Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:13199

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-11-2016
Datum publicatie
08-11-2016
Zaaknummer
C/09/490538 / HA ZA 15-702
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

“Beroepsaansprakelijkheid advocaat. Gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding met nevenverzoeken. Zware zorgplicht voor beide partijen. Advocaat heeft zich onvoldoende ervan vergewist dat een van betrokken partijen de inhoud van de in het echtscheidingsconvenant overeengekomen regeling wat betreft de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden heeft begrepen. Advocaat had ofwel niet de opdracht tot het indienen van een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding met nevenverzoeken moeten aanvaarden, hoe ‘praktisch’ en overeenkomstig de wens van partijen ook, ofwel (ook) die partij meer specifiek moeten informeren over zijn rechtspositie dan hij thans heeft gedaan.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2017/38
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/490538 / HA ZA 15-702

Vonnis van 2 november 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. E.P.D. van Grondelle te Heemstede ,

tegen

[gedaagde] , h.o.d.n. [X] & [Y] Advocaten,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.J.G. Boender-Lamers te Rotterdam.

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 8 juni 2015, met de producties 1 tot en met 13;

  • -

    de conclusie van antwoord, met de producties 1 tot en met 11;

  • -

    het tussenvonnis van 9 september 2015, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 21 december 2015, met daaraan gehecht de brief van 5 januari 2016 van de zijde van [eiser] en de brief van 7 januari 2016 van de zijde van [gedaagde] , inhoudende een aantal opmerkingen op het proces-verbaal;

  • -

    de akte houdende vermeerdering van eis, met de producties 14 tot en met 17;

  • -

    de antwoordakte eisvermeerdering;

  • -

    de brief van de zijde van [eiser] d.d. 21 maart 2016, met productie 18;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van 4 april 2016.

1.2.

Laatstgenoemd proces-verbaal is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. Aan de zijde van [gedaagde] is van deze gelegenheid gebruikgemaakt bij faxbericht van 18 april 2016. Het faxbericht is aan het proces-verbaal gehecht. In dit vonnis wordt voor zover nodig op de inhoud van de opmerkingen ingegaan.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en mevrouw [A] (hierna [A] ) zijn op 8 juni 1990 op huwelijkse voorwaarden gehuwd. Uit het huwelijk zijn twee, thans meerderjarige, kinderen ( [k1] en [k2] ) geboren.

2.2.

[eiser] is gedurende het huwelijk werkzaam geweest als zelfstandig ondernemer; hij was consultant op het gebied van marketing van ict-producten, gadgets. Hij was aandeelhouder in RWN Holding B.V. Per 15 januari 2004 is hij in loondienst gegaan bij Samsung. Zijn jaarinkomen beliep destijds tussen de € 65.000 - € 75.000. [A] was en is werkzaam als stewardess. Zij heeft een eigen inkomen.

2.3.

De akte huwelijkse voorwaarden bepaalt, voor zover relevant, het volgende:

Artikel 1.
Tussen de echtgenoten zal geen enkele gemeenschap van goederen of van inkomsten bestaan.
(…)
Artikel 3.
Na afloop van elk kalenderjaar zijn de echtgenoten gehouden hetgeen van hun gewone jaarlijkse inkomsten (verminderd met de in artikel 2 bedoelde kosten) onverteerd is, bij helfte te verdelen.
(…)’
2.4. [eiser] heeft voorhuwelijks een perceel grond aangekocht ten behoeve van de bouw van een woning aan het [adres 1] 4 te [plaats 1] (hierna: de woning te [plaats 1] ). Partijen zijn na de bouw van deze woning hier gaan wonen.

2.5.

[eiser] is met ingang van 31 augustus 2000 bij DBV-verzekeringen een verzekering aangegaan, waarbij kapitaal is ingelegd.

2.6.

[eiser] en [A] hebben bij akte van 13 mei 2002 aan BLG Hypotheken hypotheek op de woning verleend ten bedrage van € 225.000. Blijkens de nota van afrekening naar aanleiding van deze vestiging van hypotheek is op dat moment ook sprake geweest van aflossing van een hypotheek ten gunste van ABN AMRO ten bedrage van
€ 104.588,05. [eiser] en [A] hebben niet afgelost op de hypotheek van € 225.000.

2.7.

[eiser] heeft een bedrag van € 120.000 van de op 13 mei 2002 gevestigde hypothecaire geldlening aangewend voor de aankoop van het recht van erfpacht van een perceel grond met bungalow aan de [adres 2] 12B-330 te [plaats 2] (hierna: de woning te [plaats 2] ).

2.8.

In 2002 zijn partijen uit elkaar gegaan. [A] is met [k2] en [k1] in de woning blijven wonen.

2.9.

[eiser] heeft [A] een voorstel afwikkeling huwelijkse voorwaarden, gedateerd 19 december 2002 gedaan:
‘(…)
Ad 2 Alimentatie (…)
(…)
Partner: Voor partner alimentatie is geen financiële ruimte
Ad 4. Pensioen
De door ons beide afzonderlijk opgebouwde pensioenrechten bij onze vorige en huidige werkgevers vanaf de datum van ons samenlevingscontract tot het moment van de beëindiging van ons huwelijk (1 juli 2002) zal wederzijds gelijkelijk verdeeld worden. Ergo: jij hebt recht op de helft van het door mij opgebouwde pensioenrechten en ik heb recht op de helft dan de door jouw opgebouwde pensioenrechten.

Ad. 5 Woning
De toekomstige overwaarde van de woning aan het [adres 1] 4 te [plaats 1] zullen we in gelijke delen (ITD) verdelen en contant maken na 12 jaar hetgeen overeenkomt met de wettelijke termijn onder de voorwaarde dat een verrekening zal plaatsvinden met de zaken als vermeld in ad 6, ad 7 en ad 8. Deze verrekening noem ik hierbij de finale eindafrekening.

Ad 6. Woonrecht
Jij krijgt de komende 12 jaar (tot 1 juli 2014) het recht om in de woning aan de [adres 1] 4 te [plaats 1] te blijven wonen, waarbij ik de hypotheekrente zal blijven betalen gedurende deze 12 jaar. Deze kosten (WR) zullen worden verrekend met het bedrag van jouw ITD .

Ad 7. Inboedel
Zorgvuldige berekeningen geven aan dat de waarde van onze inboedel € 50.000,-- bedraagt gebaseerd op aanschafwaarde. Daarvan bevindt zich 90% in het huis aan het [adres 1] . Logisch lijkt mij dat dit ook zo blijft. Redelijk is om gezamenlijk een bedrag vast te stellen van de huidige waarde van deze totale inboedel ( IB ) en deze als bedrag te verrekenen met jouw ITD . (…)

Ad 8 Auto
De Seat Arosa van September 2002, met de waarde van € 13.635 ( SA ) wordt jouw eigendom en het bedrag wordt eveneens verrekend met jouw ITD .

(…)


Ad 11. Veranderde omstandigheden in de leefsituatie
De afspraken omtrent het woonrecht gelden alleen en voor zolang je niet met iemand anders samenwoont. Bij wijziging van de situatie door samenwonen valt het woonrecht in principe aan mij terug en zal de finale eindafrekening per die datum opgemaakt worden.

Finale eindafrekening
Jouw individuele toekomstig deel ( ITD ) wordt na afloop van de wettelijke termijn van 12 jaar (1 juli 2014) verrekend met het woonrecht van de woning aan het [adres 1] 4 te [plaats 1] ( WR ), de inboedel ( IB ) die in het huis is achtergebleven en de auto (SA).

De berekening is als volgt:

  • -

    de toekomstige verkoopwaarde van de woning bedraagt: TVKW .

  • -

    de huidige hypotheek op de woning bedraagt: HH

  • -

    de toekomstige vrije overwaarde van de woning bedraagt: TVKW-HH

  • -

    Ieders gelijke deel bedraagt: ( TVKW – HH )/ 2 = ITD

De finale eindafrekening voor jou is aldus: ITD – WR – IR – SA

Samenvatting en uitleg

Dit voorstel houdt rekening met de waardegroei van het aan jou toegewezen vrije waarde aandeel van de woning aan het [adres 1] 4 te [plaats 1] . Dit betekent het volgende:

  • -

    Het bedrag volgens ITD zal, afhankelijk van de markt ontwikkelingen, groeien danwel dalen in absolute zin over de komende 12 jaar.

  • -

    Het bedrag WR zal worden berekend na afloop van de 12-jaar periode zijnde de betaalde netto (na belasting) hypotheekrente over het uitstaande hypotheekbedrag HH, geïndiceerd en gecorrigeerd na de historisch bekende inflatie cijfers van de Nederlandse Bank.

  • -

    Het bedrag van de inboedel (IB), nader te bepalen, wordt bevroren.

  • -

    Het bedrag van de auto (SA), zijnde € 13.635, wordt bevroren.

De uitkomst van de berekening wordt op 1 juli 2014 gemaakt en wordt dan in overleg en na verkoop van de woning [adres 1] 4 te [plaats 1] overgemaakt op jouw rekening.

Conclusie
Uitgangspunt bij dit voorstel is en blijft dat jij, [k1] en [k2] goed kunnen leven in de vertrouwde omgeving en dat jij je leven met toevoeging van je eigen inkomen redelijk gelijkwaardig kunt voortzetten. Ik heb begrepen dat onze huwelijkse voorwaarden nogal wat verplichtingen over en weer uitsluiten maar ik wil graag dat wij de zaken zo eerlijk mogelijk verdelen. Ik hoop dan ook dat we het eens kunnen worden met dit voorstel.’
2.10. Bij e-mail van 20 juni 2003 heeft [eiser] aan [A] geschreven, voor zover relevant:

‘We hebben alles op een rijtje gezet en dat ziet er in de samenvatting als volgt uit:

1. je blijft wonen, zonder huurkosten , in HD de woning, toevoeging rechtbank). tot bijvoorbeeld 2012
2. je krijgt, op de einddatum, een bedrag overgemaakt, komen we overeen.
3. standaard regeling alimentatie kids
4. pensioenen verdeling
5. extra bijdrage gezin voor sport, hobby’s, vakanties etc zodra ik weer voldoende inkomsten heb
6. afspraken bezoekregeling kids
Bovenstaande gaan we samen uitschrijven en nemen dan de volgende stap via Teurlings & Ellens, Advocaten.’
2.11. Bij dit e-mailbericht heeft [eiser] tevens aan [A] doen toekomen een beschrijving van de werkwijze van Advocatenkantoor Teurlings & Ellens en een concept echtscheidingsconvenant in een format van dit advocatenkantoor, gedateerd juni 2003 (versie 1). Blijkens dit conceptechtscheidingsconvenant zijn partijen op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Dit concept luidt, voor zover relevant:


ALIMENTATIE VROUW
Artikel 5 Nihilbeding
Partijen doen over en weer afstand van hun rechten op alimentatie jegens elkaar. Dit beding kan niet bij rechterlijke uitspraak worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden (behoudens het bepaalde in art. 1:159 lid 3 BW)

DE BOEDELVERDELING
Artikel 6 Omvang van de huwelijksgemeenschap en peildatum
6.1 Als peildatum voor de omvang van de gemeenschap, de waardering van de goederen van de gemeenschap van partijen geldt 1 juli 2002;
Artikel 7 Verdeling
7.1 Partijen zijn overeengekomen
. de totale waarde van de inboedel, na afschrijving, en de gelijke verdeling hiervan
. de waarde van andere roerende goederen en de gelijke verdeling hiervan
Tevens zijn partijen overeengekomen dat
. de man de woning ten behoeve van de vrouw zal aanhouden tot tenminste 1 juli 2012
en dat
. de vrouw bewoning ‘met recht’ verkrijgt tot in ieder geval 1 juli 2012
. de vrouw een bedrag toebedeeld krijgt van € 50.000,00 bij het verlaten van de woning op 1 juli 2012 of zoveel eerder als de vrouw wenselijk acht.

Artikel 8 Bijzondere kosten
8.1 De man zal ten behoeve van de vrouw stipt op tijd blijven voldoen
. alle vaste lasten en noodzakelijke onderhoudskosten van de echtelijke woning, waaronder de hypothecaire verplichtingen, alsmede alle verzekeringspremies die op de woning betrekking hebben;
(…)

Artikel 9 Woning
9.1 De man is en blijft eigenaar van de woning:
(…)
9.3 De hypothecaire geldlening wordt geheel aan de man toegescheiden en de bank ontslaat de vrouw uit haar hoofdelijke verplichtingen jegens de hypotheekhouder.
(…)
9.5 De vrouw verkrijgt bewoning ‘met recht’ op het huis tot 1 juli 2012 (…)


Artikel 10 Regeling pensioenverevening
Het door de man en de vrouw opgebouwde pensioen tijdens huwelijk zal tussen partijen worden verdeeld; partijen werken mee aan melding aan de pensioenuitvoerder(s) en zullen het daartoe bestemde formulier ondertekenen.’
2.12. Een tweede concept echtscheidingsconvenant, gedateerd december 2003 (versie 2) en eveneens in een format van Advocatenkantoor Teurlings & Ellens, luidt, voor zover relevant:

Artikel 11 Verdeling
11.1 Partijen zijn overeengekomen
. de totale waarde van de inboedel, na afschrijving, en de gelijke verdeling hiervan
. de waarde van andere roerende goederen en de gelijke verdeling hiervan
Tevens zijn partijen overeengekomen dat
. de vrouw bewoning met recht verkrijgt (zie artikel 2) tot in ieder geval 1 juli 2014
. de man de woning ten behoeve van de vrouw zal aanhouden tot tenminste 1 juli 2014
en dat
. de vrouw een bedrag toebedeeld krijgt van € 50.000,00 bij het verlaten van de woning op 1 juli 2014 of zoveel eerder als de vrouw wenselijk acht.
(…)

Artikel 13 Regeling pensioenverevening
Het door de man en de vrouw opgebouwde pensioen tijdens het huwelijk zal tussen partijen worden verdeeld; partijen werken mee aan melding aan de pensioenuitvoerder(s) en zullen het daartoe bestemde formulier ondertekenen.’
2.13. Op basis van de genoemde voorstellen en concepten hebben [eiser] en [A] overleg gepleegd. Overeenstemming is uitgebleven.

2.14.

In december 2003 heeft [A] zich tot [gedaagde] gewend met het verzoek haar belangen te behartigen in verband met de afwikkeling van de echtscheiding. Zij heeft meerdere besprekingen op het kantoor van [gedaagde] gehad. [gedaagde] heeft een toevoeging aangevraagd ten behoeve van [A] .

2.15.

Bij brief van 2 januari 2004 heeft [eiser] zijn financiële gegevens naar [A] opgestuurd. Deze brief luidt, voor zover relevant:


‘Hier de nodige paperassen.
(…)
Vraag even of we op basis van de beschikbare gegevens het gesprek met je advocaat kunnen aangaan?’

2.16.

[A] heeft de financiële gegevens van [eiser] aan [gedaagde] verstrekt. [gedaagde] heeft een alimentatierekening opgesteld en deze bij brief van 26 maart 2004 aan [eiser] doen toekomen. [eiser] is verzocht om na bestudering van de stukken telefonisch contact met [gedaagde] op te nemen om de stukken te kunnen bespreken.

2.17.

Op 11 mei 2004 heeft er een bespreking plaatsgevonden op het kantoor van [gedaagde] . Bij deze bespreking waren [A] en [eiser] aanwezig.

2.18.

Op 16 juni 2004 heeft [eiser] een faxbericht naar [gedaagde] gestuurd. Dit faxbericht luidt, voor zover relevant:


‘ [A] en ik hebben op Maandag 14 juni 2004 wederom kontakt gehad en zijn tot weer een nieuwe (!) overeenkomst gekomen. En dat moet dan maar gelijk de laatste zijn ook. Ik heb [A] daarbij gevraagd het gesprek samen te vatten zodat ze het zich beter kan herinneren en er niet weer op terug komt.
(…)
Overeengekomen:
- [A] ’s deel uit overwaarde huis en verrekening inboedel/auto is in gezamenlijk overleg bepaald op € 120.000.
- Daarnaast worden de inboedel en de auto (Seat Arosa, bijlage 1) toegewezen aan [A]
- De betaling van de € 120.000 wordt uitgesteld omdat de woning bewoond blijft gedurende de wettige alimentatie periode (max. 12 jaar) door [A] en onze kinderen
- [A] ontvangt een vergoeding op de uitgestelde betaling door het verschil van de toekomstige waarde in 2016 en de huidige waarde van € 362.500 in 2004 te vermenigvuldigen met 0,33. De uitkomst van deze berekening en het initieel vastgestelde bedrag van € 120.000 vormen tezamen het totale bedrag dat [A] uitgekeerd krijgt op een nader te bepalen datum in 2016. Op diezelfde datum zal zij het huis ook verlaten.

Daarnaast de bedragen mbt alimentatie voor [A] . (€ 1000) en huur (€ 275) zoals eerder besproken.

Gegeven het feit dat gelijke verdeling uitgangspunt is (!) wil ik 1 punt nog onder de aandacht brengen en dat is een mogelijke rente verhoging in de toekomst. (va 2008) Het lijkt mij billijk als mogelijke extra kosten in de rente (bruto = netto) volgens een verdeelsleutel vastgelegd worden in het convenant. Welke verdeling reëel is laat ik graag aan U over. (…)’

2.19.

[gedaagde] heeft de in voornoemde e-mail genoemde overeenkomst met [A] doorgenomen en op basis daarvan een concept echtscheidingsconvenant opgesteld, gedateerd 15 juli 2004. [eiser] heeft bij faxbericht van 10 augustus 2004 aan [gedaagde] zijn commentaar op dit conceptconvenant gegeven. Dit faxbericht vermeldt, voor zover relevant:

‘De afspraken zoals gemaakt tijdens ons onderhoud op 11 mei 2004 ter uwer kantoor en enkele gesprekken tussen [A] en mij in de periode daarna, is door u op een heldere wijze weergegeven in het concept convenant van 15 juli 2004. Een bespreking over de inhoud van het concept convenant met [A] na ontvangst hiervan heeft tot dusverre helaas nog niet plaats kunnen vinden. Daarom stuur ik U nu bij deze mijn commentaar op het concept:
In grote lijnen ben ik akkoord met hetgeen u beschreven heeft, echter ik voel mijn rechtspositie niet geheel gewaarborgd voor de toekomst. Onderstaand leg ik u mijn commentaar voor en in de bijlage ziet U puntsgewijs de wijzigingen en toevoegingen die ik voor ogen heb waarbij ik ervan uitga dat U deze punten op redelijkheid en haalbaarheid zult toetsen en op zult nemen/wijzigen in het convenant.’
2.20. Uiteindelijk hebben [eiser] en [A] de financiële en andere gevolgen van de echtscheiding vastgelegd in een definitief echtscheidingsconvenant (hierna: het convenant).

2.21.

Het convenant luidt, voor zover relevant, als volgt:

‘IN AANMERKING NEMENDE :
- partijen zijn op 8 juni 1990 te [plaats 1] met uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd;

(…)
Artikel 2 Alimentatie ten behoeve van de vrouw

2.1.

Uitgaande van de huidige inkomsten van de vrouw, zal de man € 1.067,01 per maand bijdragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

(…)

Artikel 3 De woning te [plaats 1] aan het [adres 1] 4 en daarmee verband houdende rechten en lasten
3.1. De woning te [plaats 1] aan het [adres 1] 4 behoort uitsluitend de man in eigendom toe.


(…)

3.4.

Partijen stellen de waarde van de woning te [plaats 1] aan het [adres 1] 4 op een bedrag van € 362.500,00 en gaan uit van een hypothecaire geldlening ad € 105.000,00. Voor wat betreft de verdeling van de overwaarde en het tijdstip van uitbetaling van het aandeel van de vrouw in de overwaarde, wordt verwezen naar artikel 3.10.

3.5.

De vrouw heeft het recht gedurende een periode van maximaal 12 jaren na de ontbinding van het huwelijk met de kinderen in de woning te [plaats 1] aan het [adres 1] 4 te blijven wonen. De man zal gedurende deze periode de woning niet verkopen.

3.6.

De man verhuurt hierbij voormelde woning aan de vrouw, gelijk de vrouw van de man deze woning huurt, voor een huurprijs van € 275,00 per maand. Op deze huur is de gebruikelijke indexering van toepassing, voor het eerst op 1 juli 2005.

(…)

3.10.

Na het verstrijken van de in 3.5 genoemde periode, dan wel zoveel eerder als partijen overeenkomen, zal de man aan de vrouw de somma van € 120.000,- betalen. Op voormeld bedrag zal geen rente vergoed worden.

3.11.

In plaats van een rentevergoeding over voormeld bedrag zal de vrouw in 2016 een vergoeding ontvangen van de man gelijk aan het verschil van de toekomstige waarde van de woning in 2016 en de huidige waarde van de woning in 2004 ad € 362.500,00 te vermenigvuldigen met 0,33.

3.12.

Na ontvangst van de in 3.9 en 3.10 (lees 3.10 en 3.11, toevoeging rechtbank) genoemde bedragen zal de vrouw de woning verlaten.

3.13.

De vrouw is volledig vrij in haar keuze voor wat betreft haar samenlevingssituatie in de woning aan het [adres 1] gedurende de afgesproken huurperiode van 12 jaar.

3.14.

Een wijziging in de woonsituatie van de vrouw is van invloed op de huursom, ongeacht het wel of niet officieel registeren van de gewijzigde samenlevingsvorm en dient onverwijld aan de man gemeld te worden.

3.15.

Voor een nieuwe situatie geldt een periode van 3 maanden waarin de huursom niet aangepast zal worden. Duurt de periode langer dan 3 maanden dan zal de huursom aangepast worden.

3.16.

De situatie waarin dezelfde persoon binnen 3 maanden weer vertrekt en op enig moment na de periode weer terugkeert wordt aangemerkt als continuering van de situatie zoals omschreven in artikel 3.15 waarop huursom aanpassing direct van toepassing is.

3.17.

De initiële huursom (jaarlijkse indexatie van toepassing) wordt, rekening houdende met het inkomen van de nieuwe levenspartner, als volgt aangepast:

(…)

Artikel 4 Pensioenrechten

(…)

4.4.

De man heeft pensioen opgebouwd bij DBV, op welke de Wet verevening pensioenrechten niet van toepassing is. Het pensioenkapitaal is belegd en wordt behoord door Dryden ( www.dryden.com ). De waarde per 6 augustus 2004 bedraagt USA dollars 165.938,46 en is een momentopname.

(…)
4.6. Het door de man opgebouwde recht op voormeld ouderdomspensioen zal bij helfte tussen partijen worden verdeeld. Het pensioen blijft tot de 65-jarige leeftijd van de man in beheer bij DBV en zal tussentijds niet door de man worden afgekocht.

(…)

Artikel 5 Verdeling van overige activa en passiva
5.1. Aan ieder der partijen worden toegedeeld de bij ieder van hen in bezit en gebruik zijnde kleren, lijfgoederen en sieraden, zonder dat dat tot enige verrekening van de waarde leidt.

5.2

De inboedelgoederen worden aan de vrouw toegescheiden.

5.3

De auto, merk Seat Arosa, kenteken [A] 2 wordt aan de vrouw

toegescheiden.

5.4

De auto, merk Masda, kenteken [kenteken] wordt aan de man toegescheiden.

