Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:13177

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-10-2016
Datum publicatie
08-11-2016
Zaaknummer
AWB 16/20041 & 16/20042
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft bepaald dat hij evident meerderjarig is. Eiser heeft altijd zijn minderjarige leeftijd opgegeven.

Verweerder heeft zich op het volgende standpunt gesteld. Eiser heeft wisselende verklaringen afgelegd over zijn geboortedatum en aldus zijn leeftijd. Vanwege de uiterlijke kenmerken van eiser is twijfel ontstaan aan de opgegeven leeftijd van 17 jaar bij de gehoormedewerker. Daarom is eiser geschouwd door twee medewerkers van de IND en een collega van de vreemdelingenpolitie. Van die bevindingen is een proces-verbaal opgemaakt. De schouw is uitgevoerd conform hetgeen is neergelegd in het beleid en wetgeving. Eiser heeft zijn gestelde leeftijd op geen enkele wijze nader onderbouwd met documenten dan wel met aansluitende verklaringen over zijn levensloop. Uit het voornoemde proces-verbaal blijkt dat eiser vragen zijn gesteld over zijn levensloop. Eiser kan niet zeggen op welke leeftijd hij naar school is geweest. Hij kan niet aangeven waarop hij de minderjarigheid dan precies baseert. Hij geeft enkel aan dat hij het zeker weet.

Gelet op de verklaringen van eiser, de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting kan verweerder niet gevolgd worden in zijn standpunt dat eiser wisselende verklaringen heeft afgelegd over zijn geboortedatum en aldus zijn leeftijd.

De rechtbank stelt voorts met eiser vast dat de schouw niet is uitgevoerd door leeftijdsdeskundigen en evenmin is gebaseerd op een wetenschappelijke grondslag. Van een deskundigenonderzoek is dan ook geen sprake. Beoordeeld moet worden of de conclusie dat eiser evident meerderjarig is, gedragen kan worden door de bevindingen zoals vermeld in het proces-verbaal. De rechtbank kan eiser volgen in het standpunt dat de kenmerken in het proces-verbaal worden genoemd, namelijk een teruggetrokken haargrens, de zichtbare adamsappel en “werkhanden”, op zichzelf niet de conclusie kunnen dragen dat eiser evident meerderjarig is. Deze conclusie is kennelijk gebaseerd op de veronderstelling dat de waargenomen kenmerken uitsluitend bij personen kunnen voorkomen die ouder zijn dan 18 jaar, hetgeen op geen enkele wijze is onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. Overigens heeft de rechtbank ter zitting een teruggetrokken haargrens bij eiser niet kunnen vaststellen.

De rechtbank verwijst in dit verband ook naar jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), waaruit blijkt dat alleen een visuele inspectie, zelfs wanneer deze wordt uitgevoerd door een arts, niet kan leiden tot een indicatie van een leeftijd van een persoon, zelfs niet tot een benadering daarvan (zie het arrest van het EHRM van 10 oktober 2014 inzake Mugenzi tegen Frankrijk, 2014/225, rechtsoverweging 58).

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 31, geldigheid: 2015-07-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 16/20041 (beroep)

AWB 16/20042 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 3 oktober 2016 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Guinese nationaliteit,

eiser, verzoeker

hierna te noemen eiser,

(gemachtigde: mr. M. Spapens, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. E. van der Weijden, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)).

Procesverloop

Bij besluit van 2 september 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, Vw.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten zolang de rechtbank niet op het beroep heeft beslist en dat de opvang van eiser door het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers wordt gecontinueerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Eisers vader was een rijk zakenman die op een gegeven moment ziek werd en overleed. De oudste oom van eiser wilde de eigendom van zijn vader overnemen, door te trouwen met zijn moeder. De moeder van betrokkene heeft dit in eerste instantie geweigerd, maar is later toch met hem getrouwd. De moeder van eiser heeft alle bezittingen overgedragen aan de oom, behalve één eigendomspapier van een stuk grond. Dit papier heeft de moeder aan eiser gegeven, met de opdracht het te bewaren. De oom is er op een gegeven moment achter gekomen en heeft eiser en zijn moeder hiermee geconfronteerd. De oom heeft eiser en zijn moeder geslagen en hij heeft eiser uitgekleed en geboeid. Eiser heeft voorts verklaard te hebben gewerkt in een winkel, waarna hij door de oom is beschuldigd van het stelen van geld. De oom heeft eiser toen gedreigd hem te laten arresteren als hij niet het papier van de eigendomsgrond overdroeg. Eiser is vervolgens gebeld door zijn oom, met de vraag of hij buiten kon gaan staan. Eiser is toen opgepakt door militairen en meteen vastgezet in een gevangenis, gedurende vier maanden. Eiser heeft verklaard dat [naam 1] , de pastoor van de kerk, tegen zijn zoon heeft gezegd dat hij ging kijken wat hij voor eiser kon doen. Op 10 november 2015 is eiser vervolgens uit de gevangenis gehaald door iemand die was gestuurd door [naam 1] en is hij naar het huis van [naam 1] gebracht. De militairen zijn een paar dagen daarna naar het huis van [naam 1] gekomen, op zoek naar eiser. [naam 1] heeft vervolgens de militairen weggestuurd met de boodschap dat ze geen verklaring tot huiszoeking hadden, noch een verklaring om eiser te kunnen oppakken. De volgende dag is de vriend van eiser naar de oom gegaan. De oom heeft tegen de vriend gezegd dat hij eiser zocht, dat hij het huis zou verbranden als hij hem vond en dat hij terug moest naar de gevangenis. Eiser heeft toen de papieren van de grond aan [naam 1] gegeven om de grond te verkopen en hij is op [datum 1] 2015 gevlucht.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 Vw juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, Vw. In het asielrelaas van eiser heeft verweerder de volgende relevante elementen onderscheiden: - nationaliteit, identiteit en herkomst; - familie gerelateerde problemen met oom vanwege niet eigendomspapier; - arrestatie, detentie van 4 maanden en vrijlating. Verweerder acht al deze elementen geloofwaardig, behalve de minderjarigheid van eiser. Op grond van eisers eigen verklaring en een schouw is aan eiser de initieel opgegeven geboortedatum van [datum 6] 1994 toegekend. Verweerder acht het niet aannemelijk dat eiser op grond van zijn asielrelaas te vrezen heeft voor vervolging zoals bedoeld in het Verdrag en als vluchteling moet worden aangemerkt. Evenmin heeft eiser op grond van zijn persoonlijke situatie dan wel individuele asielrelaas aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt op

