(…)

4.2.6

Outplacement

Het boekstuk (…) betreft een factuur voor (…) de begeleiding van een wethouder naar een andere baan. De op de factuur vermelde BTW bedraagt € 1.387. (…).

De foutfractie voor de voorbelasting bedraagt 0,02.

(…)

4.2.8

Tennisvereniging

(…) De gemeente heeft de BTW ad € 1.743,22 in eerste instantie als kostprijsverhogend geboekt. De omzetbelasting begrepen in de factuur wordt door STEP ten onrechte in haar suppletie gecorrigeerd in de te claimen voorbelasting (…).

De foutfractie voor de voorbelasting bedraagt 1.

(…).

4.2.9

Sportpark [naam sportpark 1]

De omzetbelasting vermeld op de facturen (…) is door de gemeente volledig gecompenseerd. (…) € 15.087,67 BTW betreft de aanleg van een hockeyveld van kunstgras (…) en (…) € 9.238 BTW betreft de aanleg van nutsvoorzieningen.

(…)

Voor de beoordeling of de BTW mogelijk aftrekbaar is neemt [verweerder] het standpunt in dat [eiseres] in de jaren 2008 tot en met 2011 niet als ondernemer handelt omdat in die jaren geen vergoeding in rekening is gebracht. Zo er wel sprake zou zijn van ondernemershandelen, (…) is er sprake van vrijgestelde verhuur. (…)

De foutfractie voor de vooraftrek bedraagt 0. (…).

4.2.10

Sportpark [naam sportpark 2]

Het boekstuk (…) betreft een factuur van voetbalvereniging [naam sportpark 2] voor verrichte beheer- en onderhoudswerkzaamheden (…). De voetbalvereniging brengt (…) € 42.221,97 (exclusief € 8.022,18 BTW) in rekening. De gemeente verwerkt de BTW als vooraftrek in de aangifte omzetbelasting.

(…)

[Eiseres] handelt ter zake van de terbeschikkingstelling (…) als ondernemer in de zin van de omzetbelasting. (…) De ter beschikkingstelling kwalificeert niet als ‘gelegenheid geven tot sportbeoefening’. Hiervoor is vereist dat [eiseres] (…) ook zorg draagt voor het aanvullend dienstbetoon. Aan dit vereiste wordt niet voldaan.

(…)

De ter beschikkingstelling van de sportaccommodatie door [eiseres] is verhuur van een onroerende zaak, welke is vrijgesteld van omzetbelasting. De (…) voorbelasting kan de gemeente niet in aftrek brengen.

(…)

De foutfractie voor de vooraftrek bedraagt 1.

(…)

4.2.11

Sportpark [naam sportpark 3]

Het boekstuk (…) betreft een factuur voor de aanleg van een kunstgrasveld (…). De (…) BTW ad € 79.272,20 is in eerste instantie als kostenverhogend geboekt. In de suppletie van STEP is de BTW van de factuur alsnog volledig aangemerkt als vooraftrek.

(…)

Primair handelt [eiseres] (…) niet als ondernemer aangezien in 2008 geen vergoeding in rekening is gebracht. Zo er wel sprake zou zijn van ondernemershandelen kwalificeert de ter beschikkingstelling als verhuur welke is vrijgesteld van omzetbelasting.

(…)

Omdat de factuur 2 keer getrokken is bedraagt de foutfractie voor de fiscale behandeling 2. De foutfractie voor de voorbelasting bedraagt 2. (…).

4.2.12

Zwembad [naam zwembad]

(…) De op de facturen vermelde BTW respectievelijk € 811,30 en € 1.550,40 is als vooraftrek in de aangifte omzetbelasting verwerkt.

(…)

[Eiseres] stelt dat zij verhuurt met optie BTW-belast aan (…) Uit de overgelegde stukken kan [verweerder] niet afleiden dat tussen partijen de optie voor belaste verhuur is overeengekomen en vastgelegd.(…)

De foutfractie voor de voorbelasting bedraagt 2. (…)

4.3

Steekproefevaluatie

(…)

De maximale fout binnen de populatie bedraagt € 1.763.674 en overstijgt daarmee het bedrag van de materialiteit (€ 240.000). Onder deze omstandigheden kan de onderzochte populatie – als gevolg van de daarin voorkomende fouten – niet worden goedgekeurd.

(…)

4.4

Gevolgschade per belastingmiddel

(…)

De gevolgschade kan berekend worden door per middel de som van de berekende foutfractie te vermenigvuldigen met het interval ad € 48.000.

(…)

5.1.1

Na te heffen 2008

De volgende bedragen dienen over 2008 nageheven te worden

Paragraaf Onderwerp Naheffing

…………. ………………………………………… ………….

3.3

Suppletie STEP 167.741

4.4

Steekproef 382.560

4.7

Huisvuilzakken 28.041

4.8

Prontophoto 2.000

4.9

Integratieheffing sportpark [naam sportpark 3] p.m.

Totaal 580.342

Met dagtekening 24-12-2013 is voor 2008 reeds een aanslag ter behoud van rechten opgelegd voor een bedrag van € 617.741 aan omzetbelasting, € 86.638 aan heffingsrente en € 4.537 aan boete. Deze aanslag dient tot het bovenstaande bedrag verminderd te worden. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de wettelijk verschuldigde heffingsrente. De opgelegde boete dient in stand te blijven.”

Geschil
2. In geschil is of de naheffingsaanslag naar het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil:

a. a) of de steekproef voldoende betrouwbaar is om op basis van de uitkomsten daarvan een naheffingsaanslag op te leggen;

b) of de bevindingen die zijn vermeld de in de paragrafen 4.2.6 (outplacement), 4.2.8 (Tennisvereniging), 4.2.10 (Sportpark [naam sportpark 2] ), 4.2.11 (Sportpark [naam sportpark 3] ) en 4.2.12 ( [naam zwembad] ) van het controlerapport juist zijn;

c) of ter zake van Sportpark [naam sportpark 1] , zoals vermeld in paragraaf 4.2.9 van het controlerapport, nog recht op aftrek van voorbelasting bestaat;

d) of de boete terecht is opgelegd;

e) of eiseres recht heeft op integrale vergoeding van de proceskosten.

3. Aangaande geschilpunt b), voor zover dit betrekking heeft op de Tennisvereniging, heeft eiseres zich in de loop van het geding aangesloten bij het standpunt van verweerder. Aangaande de overige onderdelen van geschilpunt b) stelt eiseres zich op het standpunt dat voor de desbetreffende facturen volledig recht op aftrek van voorbelasting bestaat, omdat het om ondernemersactiviteiten gaat. Die facturen zijn daarom ten onrechte als fout in aanmerking genomen. De naheffingsaanslag moet worden verminderd met € 240.960 (€ 960 voor outplacement, € 48.000 voor Sportpark [naam sportpark 2] , € 96.000 voor Sportpark [naam sportpark 3] en € 96.000 voor het [naam zwembad] ). Aangaande geschilpunt c) stelt eiseres zich op het standpunt dat in 2008 het voornemen bestond dit sportpark voor belaste prestaties te gebruiken. De naheffingsaanslag moet daarom worden verminderd met € 96.000. Verder stelt eiseres dat de boete moet worden verminderd tot ten hoogste € 3.004 en dat zij recht heeft op integrale vergoeding van de proceskosten.

4. In het verweerschrift heeft verweerder meegedeeld alsnog de correctie inzake het [naam zwembad] terug te nemen omdat na de uitspraak op bezwaar eiseres alsnog stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat is geopteerd voor belaste verhuur van het zwembad. De naheffingsaanslag dient daarom te worden verminderd met € 96.000.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag voor het overige moet worden gehandhaafd, dat de boete moet worden gehandhaafd en dat eiseres geen recht heeft op integrale vergoeding van proceskosten.

5. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 243.382 (€ 580.342 /- € 240.960 -/- € 96.000), tot vernietiging van de boetebeschikking en tot veroordeling van verweerder in de proceskosten van € 41.760, exclusief omzetbelasting, of € 50.529,60 inclusief omzetbelasting.

6. Verweerder concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 484.342 (€ 580.342 -/- € 96.000), tot handhaving van de boetebeschikking en tot een forfaitaire proceskostenvergoeding volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Beoordeling van het geschil

7. Eiseres heeft in haar nader stuk meegedeeld dat, hoewel zij van mening blijft dat de steekproef ondeugdelijk is uitgevoerd, zij de met verweerder gemaakte afspraken over de steekproef voor 2008 respecteert. Dit betekent dat de rechtbank voor onderhavig jaar geen oordeel zal geven over de betrouwbaarheid van de steekproef. Aangaande geschilpunt b) voor wat betreft de Tennisvereniging en het [naam zwembad] , sluit de rechtbank zich aan bij de inmiddels gelijkluidende standpunten van partijen. In zoverre is het beroep dus gegrond en moet de naheffingsaanslag worden verminderd met € 96.000.

Outplacement

8. Eiseres kan de omzetbelasting die haar in rekening is gebracht ter zake van de kosten van outplacement in aftrek brengen indien en voor zover zij deze dienst gebruikt voor belaste prestaties. Van bedoeld gebruik is sprake als er tussen de aan de ondernemer verleende dienst en de in een later stadium door de ondernemer uit te voeren belaste handelingen een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat. Van een rechtstreeks en onmiddellijk verband is sprake als de voor de verwerving gedane uitgaven zijn opgenomen in de prijs van de belaste handelingen. Het gaat in dit geval om aan een tussentijds afgetreden wethouder aan te bieden outplacement teneinde de kosten van wachtgeld te beperken. Eiseres betoogt dat een wethouder een bestuurder is en de kosten van een wethouder, waaronder deze outplacementkosten, algemene kosten zijn die in rechtstreeks en onmiddellijk verband staan met de ondernemersactiviteiten van eiseres en de ter zake van die kosten in rekening gebrachte omzetbelasting daarom voor een deel als voorbelasting in aftrek kan worden gebracht.

9. Naar het oordeel van de rechtbank kan het rechtstreekse en onmiddellijke verband aanwezig worden geacht als de kosten onderdeel zijn van de prijs van de in een later stadium verrichte handelingen waarbij gebruik wordt gemaakt van die goederen en diensten. Onder normale omstandigheden moeten die elementen van de kostprijs zijn ontstaan vóór het verrichten van belaste handelingen waarop zij betrekking hebben (Vgl. HvJ 8 juni 2000, C-98/98, Midland Bank, ECLI:EU:C:2000:300). Dat de outplacementdiensten zijn toe te rekenen aan later uitgevoerde belaste handelingen is gesteld noch gebleken en ook verder is niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat de outplacementkosten op enigerlei wijze zijn opgenomen in de prijs van door eiseres uitgevoerde belaste handelingen. Het betoog van eiseres faalt en het gelijk is in zoverre aan verweerder.

Sportpark [naam sportpark 2]

10. Eiseres is juridisch eigenaar van het sportpark. Voelbalvereniging [naam sportpark 2] is economisch eigenaar van twee wetravelden, een kunstgrasveld en een boardingveld die zij verhuurt aan eiseres. Deze velden, alsmede twee traditionele voetbalvelden en het hoofdveld, zijn door eiseres in gebruik gegeven aan de voetbalvereniging. Tussen de voetbalvereniging en eiseres zijn op 31 december 2005 in dit kader een huurovereenkomst, een gebruikersovereenkomst, een detacheringsovereenkomst, een opdrachtovereenkomst tot beheer en onderhoud en een aanvullende opdrachtovereenkomst voor sportmaterialen gesloten. Bij de gebruikersovereenkomst is onder meer bepaald dat eiseres een beheerder aanstelt. Deze beheerder is door de voetbalvereniging gedetacheerd bij eiseres. De desbetreffende factuur heeft betrekking op de beheer- en onderhoudswerkzaamheden. Die werkzaamheden worden uitgevoerd door de beheerder.

