Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:13203

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-10-2016
Datum publicatie
04-11-2016
Zaaknummer
NL 16.2272
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, Dublin Bulgarije. Omdat niet aannemelijk is dat sprake is van een onherroepelijk afwijzend besluit en evenmin is gebleken dat eiser afstand heeft gedaan van zijn recht op opvang, is, mede gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2076) niet aannemelijk dat eiser een reëel risico loopt na overdracht aan Bulgarije niet te worden overgebracht naar een opvangcentrum, maar te worden gedetineerd en geconfronteerd met de gestelde tekortkomingen in het detentieregime in Bulgarije, of vanuit detentie onvoldoende toegang te hebben tot de asielprocedure. Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn lichamelijke beperking afhankelijk is van zijn in Nederland verblijvende broer en zus. Beroep op artikel 16 Dublinverordening ongegrond. Verweerder heeft voorts in redelijkheid kunnen weigeren gebruik te maken van de bevoegdheid om de inhoudelijke behandeling van het asielverzoek van eiser op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: NL16.2272, [nummer]

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 oktober 2016 in de zaak tussen

[eiser]

gemachtigde: [a]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: [b]

Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting door de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 15 september 2016. Eiser en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving vooraf niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het onderzoek ter zitting is op 6 oktober 2016 voortgezet ter zitting van de meervoudige kamer. Beide partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Een broer, zus en zwager van eiser waren daarbij aanwezig.

Overwegingen

1. Op 10 juni 2016 heeft verweerder de autoriteiten van Bulgarije gevraagd eiser over te nemen op grond van de Dublinverordening (Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot het vaststellen van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend, PbEU 2013 L180). De Bulgaarse autoriteiten hebben niet binnen de termijn van twee weken gereageerd, waarmee sinds 25 juni 2016 de verantwoordelijkheid van Bulgarije van rechtswege vaststaat.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 niet in behandeling genomen. Verweerder heeft vastgesteld dat Bulgarije op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.

3. Eiser voert als beroepsgrond aan dat sprake is van systeemfouten in de Bulgaarse asielprocedure en opvangvoorzieningen, zodat ten aanzien van Bulgarije niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser betoogt daartoe dat hij Bulgarije langer dan drie maanden geleden heeft verlaten, waardoor zijn Bulgaarse asielprocedure ‘in absentia’ is beëindigd. Daardoor heeft eiser in Bulgarije geen recht op opvang meer en kan hij geen aanspraak meer maken op voorzieningen. Bij een eventuele herhaalde aanvraag bestaat niet langer het recht gehoord te worden. Daarnaast betoogt eiser dat hij gedurende zijn eerdere verblijf in Bulgarije is vernederd, mishandeld en beroofd door de Bulgaarse politie. Ter onderbouwing verwijst eiser naar het rapport “Research Note: Reception conditions, detention and procedural safeguards for asylum seekers and content of international protection status in Bulgaria” van ECRE/ELENA van februari 2016, het “Country Report: Bulgaria” van de Asylum Information Database (AIDA) van oktober 2015 en het rapport van het Bulgaars Helsinki Comité van 1 april 2016.

3.1

Uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat Bulgarije zijn verdragsverplichtingen zal nakomen en dat het aan eiser is aannemelijk te maken dat dit anders is.

3.2

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in Bulgarije sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat eiser in dat land een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

3.3

Uit het AIDA-rapport van oktober 2015 en het daarop gebaseerde ECRE/ELENA-rapport van februari 2016 volgt dat, als nog geen inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag heeft plaatsgevonden, de asielprocedure wordt hervat in de fase waarin deze zich bevond en dat een inhoudelijke beoordeling van het relaas wordt verzekerd. Uit het AIDA-rapport kan voorts worden afgeleid dat Dublinterugkeerders toegang krijgen tot de opvang zolang een afwijzende inhoudelijke beslissing op de asielaanvraag niet onherroepelijk is geworden. Detentie is alleen aan de orde bij terugkeer van een Dublinclaimant als sprake is van een in rechte vaststaande ‘final decision’ op de asielaanvraag.

3.4

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de Bulgaarse autoriteiten niet zullen overgaan tot inhoudelijke behandeling van eisers aanvraag en dat eiser geen recht meer heeft op opvang(voorzieningen). Verweerder heeft eiser bij de Bulgaarse autoriteiten geclaimd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening, dat ziet op terugname van een asielzoeker wiens verzoek bij de verantwoordelijke lidstaat in behandeling is. De Bulgaarse autoriteiten hebben dit verzoek niet geweigerd of weersproken, waardoor sprake is van een fictief claimakkoord. Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt dat in zijn geval sprake is van een onherroepelijk afwijzend besluit. Gelet hierop mag verweerder er op grond van de onder 3.3 vermelde informatie van uitgaan dat de behandeling van het asielverzoek van eiser dat in Bulgarije is ingediend zal worden voortgezet en dat zijn asielverzoek inhoudelijk zal worden behandeld. Eiser maakt dan ook niet aannemelijk dat hij bij terugkeer als illegale vreemdeling zal worden aangemerkt. Voor zover eiser betoogt dat hij meer dan drie dagen de opvang heeft verlaten, heeft verweerder kunnen verwijzen naar het e‑mailbericht van de Bulgaarse autoriteiten aan verweerder van 19 juli 2016 waaruit – voor zover hier van belang – blijkt dat voor vreemdelingen die in het kader van de Dublinverordening terugkeren en die zich in deze situatie bevinden, geldt dat ook hun asielprocedure kan worden hervat. Eiser betoogt dat deze reactie van de Bulgaarse autoriteiten niet in lijn is met de praktijk die door het Bulgaars Helsinki Comité blijkens zijn rapport van 1 april 2016 is waargenomen. Nu dit rapport echter ziet op 2015 en er nadien wijzigingen hebben plaatsgevonden in de Bulgaarse asielwetgeving, zoals eveneens volgt uit voormeld e‑mailbericht, kan dit betoog naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer afdoen aan de recentere informatie van de Bulgaarse autoriteiten. Nu daarnaast niet aannemelijk is dat sprake is van een onherroepelijk afwijzend besluit en evenmin is gebleken dat eiser afstand heeft gedaan van zijn recht op opvang, is, mede gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2076) niet aannemelijk dat eiser een reëel risico loopt na overdracht aan Bulgarije niet te worden overgebracht naar een opvangcentrum, maar te worden gedetineerd en geconfronteerd met de gestelde tekortkomingen in het detentieregime in Bulgarije, of vanuit detentie onvoldoende toegang te hebben tot de asielprocedure. Of de Bulgaarse autoriteiten eiser als kwetsbaar persoon zullen (h)erkennen, is hiervoor niet bepalend en kan dan ook in het midden blijven.

