Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:13213

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-11-2016
Datum publicatie
12-12-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 22570
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel.

Valse informatie verstrekt.

Ongeloofwaardig relaas.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 16/22570

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 3 november 2016 in de zaak tussen

[naam]

gemachtigde mr. W. Frouws,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. A. Poelman.

Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig T. Cetinkaya, tolk in de Turkse taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Turkse nationaliteit. Op 4 juli 2016 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

3. Verweerder heeft in het bestreden besluit vastgesteld dat het asielrelaas van eiser bestaat uit de volgende relevante elementen:

- de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;

- de inval in het huis van eiser.

4. Verweerder heeft deze elementen als volgt beoordeeld. De verklaringen van eiser over zijn Koerdische identiteit, zijn nationaliteit en herkomst heeft verweerder geloofwaardig geacht. Verweerder acht de inval in het huis van eiser ongeloofwaardig omdat hij daar onvoldoende uitgebreid en gedetailleerd over heeft verklaard gelet op het ingrijpende karakter van dit incident.

5. Verweerder heeft de aanvraag als kennelijk ongegrond aangemerkt omdat eiser in strijd met de gegevens uit EUVIS verklaard heeft dat hij een verlopen paspoort en verlopen visum zou hebben. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser heeft willen verhullen dat hij legaal Turkije is in- en uitgereisd om te voorkomen dat die omstandigheid afbreuk zou doen aan zijn stelling dat hij wordt gezocht door de Turkse autoriteiten.

6. Eiser heeft in beroep betoogd dat zijn politieke activiteiten in Istanbul voor de Koerdische beweging gedurende 20 jaren, alsmede de omstandigheid dat zijn zoon meevecht in de Koerdische beweging in de bergen het niet onaannemelijk maken dat de Turkse autoriteiten van zijn Koerdische sympathieën op de hoogte zijn. De inval in zijn huis is daarvan het gevolg, aldus eiser.

De rechtbank oordeelt als volgt.

7. Ingevolge artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling Onze Minister heeft misleid door omtrent zijn identiteit of nationaliteit valse informatie of documenten te verstrekken of door relevante informatie of documenten die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben, achter te houden.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht tegengeworpen dat eiser zijn Turkse paspoort niet heeft overgelegd terwijl hij tijdens het eerste gehoor van 21 september 2016 verklaard heeft wel een paspoort te bezitten. Ook zijn verklaring tijdens dit gehoor dat het paspoort zou zijn verlopen heeft verweerder terecht strijdig bevonden met de gegevens uit EUVIS waaruit blijkt dat het paspoort geldig is tot 3 juli 2024. Eiser heeft met dit paspoort meermalen visa verkregen voor Griekenland, onder meer voor de periode van 6 november 2015 tot en met 20 mei 2016. Dat eiser in zijn zienswijze heeft gesteld dat hij niet bedoeld heeft te zeggen dat het paspoort was verlopen maar dat het paspoort onbruikbaar was geworden doordat zijn vrouw het had meegewassen in de wasmachine, kan eiser niet baten. Eiser heeft dit niet tijdens de gehoren en in de correcties en aanvullingen naar voren gebracht. Bovendien kan deze gestelde omstandigheid niet afdoen aan verweerders vaststelling dat eiser valse informatie over de status van het paspoort heeft verstrekt.

9. Verweerder heeft voorts terecht tegengeworpen dat eiser gezien het ingrijpende karakter van de inval in zijn huis in mei 2016 niet uitgebreider en gedetailleerder daarover heeft verklaard. Zo heeft eiser niet kunnen uitleggen waarom de politie naar eiser op zoek zou zijn. Dat de politie eiser gevangen zou willen nemen en martelen heeft verweerder terecht als een niet onderbouwd vermoeden aangemerkt. Terecht heeft verweerder bevreemdend geacht dat de politie niets uit zijn huis meegenomen heeft, zoals materiaal over eisers politieke activiteiten waar eiser zich twintig jaren mee heeft bezig gehouden. Ook heeft eiser niet kunnen vertellen hoeveel agenten bij de inval waren betrokken. Dat er na de gestelde inval niets meer is gebeurd heeft verweerder eveneens terecht bevreemdend geacht. Volgens de gegevens uit EUVIS moet eiser de beschikking hebben gehad over een geldig paspoort. Bovendien was aan eiser een visum verstrekt voor Griekenland voor de periode van 6 november 2015 tot en met 20 mei 2016. Verweerder heeft hieruit terecht geconcludeerd dat het er de schijn van heeft dat eiser na de inval in zijn woning helemaal niet is in- en uitgereisd uit Turkije. Eiser had dit afdoende kunnen weerleggen met het overleggen van zijn paspoort. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat dit afbreuk doet aan eisers stelling dat hij wordt gezocht door de Turkse autoriteiten.

10. Naar het oordeel van de rechtbank kan het beroep van eiser op het algemeen ambtsbericht Turkije van juli 2013 van de minister van Buitenlandse Zaken niet aan verweerders bevindingen over het relaas van eiser afdoen. Bij het gestelde incident waren volgens eiser immers niet Turkse nationalisten betrokken. De situatie van Koerdische activisten die in de gevangenis zitten op beschuldiging van lidmaatschap van een verboden terroristische organisatie, moet, gezien de ongeloofwaardigheid van eisers relaas, niet op eiser van toepassing worden geacht. Daarbij komt dat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat hij tot aan zijn vertrek geen problemen heeft gehad in Turkije. Het in beroep overgelegde bericht van Amnesty International van 25 juli 2016 over mishandeling en marteling van gevangenen ziet niet op de periode waarin de gestelde inval in eisers woning plaats vond.

11. Dat een zoon van eiser met de Koerdische beweging meevecht in de bergen is eerst in beroep naar voren gebracht. Verweerder heeft deze niet-onderbouwde stelling niet hoeven te betrekken bij de beoordeling van het relaas van eiser. Eiser heeft niet kunnen uitleggen waarom hij dit niet tijdens het nader gehoor naar voren heeft gebracht. De verklaring van eiser tijdens het nader gehoor dat een zoon is vertrokken is zodanig vaag dat verweerder daarin geen asielrechtelijke relevantie hoefde te zien.

12. De slotsom is dat verweerder terecht het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft bovendien terecht tegengeworpen dat eiser verweerder heeft misleid, als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. De aanvraag is terecht als kennelijk ongegrond afgewezen.

13. Het beroep is ongegrond.

14. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. W. Evenhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: