Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:1322

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-02-2016
Datum publicatie
11-02-2016
Zaaknummer
15/1215
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verplichting tot medewerking aan het afnemen en verwerken van biometrische gegevens vormt een nieuwe beperking van de uitoefening van het vrije verkeer van Turkse werknemers die op grond van de stand-stillbepalingen buiten toepassing moet worden gelaten.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 54
Vreemdelingenwet 2000 107
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2016/13
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: AWB 15/1215, V-nummer: [x],

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 februari 2016 in de zaak tussen

[eiser], eiser, en

[eiseres] , eiseres,

tezamen te noemen: eisers,

gemachtigde: mr. D. Schaap,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. L. Kersten.

Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 2014 heeft verweerder de door eiseres ten behoeve van eiser ingediende aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) onder de beperking ‘verblijf bij echtgenote’ afgewezen.

Bij besluit van 4 april 2014 heeft verweerder het door eisers daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de mvv-aanvraag alsnog ingewilligd.

Eisers hebben tegen dit besluit bij brief van 6 mei 2014 beroep ingesteld bij de rechtbank. Omdat dit beroepschrift volgens de rechtbank moest worden gezien als een bezwaarschrift tegen de feitelijke afname en opslag van de biometrische gegevens van eiser, heeft de rechtbank het beroepschrift ter behandeling als bezwaarschrift doorgezonden naar verweerder.

Bij besluit van 23 december 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

De zaak is op 10 juni 2015 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld. Namens eisers is verschenen hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. J.C.O. Stiphout.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de zaak naar een meervoudige kamer verwezen.

De zaak is op 29 september 2015, gelijktijdig met de zaak AWB 15/2131, ter zitting van een meervoudige kamer behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij verweerder verzocht nadere informatie te verstrekken. Bij faxberichten van 21 en 22 oktober 2015 heeft verweerder de rechtbank nadere informatie doen toekomen. Bij faxbericht van 4 november 2015 heeft eiser daarop gereageerd.

Desgevraagd hebben eiser bij faxbericht van 8 december 2015 en verweerder bij faxbericht van 9 december 2015 de rechtbank toestemming gegeven uitspraak te doen zonder dat een nadere zitting plaatsvindt. Bij brieven van 9 december 2015 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat zij het onderzoek in de zaak sluit.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt voorop dat verweerder ter zitting van 10 juni 2015 te kennen heeft gegeven dat het bestreden besluit moet worden geacht tevens te zien op het ter behandeling als bezwaarschrift doorgezonden beroepschrift voor zover dit namens eiseres is ingediend.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het door eisers gemaakte bezwaar tegen het afnemen en verwerken van de biometrische gegevens van eiser (vingerafdrukken en pasfoto/gezichtsopname) ongegrond verklaard, omdat volgens hem geen sprake is van strijd met de in het Associatierecht EEG-Turkije neergelegde stand-stillbepalingen en discriminatiebepalingen.

3. Allereerst staat ter beoordeling wat het rechtskarakter is van het afnemen van biometrische gegevens van eiser door de Nederlandse vertegenwoordiging in Turkije.

3.1.

Op grond van artikel 54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur ten aanzien van vreemdelingen worden voorzien in een verplichting tot het verlenen van medewerking aan het vastleggen van gegevens met het oog op identificatie.

Op grond van artikel 1.31 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), zoals dit luidt met ingang van 1 maart 2014, bestaat de medewerking, bedoeld in artikel 54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, voor de toepassing van dit hoofdstuk uit:

a. het op vordering van Onze Minister beschikbaar stellen van een goedgelijkende pasfoto;

b. het zich laten fotograferen en het laten afnemen van vingerafdrukken.

Volgens paragraaf B1/3.3.3. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) geldt bij een mvv-aanvraag door de referent in Nederland dat, als wordt voldaan aan de toelatingsvoorwaarden voor het betreffende verblijfsdoel, de IND onder voorbehoud de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging machtigt om de mvv af te geven. Dit voorbehoud houdt in:

• dat nader onderzoek de authenticiteit van de originele buitenlandse bewijsmiddelen betreffende de staat van personen en van het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling bevestigt;

• dat de vreemdeling voor het vaststellen van zijn identiteit tien digitale vingerafdrukken heeft laten afnemen en een pasfoto heeft ingeleverd (artikel 106a, eerste lid, Vw junctis artikel 54 Vw en artikel 1.31 Vb); en

• dat zich geen feiten of omstandigheden voordoen die zich tegen de afgifte van de mvv verzetten.

Uitsluitend als is voldaan aan deze voorwaarden gaat de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging over tot afgifte van de mvv.

3.2.

Mede gelet op paragraaf B1/3.3.3. van de Vc 2000 dient het besluit van 4 april 2014, hoewel het daarover geen expliciete mededeling bevat, worden geacht in te houden dat verweerder aan eiser de in artikel 54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 bedoelde verplichting oplegt.

3.3

Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het verlenen van de in artikel 54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 bedoelde medewerking een voorwaarde is voor afgifte van de mvv. Weigert de vreemdeling deze medewerking, dan wordt de mvv niet verstrekt. In dit licht bezien dient behalve eiser ook eiseres te worden aangemerkt als belanghebbende bij het besluit van 4 april 2014 en het bestreden besluit.

Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank de verplichting tot medewerking aan het afnemen van biometrische gegevens een op rechtsgevolg gericht onderdeel van het besluit tot afgifte van de aangevraagde mvv. Van een zelfstandig besluitonderdeel is geen sprake, nu het voldoen aan deze verplichting een voorwaarde is voor afgifte van de mvv en daarvan dan ook niet los kan worden gezien.

4. Vervolgens staat ter beoordeling of tegen de - in het besluit van 4 april 2014

vervatte - verplichting tot medewerking aan het afnemen van biometrische gegevens bezwaar of beroep openstaat.

Zoals ook volgt uit artikel 7:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), herroept het bestuursorgaan een primair besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit als de heroverweging van een primair besluit in bezwaar daartoe aanleiding geeft. Dat nieuwe besluit is een onderdeel van de beslissing op bezwaar en daartegen staat beroep en geen bezwaar open. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onder het besluit van 4 april 2014 dan ook terecht vermeld dat daartegen beroep kan worden ingesteld. De rechtbank heeft het beroepschrift van eisers dus ten onrechte aan verweerder ter behandeling als bezwaarschrift doorgezonden.

5. Gelet op het voorgaande heeft verweerder ten onrechte op dit bezwaarschrift beslist. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit omdat het onbevoegd is genomen.

6. Om proceseconomische redenen en ter finale geschilbeslechting beoordeelt de rechtbank thans tevens het beroep van 6 mei 2014 tegen het besluit op bezwaar van 4 april 2014 voor zover dat betreft het afnemen en verwerken van de biometrische gegevens van eiser. De rechtbank beschouwt de inhoud van het besluit van 23 december 2014 in dit verband als een nadere motivering van het besluit van 4 april 2014.

7. Anders dan verweerder in het verweerschrift betoogt, brengt de omstandigheid dat eiser inmiddels in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf bij echtgenote’ niet met zich dat het procesbelang van eisers is komen te vervallen. Het beroep van eisers ziet, anders dan verweerder kennelijk meent, immers niet op de verblijfsrechtelijke positie van eiser, maar op de hem opgelegde verplichting tot medewerking aan het afnemen en verwerken van zijn biometrische gegevens. Dat de vingerafdrukken van eiser niet goed in het systeem zijn opgeslagen en niet naar de IND zijn gestuurd, biedt, anders dan verweerder meent, evenmin grond om procesbelang afwezig te achten, reeds omdat de gezichtsopname van eiser wel is opgeslagen en verwerkt door de IND.

8. Eiser, van Turkse nationaliteit, en eiseres, van Turkse en Nederlandse nationaliteit, betogen dat het afnemen en met name het verwerken van de biometrische gegevens van eiser in strijd is met de standstill- en non-discriminatiebepalingen die zijn neergelegd in het Associatierecht EEG-Turkije, zodat verweerder het verlenen van de in artikel 54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 bedoelde medewerking in het geval van eiser niet als voorwaarde voor afgifte van de mvv heeft kunnen stellen.

8.1.

Op grond van artikel 9 van de overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (de Associatieovereenkomst) erkennen de overeenkomstsluitende Partijen dat binnen de werkingssfeer van de Overeenkomst, en onverminderd de bijzondere bepalingen die krachtens artikel 8 zouden kunnen worden vastgesteld, elke discriminatie uit hoofde van nationaliteit is verboden, overeenkomstig het in artikel 7 van het Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap (thans, na wijziging, artikel 18 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) vermelde beginsel.

Op grond van artikel 7 van het krachtens de Associatieovereenkomst en het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst op 20 december 1976 genomen besluit nr. 2/76 (Besluit nr. 2/76) mogen de lidstaten van de Gemeenschap en Turkije geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn. Op grond van artikel 13 van Besluit nr. 2/76 is deze bepaling met ingang van 20 december 1976 van toepassing.

Op grond van artikel 10, eerste lid, van besluit nr. 1/80 betreffende de ontwikkeling van de Associatie (Besluit nr. 1/80) passen de Lid-Staten van de Gemeenschap op de Turkse werknemers die tot hun legale arbeidsmarkt behoren een stelsel toe dat wordt gekenmerkt door het ontbreken van elke discriminatie uit hoofde van de nationaliteit ten opzichte van communautaire werknemers, voor wat betreft de lonen en verdere arbeidsvoorwaarden.

Op grond van artikel 13 van Besluit nr. 1/80 mogen de lidstaten van de Gemeenschap en Turkije geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn. Op grond van artikel 16 van Besluit nr. 1/80 zijn deze bepalingen met ingang van 1 december 1980 van toepassing.

8.2.

Zoals ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen in haar uitspraak van 21 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:95), verbiedt artikel 13 van Besluit nr. 1/80 volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) vanaf de datum van inwerkingtreding in de betrokken lidstaat de invoering van nieuwe beperkingen van de uitoefening van het vrije verkeer van Turkse werknemers, met inbegrip van beperkingen betreffende de materiële en/of procedurele voorwaarden inzake de eerste toelating tot het grondgebied van deze lidstaat van Turkse staatsburgers die voornemens zijn aldaar van deze vrijheid gebruik te maken (zie onder meer punt 49 van het arrest Commissie tegen Nederland van 29 april 2010, C-92/07; ECLI:EU:C:2010:228).

Zoals ook de Afdeling heeft overwogen in haar voormelde uitspraak van 21 januari 2015, volgt uit punt 40 van het arrest van 17 september 2013, C-225/12, Demir (ECLI:EU:C:2013:725; het arrest Demir) dat, indien de aangevochten maatregel een nieuwe beperking van de uitoefening van het vrije verkeer van Turkse werknemers vormt, deze maatregel buiten toepassing moet worden gelaten, tenzij deze gerechtvaardigd kan worden om dwingende redenen van algemeen belang en voldoet aan de eisen van evenredigheid.

8.3.

Voorts volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX2072) dat artikel 13 van Besluit nr. 1/80 zo moet worden uitgelegd dat gezinsleden van een Turkse werknemer, wiens verblijf en arbeid op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst legaal is, zich op deze bepaling kunnen beroepen. Naar verweerder ter zitting van 29 september 2015 desgevraagd heeft bevestigd, is niet in geschil dat eiseres, echtgenote van eiser, werknemer is in de zin van artikel 13 van Besluit nr. 1/80 en dat eiser haar gezinslid is. Hieruit volgt dat de eiser zich kan beroepen op de hiervoor vermelde bepalingen.

8.4.

Uit het voorgaande volgt dat met betrekking tot de door eisers gestelde strijd met de standstill-bepalingen ter beoordeling staat (1) of de verplichting tot medewerking aan het afnemen en verwerken van biometrische gegevens een materiële en/of formele voorwaarde is op het gebied van toegang en verblijf, en zo ja, (2) of deze voorwaarde nieuw is en een beperking vormt van de uitoefening van het vrije verkeer van Turkse werknemers, en zo ja, (3) of die nieuwe beperking is gerechtvaardigd en voldoet aan de eisen van evenredigheid.

8.5.1.

Op 1 maart 2014 is in werking getreden de wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Vw 2000 in verband met de uitbreiding van het gebruik van biometrische kenmerken in de vreemdelingenketen in verband met het verbeteren van de identiteitsvaststelling van de vreemdeling (Staatsblad 2014, 2, hierna: Wet biometrie). Met deze wet zijn onder meer de volgende artikelen in de Vw 2000 ingevoegd dan wel gewijzigd:

Op grond van artikel 106a, eerste lid, van de Vw 2000 kunnen, voor zover op grond van de Europese verordeningen die betrekking hebben op biometrische gegevens, bedoeld in artikel 1, onder x, geen gezichtsopname of vingerafdrukken kunnen worden afgenomen en verwerkt, van een vreemdeling een gezichtsopname en tien vingerafdrukken worden afgenomen en verwerkt voor het vaststellen van de identiteit met het oog op de uitvoering van deze wet. De gezichtsopname en vingerafdrukken worden vergeleken met de gezichtsopnames en vingerafdrukken in de vreemdelingenadministratie.

Op grond van artikel 107, eerste lid, van de Vw 2000 is er een vreemdelingenadministratie, die wordt beheerd door Onze Minister. De vreemdelingenadministratie bevat:

a. de gezichtsopnames en vingerafdrukken, bedoeld in artikel 106a, eerste lid;

(…).

Op grond van het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel heeft de vreemdelingenadministratie tot doel de verwerking van de in het eerste lid, onder a, bedoelde gegevens voor de uitvoering van deze wet, de Rijkswet op het Nederlanderschap en de daarop gebaseerde regelgeving.

Op grond van het vijfde lid van dit artikel kunnen, onverminderd het in het tweede lid, onder a, genoemde doel, en in aanvulling op het bepaalde bij of krachtens artikel 107a, gegevens als bedoeld in het eerste lid, onder a, uitsluitend beschikbaar worden gesteld met het oog op:

a. het verstrekken van een reisdocument door een diplomatieke vertegenwoordiging ten behoeve van terugkeer;

b. de identificatie van slachtoffers van rampen en ongevallen;

c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;

d. de toepassing van artikel 55c van het Wetboek van Strafvordering, en

e. de uitvoering van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002.

Op grond van het zesde lid van dit artikel vindt de verstrekking van gegevens betreffende de vingerafdrukken van de vreemdeling uit de vreemdelingenadministratie in de gevallen bedoeld in het vijfde lid, onderdeel c, ten behoeve van de opsporing en vervolging van strafbare feiten slechts plaats in geval van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en na schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie:

a. indien er een redelijk vermoeden bestaat dat de verdachte een vreemdeling is, of

b. in het belang van het onderzoek en het opsporingsonderzoek op een dood spoor is beland, dan wel snel resultaat geboden is bij de opheldering van het misdrijf.

Op grond van het negende lid, aanhef en onder b, van dit artikel kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de vernietiging van de in de vreemdelingenadministratie opgenomen gegevens, waarbij geldt dat gezichtsopnames en vingerafdrukken nooit langer worden bewaard dan tien jaar nadat de aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf is afgewezen, of, in geval van rechtmatig verblijf, de betrokken vreemdeling wiens rechtmatig verblijf is geëindigd, Nederland aantoonbaar heeft verlaten, dan wel, indien tegen de vreemdeling een inreisverbod is uitgevaardigd of de vreemdeling ongewenst is verklaard, tien jaar na afloop van de geldigheidsduur van het inreisverbod onderscheidenlijk de ongewenstverklaring, en deze gegevens in ieder geval worden vernietigd zodra Onze Minister bekend is dat de betrokkene niet langer behoort tot de categorie vreemdelingen waarvan deze kunnen worden afgenomen.

Op grond van artikel 115, eerste lid, van de Vw 2000 vervalt de bevoegdheid van Onze Minister om op grond van artikel 106a een gezichtsopname en vingerafdrukken van een vreemdeling af te nemen en te verwerken, zeven jaar na de inwerkingtreding van de wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de uitbreiding van biometrische kenmerken in de vreemdelingenketen in verband met het verbeteren van de identiteitsvaststelling van de vreemdeling (Stb. 2014, 2).

Op grond van het tweede lid van dit artikel worden in de vreemdelingenadministratie opgenomen gegevens, bedoeld in artikel 107, eerste lid, onderdeel a, zeven jaar na de inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde wet van 11 december 2013 vernietigd.

Op grond van het derde lid van dit artikel bevordert Onze Minister dat uiterlijk drie maanden na het tijdstip, bedoeld in het eerste en het tweede lid, een voorstel van wet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend, waarbij de wijzigingen die in deze wet zijn aangebracht door artikel I, onderdelen A, D en E, van de in het eerste lid bedoelde wet van 11 december 2013, ongedaan worden gemaakt.

8.5.2.

Op 1 maart 2014 is eveneens in werking getreden het besluit van 21 januari 2014 tot wijziging van het Vb 2000 in verband met de uitbreiding van het gebruik van biometrische kenmerken in de vreemdelingenketen in verband met het verbeteren van de identiteitsvaststelling van de vreemdeling (Staatsblad 2014, 44, hierna: Besluit biometrie). Met dit besluit is onder meer, naast de wijzing van voormeld artikel 1.31, het volgende artikel in het Vb 2000 ingevoegd.

Op grond van artikel 8.35 van het Vb 2000 worden de in de vreemdelingenadministratie opgenomen gezichtsopnames en vingerafdrukken niet langer bewaard dan:

a. vijf jaar nadat de aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf is afgewezen;

b. in geval van rechtmatig verblijf: vijf jaar nadat de betrokken vreemdeling, wiens rechtmatig verblijf is geëindigd, Nederland aantoonbaar heeft verlaten; of

c. indien tegen de vreemdeling een inreisverbod is uitgevaardigd of de vreemdeling ongewenst is verklaard: vijf jaar na afloop van de geldigheidsduur van het inreisverbod onderscheidenlijk de ongewenstverklaring.

8.6.

Volgens de memorie van toelichting (MvT) bij de Wet biometrie (TK, 2011-2012, 33 192, nr. 3, p. 14 en 18) vormt de afname van de biometrische gegevens geen extra voorwaarde op het gebied van toegang en verblijf, maar gaat het om een extra hulpmiddel ten behoeve van de identiteitsvaststelling. De rechtbank onderschrijft dit niet. Aangezien, zoals hiervoor reeds in 3.3 is overwogen, de verplichting tot medewerking aan het afnemen van biometrische gegevens, en daarmee aan het verwerken van die gegevens overeenkomstig artikel 107 van de Vw 2000, een voorwaarde is voor de afgifte van een mvv, en daarmee voor de ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat deze verplichting een formele voorwaarde is voor de eerste toelating tot Nederland.

8.7.

Ook is deze voorwaarde nieuw, omdat, naar niet in geschil is, de verplichting tot medewerking aan het afnemen en verwerken van biometrische gegevens, zoals ingevoerd met de Wet biometrie en het Besluit biometrie, niet gold ten tijde van de inwerkingtreding van de stand-stillbepalingen. Voor zover, zoals verweerder stelt, vóór de inwerkingtreding van de Associatieovereenkomst reeds een verplichting bestond medewerking te verlenen aan een proces van identificatie, is niet gebleken dat verweerder ook toentertijd die gegevens verwerkte in een (vreemdelingen)administratie zoals bedoeld in artikel 107 van de Vw 2000. Verweerder heeft dit identificatieproces ook niet geconcretiseerd en bovendien is door hem niet gesteld, noch is anderszins gebleken, dat de enkele weigering van medewerking aan dit identificatieproces destijds tot gevolg had dat de desbetreffende Turkse onderdaan niet in aanmerking kon komen voor legaal verblijf.

Omdat, zoals onder meer volgt uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaken nr. 30562/04 en 30566/04, S. en Marper tegen het Verenigd Koninkrijk, de verwerking van biometrische gegevens inbreuk maakt op het recht op privacy en aan die verwerking door middel van het laten afnemen van die gegevens medewerking moet worden verleend wil men toegang en verblijf kunnen verkrijgen, vormt de onderhavige voorwaarde tevens een nieuwe beperking van de uitoefening van het vrije verkeer van Turkse werknemers. Zoals blijkt uit de toelichting bij het aangenomen amendement waarmee artikel 115 is ingevoegd (TK 2012-2013, 33192, nr. 15), is de ernst van de inbreuk op de privacy die de Wet biometrie vormt overigens ook door de wetgever onderkend. Dit laat evenwel onverlet dat de in de vreemdelingenadministratie opgenomen biometrische gegevens van eiser, als bedoeld in artikel 107, eerste lid, onderdeel a, van de Vw 2000, in beginsel niet eerder dan na ommekomst van de in artikel 115, tweede lid, van de Vw 2000 genoemde termijn worden vernietigd. Daarbij geldt met de uitleg die verweerder volgens zijn brief van 21 oktober 2015 aan artikel 115 van de Vw 2000 geeft bovendien dat niet valt uit te sluiten dat de geldigheidsduur van de Wet biometrie na evaluatie wordt verlengd, wat mogelijk betekent dat de biometrische gegevens van eiser alsnog voor onbepaalde tijd zullen worden bewaard, tenzij eisers rechtmatig verblijf eindigt en artikel 8:35 van het Vb 2000 van toepassing is.

8.8.1.

Voor de beantwoording van de vraag of deze nieuwe beperking is gerechtvaardigd, is, zoals ook de Afdeling in haar uitspraak van 30 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1621) heeft overwogen, van belang dat het doel van de stand-stillbepalingen is gunstige voorwaarden te scheppen voor de geleidelijke invoering van het vrije verkeer van werknemers door de nationale autoriteiten te verbieden nieuwe belemmeringen voor die vrijheid op te werpen teneinde de geleidelijke verwezenlijking van die vrijheid tussen de lidstaten en de Republiek Turkije niet te bemoeilijken. Aangezien het in deze bepalingen gestelde verbod op nieuwe beperkingen de algemene regel is, dient een rechtvaardigingsgrond, als uitzondering op deze regel, strikt te worden uitgelegd (zie naar analogie punt 70 van het arrest van het Hof van 19 september 2013, C- 140/12, Brey, ECLI:EU:C:2013:565).

8.8.2.

Uit de MvT (p. 36) bij de Wet biometrie blijkt dat met de verplichting tot medewerking aan het afnemen en verwerken van biometrische gegevens een verbetering van de identiteitsvaststelling van vreemdelingen en tevens bestrijding van identiteitsfraude en fraude met documenten en het tegengaan van identiteitsdiefstal wordt beoogd. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een legitiem doel. Met de (verplichte) afname en verwerking van biometrische gegevens kan dit doel worden bereikt.

8.8.3.

Ten aanzien van de vraag of de verplichting tot medewerking aan het afnemen en verwerken van biometrische gegevens een evenredig middel is om dit legitieme doel te bereiken, overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de MvT (p. 36 t/m 39) bij de Wet biometrie volgt dat het identificeren van een vreemdeling door middel van biometrische kenmerken voor een juiste identificatie noodzakelijk wordt geacht, omdat identificatie aan de hand van brondocumenten of alleen persoonsgegevens onvoldoende zekerheid biedt. Hierbij wordt verwezen naar het in mei 2010 verschenen rapport “Het topje van de ijsberg” van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ), waarin wordt geconcludeerd dat identiteit- en documentfraude in de vreemdelingenketen in het hele toegangs- en verblijfstraject voorkomt en dat sprake is van een serieus probleem. De ACVZ merkt daarbij op dat buitenlandse brondocumenten boven aan de lijst staan van valse en vervalste documenten en constateert dat ketenpartners zichzelf en elkaar onvoldoende in staat achten om fraude met die brondocumenten te onderkennen, waardoor een vreemdeling met gebruikmaking van steeds een ander brondocument onder verschillende identiteiten verblijfs- en andere rechten kan (proberen te) verwerven. Vooral vreemdelingen die de toegang tot Nederland is ontzegd, die een illegaal of die een crimineel verleden hebben, kunnen op deze manier een voor de vreemdelingenketen onherkenbare identiteit aannemen en zo met een schoon lei opnieuw beginnen. Over de omvang van het probleem kan de ACVZ geen informatie geven omdat niet bekend is hoeveel zaken ketenpartners hebben ontdekt. Het opnemen van biometrische gegevens in een chip op het verblijfsdocument is gericht op het realiseren van een betrouwbaarder verband tussen houder en verblijfsdocument en op de beveiliging van het verblijfsdocument tegen frauduleus gebruik en biedt geen oplossing voor het probleem dat iemand op een ander moment onder een andere identiteit (met een ander buitenlands paspoort of brondocument) een aanvraag voor verblijf kan doen, omdat het daarbij gaat om de één-op-één vergelijking van de vingerafdrukken en het gezicht met de biometrische gegevens op het document. De vreemdeling die wil verbergen dat hij eerder onder een andere verblijfstitel in Nederland heeft verbleven, zal geen verblijfsdocument tonen, aldus de MvT.

Zoals ook volgt uit paragraaf B1/3.3.3. van de Vc 2000, wordt de mvv alleen afgegeven als de vreemdeling bij de Nederlandse vertegenwoordiging een geldig nationaal paspoort overlegt. Gesteld noch gebleken is dat Turkse paspoorten deel uitmaken van voormelde buitenlandse brondocumenten die volgens de ACVZ boven aan de lijst van valse en vervalste documenten staan, zodat geen grond bestaat om op voorhand te twijfelen aan de identiteit van Turkse onderdanen die om toegang tot en (regulier) verblijf in Nederland verzoeken. Verweerder heeft niet onderbouwd waarom het verwerken van de biometrische gegevens overeenkomstig artikel 107 van de Vw 2000 desalniettemin noodzakelijk is voor een juiste identiteitsvaststelling van Turkse onderdanen.

Ditzelfde geldt voor de bestrijding van frauduleus gebruik van de na binnenkomst in Nederland aan Turkse onderdanen afgegeven verblijfsdocumenten. Niet valt in te zien waarom ten behoeve daarvan niet kan worden volstaan met het opnemen van de biometrische gegevens in een chip op het verblijfsdocument. Dat niet valt uit te sluiten dat de desbetreffende Turkse onderdaan met gebruikmaking van een ander buitenlands paspoort of brondocument onder een andere identiteit eerder een verblijfsaanvraag heeft gedaan of nadien nog zal doen, vormt onvoldoende grond voor het oordeel dat desondanks aan de eisen van evenredigheid wordt voldaan. In dit opzicht verschilt de Turkse onderdaan niet van de gemeenschapsonderdaan die om hem moverende redenen (bijvoorbeeld in verband met criminele activiteiten) met gebruikmaking van een vals of vervalst paspoort of brondocument uit een derde land onder een valse identiteit en nationaliteit in Nederland heeft verbleven of wenst te verblijven, maar voor wie, onder diens juiste identiteit en nationaliteit, als gemeenschapsonderdaan op grond van artikel 106a, vierde lid, van de Vw 2000 niet de verplichting geldt tot medewerking aan het afnemen en verwerken van zijn biometrische gegevens overeenkomstig artikel 107 van de Vw 2000. Daarbij komt dat verweerder over de omvang van de eventuele identiteit- en documentfraude gepleegd door Turkse onderdanen geen informatie naar voren heeft gebracht, zodat niet kan worden vastgesteld dat met betrekking tot Turkse onderdanen sprake is van een serieus probleem dat dient te worden bestreden. Indien ervan uit zou moeten worden gegaan dat hiervan wel sprake is, heeft verweerder bovendien niet duidelijk gemaakt waarom de verwerking van de biometrische gegevens op grond van het vijfde en zesde lid van artikel 107 van de Vw bijdraagt aan de oplossing voor het probleem dat een Turkse onderdaan op een ander moment onder een andere identiteit een aanvraag voor verblijf kan doen.

De verwerking van biometrische gegevens gaat voorts verder dan noodzakelijk voor de verwezenlijking van eerdergenoemde doelstelling, nu die gegevens blijkens artikel 107, vijfde lid, van de Vw 2000 tevens beschikbaar kunnen worden gesteld voor het verstrekken van een reisdocument door een diplomatieke vertegenwoordiging ten behoeve van terugkeer, de identificatie van slachtoffers van rampen en ongevallen, de opsporing en vervolging van strafbare feiten, de toepassing van artikel 55c van het Wetboek van Strafvordering, en de uitvoering van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002.

8.9.

Uit het voorgaande volgt dat de verplichting tot medewerking aan het afnemen van biometrische gegevens, en daarmee aan het verwerken van die gegevens overeenkomstig artikel 107 van de Vw 2000, een nieuwe beperking van de uitoefening van het vrije verkeer van Turkse werknemers vormt die op grond van de stand-stillbepalingen buiten toepassing moet worden gelaten.

8.10.

Met betrekking tot de door eisers gestelde strijd met de non-discriminatiebepalingen overweegt de rechtbank het volgende.

Zoals volgt uit voormeld arrest Commissie tegen Nederland en de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX2572), geldt met betrekking tot de non‑discriminatiebepalingen dat het in artikel 9 van de Associatieovereenkomst neergelegde algemene verbod van discriminatie op grond van nationaliteit en de toepassing van dat verbod op het bijzondere gebied van werknemers overeenkomstig artikel 10, eerste lid, van Besluit nr. 1/80 in dit geval in samenhang met de in artikel 13 van Besluit nr. 1/80 neergelegde stand-stillbepaling dient te worden gelezen.

Zoals ook volgt uit het arrest Commissie tegen Nederland (overwegingen 67 tot en met 69), heeft de Associatieovereenkomst tot doel de situatie van Turkse onderdanen dichter bij de situatie van Unieburgers te brengen door geleidelijk het vrije verkeer van werknemers tot stand te brengen en door de beperkingen van de vrijheid van vestiging en van het vrije verrichten van diensten op te heffen en kan de verschillende behandeling van Turkse onderdanen en Unieburgers dus niet worden gerechtvaardigd op grond van de omstandigheid dat Turkse onderdanen niet op even volledige wijze als Unieburgers in aanmerking komen voor het vrije verkeer van werknemers, de vrije vestiging of het vrije verrichten van diensten binnen de Europese Unie. Gelet daarop moet de voor Turkse werknemers verplichte medewerking aan het afnemen en verwerken van hun biometrische gegevens ook strijdig worden geacht met het in artikel 9 van de Associatieovereenkomst neergelegde discriminatieverbod (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9454).

8.11.

Gezien het voorgaande slaagt het betoog van eisers.

9. Het beroep van 6 mei 2014 is gegrond. De rechtbank zal het besluit van 4 april 2014 vernietigen voor zover daarbij aan eiser de in artikel 54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 bedoelde verplichting is opgelegd en op hierna te melden wijze zelf in de zaak voorzien.

10. Gelet op de gegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit dient verweerder het door eisers ten behoeve van dit beroep betaalde griffierecht van € 167,- te vergoeden. Voor het beroep van 6 mei 2014 is geen griffierecht geheven.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb en artikel 8:75, eerste lid, van deze wet in de door eisers in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.736,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van de beroepschriften, waarbij in aanmerking is genomen dat sprake is van samenhangende zaken, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van de rechtbank en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting van de rechtbank, met een waarde per punt van € 496,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 4 april 2014 gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 4 april 2014 voor zover daarbij aan eiser de in artikel 54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 bedoelde verplichting is opgelegd en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 4 april 2014;

  • -

    draagt verweerder op de in de vreemdelingenadministratie opgenomen gezichtsopname van eiser, als bedoeld in artikel 107, eerste lid, onderdeel a, van de Vw 2000, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak, te vernietigen;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 167,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.736,- .

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Klomp, voorzitter, en mr. C.E. Bos en mr. F. Wegman, leden, in aanwezigheid van mr. M.J.F.J. van Beek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2016.

griffier voorzitter

Afschrift aan partijen verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Raad van State.