3.5

Dat eiser stelt te zijn beroofd, vernederd en mishandeld door de Bulgaarse politie, maakt evenmin dat verweerder ten aanzien van Bulgarije niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Verweerder acht deze gebeurtenissen niet aannemelijk omdat eiser deze niet heeft onderbouwd met stukken. Nu eiser over deze incidenten naar gesteld in Bulgarije contact heeft gehad met vertegenwoordigers van de United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR), acht de rechtbank het niet onredelijk dat verweerder van eiser verwacht zijn stelling met stukken te onderbouwen. Gesteld noch gebleken is dat eiser heeft geprobeerd zich tot de UNHCR te wenden om dergelijke stukken te verkrijgen.

De verwijzing naar voormelde algemene rapporten is onvoldoende om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Bulgarije een reëel risico loopt door de Bulgaarse politie te worden onderworpen aan een door artikel 4 van het Handvest verboden behandeling.

3.6

De beroepsgrond faalt.

4. Eiser voert als beroepsgrond aan dat hij vanwege zijn lichamelijke beperking afhankelijk is van zijn in Nederland verblijvende broer en zus. Verweerder had derhalve zijn asielverzoek op grond van artikel 16 van de Dublinverordening aan zich moeten trekken.

4.1

Artikel 16, eerste lid van de Dublinverordening bepaalt dat wanneer, wegens een zwangerschap, een pasgeboren kind, een ernstige ziekte, een zware handicap of hoge leeftijd, een verzoeker afhankelijk is van de hulp van zijn kind, broer of zus of ouder dat of die wettig verblijft in een van de lidstaten, of het kind, de broer of zus, of de ouder van de verzoeker dat of die wettig verblijft in een van de lidstaten afhankelijk is van de hulp van de verzoeker, de lidstaten er normaliter voor zorgen dat de verzoeker kan blijven bij of wordt verenigd met dat kind, die broer of zus, of die ouder, op voorwaarde dat er in het land van herkomst familiebanden bestonden, het kind, de broer of zus, of de ouder of de verzoeker in staat is voor de afhankelijke persoon te zorgen en de betrokkenen schriftelijk hebben verklaard dat zij dit wensen.

4.2

Eiser heeft in de beroepsprocedure een patiëntendossier overgelegd waaruit blijkt dat hij in het verleden polio heeft gehad, waardoor hij moeilijk loopt en een brace moet dragen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn lichamelijke beperking afhankelijk is van zijn in Nederland verblijvende broer en zus. Uit het dossier blijkt niet dat eiser op dit moment medische zorg nodig heeft of onder medische behandeling staat. Ook indien hij zorg nodig zou hebben, is niet gebleken dat eiser deze zorg niet van anderen dan zijn broer en zus zou kunnen krijgen. De beroepsgrond faalt.

5. Als beroepsgrond voert eiser verder aan dat verweerder met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de behandeling van de asielaanvraag aan zich had moeten trekken.

5.1

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, voor zover thans van belang, kan verweerder, in afwijking van artikel 3, eerste lid, een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

Volgens paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000, voor zover hier van belang, maakt verweerder terughoudend gebruik van deze bevoegdheid. Verweerder gebruikt die bevoegdheid in ieder geval indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.

5.2

Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht van eiser aan Bulgarije van een onevenredige hardheid zou getuigen. Daartoe heeft verweerder kunnen overwegen dat eiser de door hem gestelde problemen met de Bulgaarse politie niet heeft onderbouwd. Wat betreft de medische problemen van eiser heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat, hoewel niet is gebleken dat eiser daarvoor medische zorg nodig heeft, medische zorg blijkens het AIDA-rapport in de opvang beschikbaar is. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze zorg niet van een vergelijkbaar niveau is als in Nederland.

5.3

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder in redelijkheid kunnen weigeren gebruik te maken van de bevoegdheid om de inhoudelijke behandeling van het asielverzoek van eiser op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken. De beroepsgrond faalt.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, voorzitter, en mr. W.M.P.M. Weerdesteijn en mr. B. van Velzen, leden, in aanwezigheid van mr. N.S.J. Letschert, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2016.

griffier voorzitter

Deze uitspraak is op 27 oktober 2016 in het digitaal dossier geplaatst.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na plaatsing in het digitaal dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.