11. Verweerder stelt dat aan het geheel van de overeenkomsten voorbij moet worden gegaan omdat sprake is van schijnhandelingen en omdat zelfstandige fiscale kwalificatie hiertoe noopt. De diverse overeenkomsten zijn slechts gesloten om de verhuur van de velden door eiseres het karakter te geven van het gelegenheid geven tot sportbeoefening. Materieel hebben er geen veranderingen plaatsgevonden ten opzichte van de situatie zoals die voor 1 januari 2006 was. Er is in werkelijkheid geen sprake van detachering omdat de beheerder aan eiseres geen verantwoording aflegt over zijn werkzaamheden, ook verder nooit contact heeft met de organisatie van eiseres en bij eiseres ook niet bekend staat als medewerker van eiseres. De beheerder is sinds 31 maart 2005 door de voetbalvereniging fulltime aangesteld als technisch jeugdcoördinator. Feitelijk is er slechts sprake van het door eiseres tegen vergoeding ter beschikking stellen van sportvelden aan de voetbalvereniging en verricht eiseres daarmee onbelaste handelingen. Zij heeft daarom geen recht op aftrek van voorbelasting. Verder stelt verweerder dat sprake is van misbruik van recht.

12. Niet in geschil is dat de overeenkomsten zijn gesloten, dat er dienovereenkomstig over en weer wordt gefactureerd en dat de facturen ook zijn betaald. Met hetgeen verweerder heeft aangevoerd en overgelegd, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een schijnhandeling. Ook heeft verweerder onvoldoende geconcretiseerd dat de situatie feitelijk gelijk is gebleven aan de eerder bestaande situatie waarin eiseres de sportvelden verhuurde aan de voetbalvereniging. Evenmin heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat sprake is van een zuiver kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit en alleen is bedoeld om fiscaal voordeel te behalen nu verweerder niet heeft geconcretiseerd waaruit dat fiscale voordeel zou bestaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder te weinig feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan voorbij moet worden gegaan aan de overeenkomsten. Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de aftrek ten onrechte als fout is aangemerkt. In deze is het gelijk dus aan eiseres, met als gevolg dat de naheffingsaanslag met € 48.000 moet worden verminderd.

Sportpark [naam sportpark 3]

13. De desbetreffende factuur heeft betrekking op de aanleg van een kunstgrasveld voor de [plaats] Voetbalvereniging. Eiseres heeft de ter zake daarvan in rekening gebrachte omzetbelasting geheel in aftrek gebracht.

14. Niet in geschil is dat op 8 juli 2005 tussen de voetbalvereniging en eiseres een gebruikersovereenkomst en een detacheringsovereenkomst is gesloten en dat de detacheringsovereenkomst per 1 januari 2006 is beëindigd. In 2012 zijn tussen hen nieuwe overeenkomsten gesloten die terugwerken tot 1 januari 2006.

15. Verweerder heeft aangevoerd dat in de jaren 2006 tot en met 2012 voor het gebruik van dit sportpark geen facturen over en weer zijn verzonden, dat er geen betalingen hebben plaatsgevonden en er ook geen inningsactiviteiten zijn geweest. Volgens verweerder is daarom in 2008 sprake van het ter beschikking stellen om niet en is dus ten onrechte vooraftrek geclaimd. Eiseres heeft daartegen aangevoerd dat wel een vergoeding is bedongen en dat die ook wordt betaald, maar dat er een betalingsachterstand is.

16. Uit het feit dat er in 2012 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 nieuwe overeenkomsten zijn gesloten, leidt de rechtbank af dat aan de gebruikersovereenkomst van 8 juli 2005 in 2006 geen uitvoering meer is gegeven. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat de detacheringsovereenkomst per 1 januari 2006 is beëindigd. Het ligt dan op de weg van eiseres om, tegenover de weerspreking door verweerder, aannemelijk te maken dat wel degelijk een vergoeding is bedongen. Eiseres heeft dit echter niet met enig stuk gestaafd. Zij heeft weliswaar een brief uit februari 2012 overgelegd waarin is vermeld dat de voetbalvereniging een voorziening heeft opgenomen voor de gebruikersvergoeding voor de afgelopen jaren, maar eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat die voorziening betrekking heeft op gebruikersvergoedingen die reeds verschuldigd waren voordat de nieuwe overeenkomsten in 2012 werden gesloten. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat de velden tegen vergoeding ter beschikking werden gesteld en is de aftrek daarom terecht als fout aangemerkt. In deze is het gelijk aan verweerder.

Sportpark [naam sportpark 1]

17. Dit sportpark is in 2009 in gebruik genomen. Eiseres stelt dat in 2008 het voornemen bestond om het voor belaste prestaties te gaan gebruiken en dat daarom recht op aftrek bestond. De desbetreffende factuur dient daarom als negatieve foutfractie in aanmerking te worden genomen. Tot de stukken behoort een verslag uit 2007 van een gesprek tussen eiseres, Hockeyclub [naam hockeyclub] en haar toenmalige adviseur waarin is vastgelegd dat twee opties zijn besproken over het gebruik van dit sportpark. In beide opties wordt er vanuit gegaan dat de gemeente de sportvelden belast ter beschikking zal stellen aan een nog op te richten stichting die het vervolgens zal verhuren aan de hockeyclub. De stichting is opgericht, maar door een conflict is het huurcontract met eiseres nooit gesloten. Dat in 2008 of later daadwerkelijk voor een van de opties uit het gespreksverslag is gekozen, is niet gebleken. Uiteindelijk zijn de sportvelden rechtstreeks in gebruik gegeven aan de hockeyclub en verweerder stelt dat dit om niet is gebeurd.

18. Tot de stukken behoort een op 23 januari 2012 gesloten huurovereenkomst tussen eiseres en de Stichting [naam van stichting] (de SSB) waarbij eiseres de hockeyvelden op het sportpark aan de SSB verhuurt voor € 14.437,50 per jaar. Volgens de preambule van dit stuk gaat het om de schriftelijke vastlegging van eerder gemaakte afspraken. In de overeenkomst is onder meer vermeld dat de huur aanvangt op 1 september 2009 en dat vanaf die datum wordt geopteerd voor belaste verhuur. Afgezien van het feit dat het niet mogelijk is met terugwerkende kracht te opteren voor belaste verhuur, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat reeds in 2009 de velden tegen vergoeding in gebruik zijn genomen en dat het voornemen daartoe reeds in 2008 bestond. Er is niets overgelegd op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat de overeenkomst al in 2009 tot stand was gekomen. Eiseres heeft haar stelling dat reeds in 2009 een vergoeding van € 4.627,91 is gefactureerd, zijnde 117/365e deel van de jaarlijkse vergoeding, maar dat deze factuur pas in 2012 is voldaan door verrekening met schadevergoedingen evenmin met enig stuk gestaafd. Ook in deze is het gelijk aan verweerder.

Boete

19. De opgelegde boete is een verzuimboete die op grond van artikel 67c, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelasting (Awr) en paragraaf 24, eerste lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) ten hoogste 10 procent van de nageheven belasting, met een maximum van € 4.537, kan bedragen. Op grond van paragraaf 24a, eerste lid, van het BBBB wordt bij vrijwillige verbetering een boete opgelegd van 5 procent met eveneens een maximum van € 4.537.