Artikel 6 Kwijting en vrijwaring
Partijen verklaren hierbij de tussen hen bestaande huwelijksgemeenschap met inachtneming van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid te hebben verdeeld en zij verklaren tevens, behoudens met betrekking tot de rechten en verplichtingen genoemd in dit convenant, niets meer van elkaar te vorderen te hebben en elkaar algehele en finale kwijting te verlenen.’
Het echtscheidingsconvenant is door [A] en [eiser] op respectievelijk 21 en 28 september 2004 ondertekend.

2.22.

Bij verzoekschrift van 21 september 2004 heeft [gedaagde] namens [A] en [eiser] een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding met nevenverzoeken ingediend bij de rechtbank Haarlem, thans de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem. De rechtbank is verzocht tussen partijen de echtscheiding uit te spreken en te bepalen dat de (toen minderjarige) kinderen hun hoofdverblijfplaats bij [A] hebben, een kinderalimentatie van € 253,50 per kind per maand en een partneralimentatie van € 1.067,01 per maand vast te stellen, te bepalen dat [A] het voortgezet gebruik van de woning te [plaats 1] heeft na de ontbinding van het huwelijk en “de verdeling ten overstaan van een notaris van de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap te bevelen” met benoeming van een notaris en onzijdige personen.

2.23.

Bij beschikking van 19 oktober 2004 heeft voornoemde rechtbank de echtscheiding tussen [eiser] en [A] uitgesproken en de nevenverzoeken toegewezen zoals verzocht.

2.24.

Vervolgens heeft [gedaagde] een akte van berusting tevens verzoek tot inschrijving van de echtscheidingsbeschikking opgesteld, gedateerd 26 oktober 2004, die [eiser] heeft ondertekend.

2.25.

Op 1 november 2004 is het huwelijk ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijk stand van de gemeente [plaats 1] .

2.26.

In de zomer van 2013 heeft [eiser] mr. Van Grondelle benaderd in verband met de in het convenant opgenomen huurafspraken (hierna: de huurconstructie).

2.27.

Bij brieven van 14 januari 2014 en 16 februari 2015 is [gedaagde] door [eiser] aansprakelijk gesteld wegens beroepsfouten. [gedaagde] heeft bij brieven van 20 januari 2014 en 30 maart 2015 de gestelde aansprakelijkheid van de hand gewezen.

2.28.

[eiser] heeft [A] in een gerechtelijke procedure betrokken en onder meer, met een beroep op dwaling, de partiële vernietiging van het echtscheidingsconvenant gevorderd. De rechtbank Noord-Holland heeft de vordering van [eiser] bij vonnis van 26 november 2014 afgewezen. Zij heeft in dit verband mede overwogen dat “uit de tussen partijen gevoerde correspondentie en uit de door de man of in zijn opdracht opgestelde concepten (zoals hierboven onder 2.4 tot en met 2.6 weergegeven), die vooraf gingen aan het definitieve echtscheidingsconvenant, blijkt dat het de intentie van de man was om de vrouw in de woning te laten wonen en een verrekenplicht voor de man te laten ontstaan, en aldus af te wijken van de huwelijkse voorwaarden.” Tegen dit vonnis heeft [eiser] geen hoger beroep ingesteld, waarmee de uitspraak onherroepelijk is geworden. [eiser] heeft ten behoeve van deze procedure advocaat- en proceskosten gemaakt voor een totaalbedrag van € 8.298,83.

2.29.

[A] is op enig moment met een nieuwe partner in de woning gaan samenleven. Vanwege deze samenleving is de huur verhoogd naar € 1.065,- per maand. In februari 2015 is de samenlevingsrelatie van [A] met haar partner geëindigd. Sinds 1 juli 2015 voldoet [A] weer de oorspronkelijke huur van € 275,- per maand, vermeerderd met een indexering.

2.30.

Bij e-mail van 28 juni 2015 heeft [eiser] aan [A] geschreven, voor zover relevant: “Hierbij deel ik u mede dat de huur (jaarlijkse verhoging) met 2% verhoogd wordt van € 1065 naar € 1086,30. De verhoging gaat per 1 juli in. Aangezien ik afgelopen maand € 705,12 te weinig ontvangen heb verzoek ik je dit bedrag tegelijkertijd met de nieuwe huur van de maand juli over te maken, in totaal € 1.791,42. Indien je hier geen gehoor aangeeft ben je in gebreke en zal ik genoodzaakt zijn stappen te ondernemen om de ontbrekende penningen te incasseren en de huurovereenkomst te ontbinden.”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - na wijzing van eis - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair
I. voor recht verklaart dat [gedaagde] jegens [eiser] niet de zorgvuldigheid heeft betracht die van hem als advocaat verwacht had mogen worden en uit dien hoofde toerekenbaar is tekortgeschoten dan wel onrechtmatig heeft gehandeld en dientengevolge schadeplichtig is geworden jegens [eiser] ;
II. [gedaagde] verplicht de schade die [eiser] dientengevolge heeft geleden en nog zal lijden aan [eiser] te vergoeden, zijnde:

a) de door [eiser] te betalen overbedelingsvergoeding van € 120.000, te vermeerderen met de correctiefactor ex artikel 3.11 van het convenant;
b) de schade ten gevolge van de verdeling van helfte van de DBV-polis (nader te bepalen door een deskundige);
c) de door [eiser] gemaakte en hiervoor onder 2.28. genoemde advocaat- en proceskosten ten bedrage van € 8.298,83;
d) de huurinkomsten die [eiser] vanaf 1 juni 2015 derft, te vermeerderen met de wettelijke rente over de tijd dat [A] in de woning te [plaats 1] verblijft en ten aanzien van de betaling van de huur in verzuim is;

Subsidiair
III. een zodanige beslissing neemt ten aanzien van het onder sub I en II gevorderde als de rechtbank geraden acht, met veroordeling van [gedaagde] is de kosten van deze procedure, inclusief nakosten.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen tekortschieten van [gedaagde] in de uitvoering van zijn opdracht aan [gedaagde] , althans onrechtmatig handelen van [gedaagde] jegens [eiser] ten grondslag. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] (samengevat) hem niet deugdelijk geadviseerd en geïnformeerd over zijn juridische positie op basis van de huwelijkse voorwaarden en heeft hij aldus niet de zorgvuldigheid in acht genomen die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Meer specifiek stelt [eiser] dat [gedaagde] heeft nagelaten te onderzoeken of er ten aanzien van de woning een verrekeningsverplichting bestond en hem ten onrechte heeft meegedeeld dat hij verplicht was de overwaarde van de woning te [plaats 1] te delen met [A] . [gedaagde] heeft ook ten aanzien van de polis bij DBV nagelaten te onderzoeken of de stamrechtcomponent en de lijfrentecomponent van die polis in aanmerking kwamen voor verrekening. Ten slotte verwijt [eiser] [gedaagde] onvoldoende zorgvuldigheid te hebben betracht bij de redactie van het echtscheidingsconvenant ter zake de afspraken betreffende de door [A] verschuldigde huurprijs van de woning te [plaats 1] in relatie tot de afspraken betreffende de door [eiser] verschuldigde partneralimentatie. [eiser] stelt als gevolg van de fouten van [gedaagde] schade te hebben geleden en te zullen lijden, in ieder geval bestaande uit de hiervoor onder (a) tot en met (d) genoemde schadeposten.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Hij stelt dat hij als advocaat uitsluitend heeft opgetreden voor [A] . [A] heeft hem meegedeeld dat [eiser] werd bijgestaan door mr. Teurlings. [gedaagde] heeft [eiser] in een gesprek bij hem op kantoor meegedeeld dat hij de advocaat van [A] was en niet als gezamenlijk advocaat wilde optreden. [eiser] heeft, na advies te hebben ingewonnen bij een eigen advocaat, zijn eigen belangen behartigd. [A] en [eiser] waren zich ervan bewust dat zij in het echtscheidingsconvenant afweken van de huwelijkse voorwaarden. [gedaagde] heeft hen dit ook meegedeeld, [eiser] wilde echter een van de huwelijkse voorwaarden afwijkende regeling omdat hij wilde dat [A] en de kinderen overeenkomstig hun welstand tijdens het huwelijk verder konden leven. De woning te [plaats 2] en de spaargelden konden buiten de verrekening blijven. [gedaagde] heeft het echtscheidingsconvenant op verzoek van [A] opgesteld. [eiser] heeft aangegeven wat hij aangepast wilde hebben. Dit heeft [gedaagde] weer met [A] besproken en na haar akkoord in het echtscheidingsconvenant aangepast. [A] en [eiser] zijn zelf overeengekomen om het uit te betalen bedrag te stellen op € 120.000. [gedaagde] heeft dat niet geadviseerd, zeker niet aan [eiser] . Om praktische redenen is een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding ingediend. Daarmee is [gedaagde] echter geen advocaat van [eiser] geweest. [eiser] behartigde zijn eigen belangen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4
4. De beoordeling
4.1. Aan de orde is of [gedaagde] als beroepsbeoefenaar tegenover [eiser] de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht.

4.2.

Daartoe zal de rechtbank, gelet op de grondslag van de vorderingen van [eiser] , eerst beoordelen of en in hoeverre sprake is van opdrachtverlening van [eiser] aan [gedaagde] om zijn belangen te behartigen. Vervolgens zal zij beoordelen of en in hoeverre op [gedaagde] een contractuele, althans buitencontractuele zorgplicht tegenover [eiser] rust en zo ja, of deze zorgplicht door hem is geschonden. In dit verband zal eerst worden ingegaan op de verwijten van [eiser] in verband met de nalaten van [gedaagde] in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en vervolgens op die in het kader van de partneralimentatie en huur. Tevens komt alsdan aan de orde het verweer van [gedaagde] dat de vordering van [eiser] is verjaard, althans dat hij niet tijdig heeft geprotesteerd. Indien en voor zover de conclusie is dat [gedaagde] de op hem rustende zorgplicht heeft geschonden, zal daarna worden ingegaan op de vragen of sprake is van causaal verband tussen die schending en de schade die [eiser] stelt te hebben geleden en de omvang van de schade.

Opdrachtverlening?
4.3. Vaststaat dat [gedaagde] mede als advocaat van [eiser] een gemeenschappelijk verzoekschrift tot echtscheiding met nevenverzoeken heeft ingediend. De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat [gedaagde] wat betreft de indiening van deze verzoeken mede in opdracht van [eiser] heeft gehandeld. In die zin heeft hij niet alleen de belangen van [A] , maar ook die van [eiser] behartigd. De omstandigheid dat [gedaagde] , kennelijk, voor de door hem mede ten behoeve van [eiser] verrichte werkzaamheden in dit verband [eiser] geen kosten in rekening heeft gebracht, maakt dit niet anders.

4.4.

Verder neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat [eiser] voorafgaand aan de opdracht tot indiening van het gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding met nevenverzoeken geen opdracht aan [gedaagde] heeft verleend. Blijkens het verhandelde ter zitting van 21 december 2015 heeft [A] [gedaagde] ingeschakeld, waarna [gedaagde] een toevoeging ten behoeve van [A] heeft aangevraagd en verkregen. De declaratie van de eigen bijdrage en verschotten is aan [A] verstuurd. [eiser] zijn geen kosten voor verrichte werkzaamheden in rekening gebracht. De rechtbank neemt daarom aan dat uitsluitend [A] voorafgaand aan de indiening van het gemeenschappelijk echtscheidingsverzoek met nevenverzoeken aan [gedaagde] opdracht heeft verleend om haar belangen te behartigen. De omstandigheid dat [eiser] de eigen bijdrage van [A] heeft voldaan, is onvoldoende voor de conclusie dat [eiser] en [A] [gedaagde] van meet af aan gezamenlijk opdracht hebben verleend.

Zorgplicht [gedaagde] tegenover [eiser]
4.5. In het algemeen geldt dat aan het optreden van een advocaat - evenals aan dat van andere beroepsbeoefenaars - hoge eisen worden gesteld. Het staat een advocaat vrij om in een echtscheidingsprocedure op gemeenschappelijk verzoek voor beide partijen op te treden. Wel rust op die advocaat een zware zorgplicht voor beide partijen. De advocaat dient beide partijen te informeren over hun rechtspositie. Hij dient zich er van te vergewissen of beide partijen daadwerkelijk instemmen met de tussen partijen vastgestelde regelingen en of zij de inhoud van de overeengekomen regeling begrijpen. Indien een der partijen in de tussen partijen overeengekomen regelingen met minder genoegen neemt dan hem of haar volgens de wettelijke maatstaven dan wel gebruikelijke normen toekomt, dient de advocaat die partij daarop te wijzen en zich ervan te vergewissen dat de benadeelde partij daarmee nadrukkelijk instemt. Die verplichting bestaat ook indien aan de advocaat niet de opdracht is verleend om het echtscheidingsconvenant inhoudelijk te toetsen (vergelijk Hof van Discipline Limburg 11 januari 2016, ECLI:NL:TAHVD:2016:20).

4.6.

Nu [gedaagde] mede namens [eiser] een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding met nevenverzoeken bij de toenmalige rechtbank Haarlem heeft ingediend, is aan de orde of hij de zorgplicht die op hem tegenover [eiser] rustte uit hoofde van de tot die indiening strekkende opdracht, een contractuele zorgplicht derhalve, heeft geschonden.

Schending zorgplicht?

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

4.7.

[A] en [eiser] zijn onder huwelijkse voorwaarden gehuwd geweest, waarbij zij zijn overeengekomen dat tussen hen geen enkele gemeenschap van goederen of inkomsten zal bestaan. De huwelijkse voorwaarden bevatten tevens een zogenoemd periodiek verrekenbeding. Niet gesteld of gebleken is dat zij gedurende het huwelijk uitvoering hebben gegeven aan dit beding. Dit betekent dat op grond van artikel 1:141 lid 3 BW in beginsel het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen vermoed wordt te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Daarbij geldt dat voorhuwelijks vermogen (en vermogen verkregen krachtens erfrecht of schenking) in beginsel niet in aanmerking komt voor verrekening.

4.8.

De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] in vervolg op de stukken die [A] hem na haar opdrachtverlening aan hem heeft overhandigd, heeft gecorrespondeerd met [eiser] . De correspondentie tussen [gedaagde] en [eiser] had betrekking op een, door [gedaagde] opgestelde, alimentatieberekening en conceptechtscheidingsconvenant en is inhoudelijk van aard, waarbij [gedaagde] commentaar van [eiser] heeft verwerkt. Verder heeft ten kantore van [gedaagde] op 11 mei 2004 een inhoudelijke bespreking over de afwikkeling van de echtscheiding plaatsgevonden, waarbij [gedaagde] , [A] en [eiser] aanwezig waren.

4.9.

[gedaagde] heeft gesteld dat hij op 11 mei 2004 [eiser] mondeling heeft medegedeeld dat hij uitsluitend optrad voor [A] en dat hij niet als gezamenlijk advocaat zou optreden omdat [A] een eigen advocaat wilde, alsmede dat hij [A] en [eiser] er mondeling op heeft gewezen dat de afspraken die zij onderling hadden gemaakt, afweken van de huwelijkse voorwaarden en dat op basis van de huwelijkse voorwaarden het aanwezige vermogen alsnog verrekend zou moeten worden, voor zover dat is ontstaan uit overgespaarde inkomsten. [eiser] heeft een en ander betwist. Hierna neemt de rechtbank tot uitgangspunt (veronderstellenderwijs, want tussen partijen in geschil) dat [gedaagde] deze mededelingen aan [eiser] heeft gedaan.

4.10.

Tevens neemt zij tot uitgangspunt (als vaststaand, want niet tussen partijen in geschil) dat [A] en [eiser] om praktische redenen, ter besparing van kosten en in verband met de snelheid van de procedure, hebben gekozen voor de indiening van een gemeenschappelijk verzoekschrift tot echtscheiding met nevenverzoeken door [gedaagde] namens hen.

4.11.

In het echtscheidingsconvenant is vermeld dat [A] en [eiser] “met uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen” zijn gehuwd (preliminaire overwegingen). Niettemin is tevens bepaald dat [A] en [eiser] verklaren de “tussen hen bestaande huwelijksgoederengemeenschap met inachtneming van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid te hebben verdeeld” (artikel 6) en is in het echtscheidingsconvenant steeds de term ‘verdeling’ gebruikt (artikel 3.4., betreffende de overwaarde van de woning te [plaats 1] , artikel 4.6., betreffende het pensioen en artikel 5, betreffende de overige activa en passiva). Tevens is de rechtbank bij wege van nevenverzoek verzocht om “de verdeling ten overstaan van een notaris van de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap te bevelen”.

4.12.

Uit de tekst van het echtscheidingsconvenant en het bij de rechtbank ingediende gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding met nevenverzoeken blijkt derhalve niet duidelijk dat de in het echtscheidingsconvenant vervatte afspraken een verrekening van het vermogen van [A] en [eiser] behelzen en dat rechtens geen sprake heeft kunnen zijn van een verdeling van een tussen hen bestaande huwelijksgoederengemeenschap. De rechtbank gaat er desalniettemin vanuit (wederom veronderstellenderwijs, aangezien [eiser] ook deze stelling van [gedaagde] betwist) dat [eiser] bij het aangaan van het echtscheidingsconvenant ervan op de hoogte was dat géén sprake was van een verdeling van een tussen [A] en hem bestaande huwelijksgoederengemeenschap, maar van een verrekening van hun vermogen aangezien zij onder uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen gehuwd waren.

4.13.

[eiser] en [A] zijn blijkens het echtscheidingsconvenant overeengekomen, kort gezegd, dat de overwaarde van de woning (blijkens het convenant op dat moment gesteld op € 362.500 minus € 105.000 = € 128.750) wordt ‘verdeeld’, in die zin dat [eiser] aan [A] na het verstrijken van twaalf jaar na de ontbinding van het huwelijk een bedrag van € 120.000 voldoet, te vermeerderen met het verschil tussen de waarde van de woning e [plaats 1] in 2016 en die in 2004 (€ 362.500) x 0,33. [eiser] heeft zich tegenover [A] verbonden de aan de woning te [plaats 1] verbonden hypothecaire geldschuld als zijn eigen schuld te voldoen. Tevens zijn zij overeengekomen dat het recht van de vrouw op ouderdomspensioen tussen hen wordt verevend en het door de man opgebouwde pensioenrecht, uitgaande van het volledige kapitaal dat hij bij DBV heeft belegd, bij helfte tussen hen wordt ‘verdeeld’. De overige activa en passiva bestaan blijkens het echtscheidingsconvenant uit kleding, lijfgoederen en sieraden, inboedel en twee auto’s, die zij in die zin hebben ‘verdeeld’, kort gezegd, dat een ieder behoudt wat zij/hij bezit of in gebruik heeft, een auto ‘toegescheiden’ krijgt en dat de inboedel aan de vrouw ‘toegescheiden’ wordt.

4.14.

Uitgaande van een verrekening van het vermogen van [A] en [eiser] overeenkomstig de huwelijkse voorwaarden in verbinding met artikel 1:141 lid 3 BW geldt, voor zover relevant gelet op de verwijten die [eiser] [gedaagde] in verband met de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden maakt, het volgende. Blijkens de vaststaande feiten behoorde de woning in beginsel niet tot het te verrekenen vermogen op grond van artikel 1:141 lid 3 BW. De woning is immers voorhuwelijks door [eiser] in eigendom verworven, terwijl niet gebleken is dat op de aan die woning verbonden hypothecaire geldlening op naam van [eiser] en [A] met overgespaard inkomen is afgelost. Voorts blijkt uit de door [eiser] overgelegde polisbescheiden, waarvan [gedaagde] de inhoud niet heeft betwist, dat de polis van [eiser] bij DBV, aangegaan gedurende het huwelijk, bestond uit een pensioendeel, een stamrechtdeel en een lijfrentedeel. Met [eiser] is de rechtbank van oordeel dat het stamrechtdeel en het lijfrentedeel van de polis niet zonder meer in aanmerking kwamen voor verrekening. Een en ander is afhankelijk van de wijze van financiering van de polis. De woning te [plaats 2] , waarvan [eiser] rechthebbende is, is gedurende het huwelijk aangeschaft met de uit de aan de woning te [plaats 1] verbonden hypothecaire geldlening op naam van beide partijen beschikbaar gekomen financiële middelen. Deze woning te [plaats 2] behoort derhalve in beginsel tot het te verrekenen vermogen. De aan de woning te [plaats 1] verbonden hypotheekschuld dienen [A] en [eiser] in beginsel bij helfte te dragen. [gedaagde] heeft nog aangevoerd dat sprake is geweest van voor verrekening in aanmerking komend vermogen, bestaande uit de onderneming van [eiser] en spaargelden van [A] en [eiser] , hetgeen [eiser] heeft betwist. Nu [gedaagde] zijn verweer niet met feitelijke informatie, bijvoorbeeld afkomstig uit zijn dossier betreffende [A] , heeft onderbouwd, kan hiervan niet als vaststaand worden uitgegaan. Ook los van deze punten, is de conclusie evenwel dat de in het echtscheidingsconvenant opgenomen afspraken aanzienlijk afwijken van die van een verrekening overeenkomstig de huwelijkse voorwaarden en artikel 1:141 lid 3 BW.

4.15.

Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde] voorafgaand aan de indiening van het gemeenschappelijk verzoekschrift tot echtscheiding met nevenverzoeken [eiser] heeft geïnformeerd over diens rechtspositie in die zin dat [eiser] kenbaar is geweest wat het verschil is tussen enerzijds het resultaat van een vermogensrechtelijke afwikkeling overeenkomstig de huwelijkse voorwaarden en artikel 1:141 lid 3 BW en anderzijds de afspraken die hij met [A] in het echtscheidingsconvenant heeft gemaakt. [gedaagde] heeft in de gegeven omstandigheden niet kunnen volstaan met de hiervoor genoemde mondelinge mededelingen, mededelingen van algemene aard, aan [eiser] . [gedaagde] is, blijkens zijn stellingen, afgegaan op hetgeen [A] en [eiser] in onderling overleg met elkaar zijn overeengekomen zonder (althans) [eiser] verder te informeren over de mate waarin de gemaakte afspraken afweken van een verrekening op de voet van artikel 1:141 lid 3 BW. Hij heeft zich aldus onvoldoende ervan vergewist dat [eiser] de inhoud van de in het echtscheidingsconvenant overeengekomen regeling wat betreft de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden heeft begrepen. [gedaagde] had ofwel niet de opdracht tot het indienen van een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding met nevenverzoeken moeten aanvaarden, hoe ‘praktisch’ en overeenkomstig de wens van [A] en [eiser] ook, ofwel (ook) [eiser] meer specifiek moeten informeren over zijn rechtspositie dan hij thans heeft gedaan. De omstandigheid dat [eiser] meerdere keren zou hebben gezegd dat hij haast had met de afwikkeling van het convenant en de echtscheiding doet aan die verplichting niet af.

4.16.

Anders dan [gedaagde] heeft betoogd, kan uit de stukken niet worden opgemaakt dat [eiser] voorafgaand aan de indiening van het gemeenschappelijk verzoekschrift tot echtscheiding met nevenverzoeken is bijgestaan door een eigen advocaat. Weliswaar bevatten de stukken een e-mail van [eiser] aan [A] met daarin een algemene beschrijving van de werkwijze van “Teurlings & Ellens, advocaten”, daaruit kan niet worden opgemaakt dat [eiser] zich inhoudelijk heeft laten informeren over zijn rechtspositie door het desbetreffende advocatenkantoor. Niet gesteld of gebleken is ook dat [eiser] [gedaagde] heeft meegedeeld dat hij is bijgestaan door een eigen advocaat die hem inhoudelijk heeft geïnformeerd over zijn rechtspositie.

4.17.

Verder blijkt uit de stukken die [A] [gedaagde] heeft overhandigd en de correspondentie tussen [gedaagde] en [eiser] dat [eiser] voor ogen heeft gehad dat [A] en de kinderen hun leven “redelijk gelijkwaardig” kunnen voortzetten en om die reden heeft gewild dat zij “de zaken zo eerlijk mogelijk verdelen”. Tevens blijkt dat [eiser] wist dat de huwelijkse voorwaarden “nogal wat verplichtingen over en weer uitsluiten”. [eiser] is in zijn reactie aan [gedaagde] over de afspraken die hij en [A] gemaakt hebben in vervolg op de bespreking van 11 mei 2004 uitgegaan van “het feit dat gelijke verdeling uitgangspunt is”. Daaruit volgt echter niet dat [eiser] wist wat zijn rechtspositie inhield indien en voor zover het vermogen van [A] en hem zou worden verrekend overeenkomstig de huwelijkse voorwaarden en artikel 1:141 lid 3 BW. [gedaagde] heeft er op basis van die stukken ook niet van mogen uitgaan dat [eiser] hiervan op de hoogte was. [eiser] is immers niet juridisch geschoold, zodat aan de woorden die hij heeft gebruikt niet kan worden ontleend dat [eiser] heeft begrepen welke juridische betekenis daaraan toekomt. Weliswaar moet er op grond van die stukken van worden uitgegaan dat [eiser] zich heeft gerealiseerd dat zijn voorstellen en het echtscheidingsconvenant afweken van de huwelijkse voorwaarden, in hoeverre dit het geval was en wat het verschil is in uitkomst tussen de gemaakte afspraken en een afwikkeling van het vermogen op grond van artikel 141 lid 3 BW blijkt daaruit niet. Gelet hierop kan ook het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 26 november 2014 in de procedure tussen [A] en [eiser] [gedaagde] niet baten.

4.18.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] de op hem als advocaat die mede namens [eiser] het gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding met nevenverzoeken heeft ingediend rustende zorgplicht tegenover [eiser] wat betreft de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden heeft geschonden.

4.19.

Aan bewijslevering komt de rechtbank niet toe. [gedaagde] heeft aangeboden bewijs te leveren van al hetgeen hij heeft gesteld door het horen van [A] als getuige. Meer specifiek heeft [gedaagde] ter gelegenheid van de voortzetting van de comparitie van 4 april 2016 bewijs aangeboden van zijn mondelinge mededeling dat hij niet de advocaat van [eiser] is, ook door hemzelf als getuige te horen. Het bewijsaanbod is niet ter zake dienend. Zoals blijkt uit het vorenstaande, is de conclusie dat [gedaagde] niet aan zijn zorgplicht tegenover [eiser] wat betreft de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden heeft voldaan, ook als de feiten ter zake waarvan [gedaagde] bewijs heeft aangeboden, komen vast te staan.

Partneralimentatie en huur

4.20.

[A] en [eiser] zijn in het echtscheidingsconvenant een partneralimentatie van € 1.067,01 per maand overeengekomen. Tevens zijn zij overeengekomen dat [A] gedurende een periode van twaalf jaar na de ontbinding van het huwelijk gerechtigd blijft tot bewoning van de woning te [plaats 1] tegen betaling van een in het echtscheidingsconvenant bepaalde huurprijs, waarbij zij onderscheid hebben gemaakt tussen de situatie waarin geen sprake is van en die waarin wel sprake is van samenleving van [A] met een nieuwe levenspartner in de woning te [plaats 1] (€ 275 per maand, respectievelijk een huurprijs afhankelijk van het inkomen van de nieuwe levenspartner). Niet is in geschil dat de draagkracht van [eiser] in 2004 ruimte liet voor een hogere dan de overeengekomen partneralimentatie en dat de huurprijs die [A] en [eiser] zijn overeengekomen voor de woonsituatie van [A] zonder nieuwe levenspartner, als een vorm van verkapte partneralimentatie in natura kan worden beschouwd.

4.21.

Tussen [A] en [eiser] is een geschil ontstaan over de hoogte van de door [A] verschuldigde huurprijs na beëindiging van de relatie met haar nieuwe levenspartner. [eiser] verwijt [gedaagde] dat het echtscheidingsconvenant onduidelijk, althans onvolledig, althans onzorgvuldig is geredigeerd. [eiser] heeft evenwel in het licht van de betwisting van [gedaagde] onvoldoende feiten aangedragen waaruit kan volgen dat de artikelen 2 en 3 van het echtscheidingsconvenant niet overeenkomstig de bedoelingen van [A] en hem op dat moment is geredigeerd en geen feiten gesteld (anders dan in het geval van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden) waaruit kan worden opgemaakt dat [eiser] destijds mogelijk de inhoud van de in het echtscheidingsconvenant overeengekomen regeling op dit punt niet heeft begrepen. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat blijkens de overgelegde stukken ook [eiser] steeds heeft beoogd dat [A] gedurende een periode van twaalf jaar na de ontbinding van het huwelijk in de woning kon blijven wonen, terwijl niet in geschil is dat zij op basis van haar eigen inkomsten niet in staat was de in artikel 3.17. van het echtscheidingsconvenant overeengekomen huurprijs te bekostigen. De enkele omstandigheid dat tussen [A] en [eiser] verschil van inzicht is ontstaan over de uitleg van het echtscheidingsconvenant op dit punt is onvoldoende voor de conclusie dat [gedaagde] de op hem rustende zorgplicht heeft geschonden.

Verjaring; tijdig geklaagd?
4.22. De rechtbank verwerpt het verweer van [gedaagde] dat de vordering van [eiser] is verjaard, althans dat [eiser] niet binnen een redelijke termijn heeft geprotesteerd zoals bedoeld in artikel 6:89 BW. [gedaagde] heeft geen feiten aangevoerd waaruit volgt dat [eiser] reeds voor het bezoek aan mr. Van Grondelle in de zomer 2013 ermee bekend was dat [gedaagde] (mogelijk) de op hem rustende zorgplicht had geschonden en hij daardoor (mogelijk) schade had geleden. Evenmin is gesteld dat de termijn – zomer 2013 tot 14 januari 2014 – waarbinnen uiteindelijk door [eiser] is geklaagd, onredelijk is. Het verweer van [gedaagde] faalt.

Causaal verband; schade
4.23. Een vervolgvraag is dan of er sprake is van causaal verband (in de zin van conditio sine qua non-verband) tussen de schending van de zorgplicht door [gedaagde] en de schade die [eiser] daardoor stelt te hebben geleden. Daarbij komt het aan op een vergelijking tussen de thans bestaande feitelijke situatie waarin sprake is van schending van de zorgplicht door [gedaagde] , gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, wat betreft de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de hypothetische situatie waarin geen sprake zou zijn geweest van de schending van die zorgplicht. Voor het aannemen van conditio sine qua non-verband is voldoende dat sprake is van een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat zonder de schending door [gedaagde] van de op hem rustende zorgplicht de gestelde schade niet zou zijn geleden.
4.24. Aan dit vereiste voor de vestiging van de gestelde aansprakelijkheid van [gedaagde] is naar het oordeel van de rechtbank voldaan. Gelet op de voorstellen van [eiser] aan [A] van december 2002, juni en december 2003 (zie hiervoor in 2.9. tot en met 2.12.) acht de rechtbank met redelijke mate waarschijnlijk dat [eiser] niet zijn instemming zou hebben verleend aan de in het echtscheidingsconvenant gemaakte afspraken betreffende de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden in het geval geen sprake zou zijn geweest van schending van de zorgplicht van [gedaagde] op dit punt. In het echtscheidingsconvenant is immers uitgegaan van een ‘verdeling bij helfte’, terwijl [eiser] blijkens de overgelegde stukken (slechts) voor ogen had dat [A] en de kinderen hun leven “redelijk gelijkwaardig” zouden kunnen voortzetten en zij gedurende een periode van twaalf jaar in de woning te [plaats 1] zouden kunnen blijven wonen. Blijkens die stukken is [eiser] bereid gebleken daartoe een gedeelte van de waarde van het aanwezige privé-vermogen zijnerzijds te verrekenen met [A] , waarbij hij steeds de voldoening van een bedrag van € 50.000 (en niet € 120.000) aan [A] voor ogen heeft gehad. Verder zouden de door [A] en [eiser] opgebouwde pensioenen worden verevend, waarbij er - ten onrechte - vanuit is gegaan dat de polis van [eiser] bij DBV uitsluitend een pensioenverzekering betrof. Uit niets blijkt dat [eiser] , voorafgaand aan het gesprek met [gedaagde] en de nadien met hem gevoerde correspondentie, ook bereid was tot voldoening van een bedrag aan [A] uit door hem getroffen financiële voorzieningen die niet als pensioen kunnen worden gekwalificeerd en die in beginsel niet in aanmerking zouden komen voor verrekening overeenkomstig de huwelijkse voorwaarden en artikel 1:141 lid 3 BW. [gedaagde] heeft tegenover de gemotiveerde stelling van [eiser] dat hij schade heeft geleden als gevolg van het nalaten van [gedaagde] hem te informeren over zijn rechtspositie ook geen feiten heeft gesteld waaruit volgt dat een “redelijk gelijkwaardige” voortzetting van het leven van [A] en de kinderen zonder meer noopte tot een ‘verdeling bij helfte’ zoals in het echtscheidingsconvenant overeengekomen. Gelet hierop neemt de rechtbank als vaststaand aan dat [eiser] thans in een financieel slechtere positie verkeert dan het geval zou zijn geweest wanneer [gedaagde] de op hem rustende zorgplicht niet had geschonden.

Tussenconclusie

4.25.

Het vorenstaande leidt derhalve tot de conclusie dat [gedaagde] aansprakelijk is tegenover [eiser] wegens tekortschieten in de nakoming van de aan hem verleende opdracht van [eiser] tot indiening van een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding met nevenverzoeken.
4.26. Op grond van het vorenstaande is vordering I van [eiser] vatbaar voor toewijzing. In afwachting van de uitkomst van het nog te voeren debat over de schadeomvang, zoals hierna zal worden overwogen, zal de rechtbank deze beslissing niet in het dictum vastleggen.

4.27.

Daarbij merkt de rechtbank - ten overvloede - op dat zij geen reden ziet om een gedeeltelijk eindvonnis te wijzen gelet op het verzoek van [gedaagde] ter comparitie van 4 april 2016 om tussentijds hoger beroep open te stellen. [eiser] heeft zich hiertegen verzet. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 337 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan worden afgeleid dat het de bedoeling is om bij het toestaan van tussentijds hoger beroep een grote mate van terughoudendheid te betrachten en dat de beslissing daartoe afhankelijk is van de vraag of in het voorliggende geval sprake is van bijzondere omstandigheden die afwijking van de in artikel 337 lid 2 Rv neergelegde hoofdregel doelmatiger maken. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is niet gebleken. Het enkele feit dat [gedaagde] zich (op voorhand, ter comparitie) niet kan vinden in het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een beroepsfout omdat [gedaagde] niet de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die van hem als advocaat mocht worden verwacht, vormt onvoldoende grond voor het toestaan van tussentijds appel.
De schadeomvang
4.28. Vervolgens is aan de orde de toewijsbaarheid van de gevorderde schadeposten ad a) tot en met d).

4.29.

De rechtbank beschikt over onvoldoende informatie om op dit moment definitief te beslissen over de toewijsbaarheid van de verschillende schadeposten. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.14. is overwogen, kunnen de ad a) en b) gevorderde schadeposten niet op zichzelf worden beschouwd. Bezien moet worden, aan de hand van een beschrijving en waardering van het vermogen van zowel [eiser] als [A] per 1 juli 2002, wat het financiële resultaat van een verrekening overeenkomstig de huwelijkse voorwaarden en artikel 1:141 lid 3 BW zou zijn geweest. Dit resultaat moet worden afgezet tegen de in het echtscheidingsconvenant overeengekomen regeling ter zake de ‘verdeling’. Vervolgens moet worden beoordeeld, in aanmerking genomen de wens van [eiser] dat [A] en de kinderen hun leven “redelijk gelijkwaardig” zouden kunnen voortzetten, waarbij [eiser] (in ieder geval) de voldoening van een bedrag van € 50.000 aan [A] voor ogen heeft gehad, in hoeverre het verschil in redelijkheid als schade aan de schending van de zorgplicht van [eiser] kan worden toegerekend.

4.30.

Aan de zijde van [eiser] dient met het oog op de beoordeling van de toewijsbaarheid van de schadeposten ad a) en b) aanvullend de volgende informatie in het geding te worden gebracht:

- de akte van vestiging van hypothecaire geldlening bij ABN AMRO op de woning te [plaats 1] ;

- de akte van oprichting van RWN Holding B.V en bescheiden waaruit de wijze van financiering van de aandelen van [eiser] in deze vennootschap blijkt;

- bescheiden waaruit de waarde van de aandelen van RWN Holding B.V. per 1 juli 2002 blijkt;

- bescheiden waaruit de waarde van de spaartegoeden op naam [eiser] , op naam van [A] en op naam van beiden blijkt per 1 juli 2002 en de wijze waarop deze spaartegoeden tot stand zijn gekomen;

- bescheiden waaruit de wijze van financiering van de polis van [eiser] bij DBV en de waarde van de verschillende poliscomponenten blijkt per 1 juli 2002;

- bescheiden waaruit de waarde van de woning te [plaats 2] per 1 juli 2002 blijkt;

- eventuele overige bescheiden waaruit blijkt uit welke bestanddelen het vermogen van [eiser] en het vermogen van [A] per 1 juli 2002 bestond en de waarde van die bestanddelen op die datum blijkt.

4.31.

Wat betreft de wijze van financiering van de aandelen in RWN Holding B.V., de wijze van totstandkoming van de spaartegoeden van [A] en [eiser] en de wijze van financiering van de polis bij DBV merkt de rechtbank volledigheidshalve op dat deze informatie van belang is met het oog op de beoordeling of de desbetreffende vermogensbestanddelen zijn gevormd met inkomen dat in aanmerking kwam voor verrekening, dan wel juist met inkomen/vermogen dat niet behoefde te worden verrekend omdat het voorhuwelijks verworven is (dan wel geërfd of geschonken is).

4.32.

De rechtbank acht de gestelde schadeposten ad c) en d) niet vatbaar voor toewijzing. Het is de keuze van [eiser] geweest om, in eerste instantie, een gerechtelijke procedure tegen [A] te voeren om te proberen de vernietiging van het echtscheidingsconvenant te bewerkstelligen. De daarmee gemoeide kosten staan niet in een causale relatie tot de schending van de zorgplicht door [gedaagde] . Nu geen sprake is van schending van de zorgplicht van [gedaagde] in verband met hetgeen in het echtscheidingsconvenant is bepaald ten aanzien van de partneralimentatie en de huurprijs, komt ook de schadepost ad d) niet in aanmerking voor vergoeding.

Conclusie

4.33.

De rechtbank zal derhalve geen eindvonnis wijzen en de zaak verwijzen naar de rol om [eiser] in de gelegenheid te stellen bescheiden in het geding te brengen en een akte in te dienen, een en ander zoals in het dictum verder bepaald. Vervolgens zal [gedaagde] in de gelegenheid worden gesteld hierop bij akte te reageren. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

verwijst de zaak naar de rolzitting van 30 november 2016 om [eiser] in de gelegenheid te stellen de hiervoor in 4.30. genoemde bescheiden in het geding te brengen en een akte in te dienen met daarin zijn nadere standpunt ten aanzien van de omvang van de schade, een en ander met inachtneming van hetgeen hiervoor in 4.28-4.32 is overwogen.

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2016.1

1 type: 1486 en 1772