20. Eiseres heeft aangevoerd dat over de resultaten van de steekproef geen boete kan worden opgelegd. Over het bedrag van de suppletie mag geen boete worden opgelegd omdat sprake was van een pleitbaar standpunt. De suppletie was namelijk uitsluitend het gevolg van een herberekening van het mengpercentage en het oorspronkelijke mengpercentage was pleitbaar. De verzuimboete kan daarom volgens eiseres niet hoger zijn dan € 3.004 (10 procent van twee hier niet in geding zijnde correcties wegens het niet op aangifte voldoen van omzetbelasting die wel op facturen was vermeld). De rechtbank overweegt dat een verzuimboete kan worden opgelegd in alle gevallen waarin de belasting die op aangifte moet worden voldaan niet tijdig is betaald, dus ook bij een vrijwillige verbetering als bedoeld in 24a van het BBBB. Wel dient in dat geval de boete te worden gematigd tot 5%. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een pleitbaar standpunt, de enkele stelling daartoe is onvoldoende. Dat de naheffingsaanslag voor het overige het gevolg is van de resultaten van een steekproef, maakt niet dat geen sprake is van het niet betalen van belasting als bedoeld in artikel 67c van de Awr. Verweerder heeft daarom terecht een verzuimboete opgelegd op basis van het bedrag van de gehele naheffingsaanslag. De boete is opgelegd naar het wettelijke maximum van € 4.537 en is ook na de in deze uitspraak bepaalde verminderingen dus niet naar een te hoog bedrag opgelegd. Feiten en omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat sprake is van afwezigheid van alle schuld of van een wanverhouding tussen de boete en het beboete feit, zijn gesteld noch gebleken. In deze is het gelijk aan verweerder.

Heffingsrente

21. Tegen de heffingsrente heeft eiseres geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat die naar een onjuist bedrag of in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht in rekening is gebracht. Wel moet de heffingsrente overeenkomstig de vermindering van de naheffingsaanslag worden verminderd.

Slotconclusie

22. Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond, dient de naheffingsaanslag te worden verminderd tot € 436.342 (€ 580.342 -/- € 96.000 -/- € 48.000), moet de heffingsrente overeenkomstig worden verminderd en blijft de boetebeschikking gehandhaafd.

Proceskosten

23. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Eiseres stelt dat verweerder met betrekking tot de correctie inzake het [naam zwembad] een standpunt heeft ingenomen en gehandhaafd waarvan hij tevoren wist of redelijkerwijs behoorde te weten dat dit in rechte geen stand kon houden en dat daarom reden is voor een integrale vergoeding van proceskosten. De rechtbank volgt eiseres daarin niet. Eiseres is voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar ruimschoots in de gelegenheid gesteld stukken te overleggen ten bewijze van de belaste verhuur van het zwembad. Dat zij dat eerst na de uitspraak op bezwaar heeft gedaan, dient voor haar risico te blijven. Dat het hierbij mede om de inwilliging door verweerder in 1999 van het optieverzoek ging, maakt dat niet anders. Verweerder is niet gehouden het bewijs te vergaren voor stellingen die door eiseres worden ingenomen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiseres in eerste instantie heeft verklaard dat zij het zwembad zelf exploiteerde. De rechtbank stelt de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand daarom vast op € 992 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en
1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1). Voor vergoeding van de kosten van het bezwaar is geen aanleiding, omdat gesteld noch gebleken is dat in de bezwaarfase om vergoeding daarvan is verzocht.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de naheffingsaanslag tot € 436.342 met dienovereenkomstige vermindering van de heffingsrente;

  • -

    handhaaft de boetebeschikking;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 992;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, voorzitter, en mr. T. van Rij en mr. H.W.M. van Kesteren, leden, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.