ernstige schade. Voorts heeft verweerder de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser met de gestelde minderjarigheid verweerder heeft misleid.

3. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft bepaald dat hij evident meerderjarig is. Eiser heeft altijd zijn minderjarige leeftijd opgegeven. Uit het dossier blijkt niet dat hij eerst een meerderjarige leeftijd zou hebben opgegeven. Op grond van zijn verklaring dat hij zes jaar lager onderwijs en vier jaar middelbare onderwijs heeft genoten, moet de opgegeven leeftijd aannemelijk bevonden worden. Daarnaast kan het gedrag van eiser ook als indicatie gebruikt worden om aan te nemen dat deze leeftijd op waarheid berust. Twee Nederlandse gezinnen in [plaats] hebben zich in de afgelopen maanden intensief met eiser bezig gehouden en zij bevestigen dit ook ten overstaan van gemachtigde. Eiser handhaaft het standpunt dat de schouw niet is uitgevoerd door leeftijdsdeskundigen en evenmin gebaseerd is op een wetenschappelijke grondslag. Er is daarom geen sprake van een deskundigenonderzoek. Eiser verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 19 april 2016, AWB 16/5615. Dat er sprake zou zijn van teruggetrokken haargrens en een zichtbare adamsappel, kan op zichzelf niet de conclusie dragen dat eiser evident meerderjarig is. Op geen enkele wijze is onderbouwd dat deze kenmerken uitsluitend bij personen voorkomen die ouder zijn dan 18 jaar. Ook aan het gedrag, een ongeïnteresseerde houding, het veel in elkaar zitten en schuin naar boven kijken alsmede het in de scheidingswand van het bureau willen bijten, volgt niet dat eiser gelogen zou hebben omtrent zijn leeftijd. Ten onrechte is het beleid, zoals genoemd in het paragraaf C1.2.2 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) toegepast en is eiser niet de mogelijkheid geboden via een leeftijdsonderzoek de leeftijd objectief vast te stellen. De conclusie met betrekking tot de leeftijd is van belang voor de vraag in hoeverre van eiser verwacht kan worden dat hij bescherming vraagt bij de autoriteiten van Guinee. Bij een minderjarigheid is het eerder aannemelijk dat hij niet effectief in staat is die bescherming bij de autoriteiten in te roepen. Verder moet op grond van de verklaringen worden aangenomen dat eiser na de dood van zijn moeder als alleenstaande minderjarige vreemdeling beschouwd moet worden en dan dient te worden onderzocht of er adequate opvang beschikbaar is in Guinee.

3.1

Verweerder heeft zich op het volgende standpunt gesteld. Eiser heeft wisselende verklaringen afgelegd over zijn geboortedatum en aldus zijn leeftijd. Bij zijn aanmelding op [datum 1] 2015 [de rechtbank leest: [datum 2] 2015] heeft eiser verklaard dat zijn geboortedatum [datum 6] 1994 was. Tijdens het aanmeldgehoor van [datum 3] 2015 heeft eiser dit bevestigd. In de correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor heeft eiser aangegeven dat zijn juiste geboortedatum [datum 4] 1999 is. Vanwege de uiterlijke kenmerken van eiser is twijfel ontstaan aan de opgegeven leeftijd van 17 jaar bij de gehoormedewerker. Daarom is eiser geschouwd door twee medewerkers van de IND en een collega van de vreemdelingenpolitie. Van die bevindingen is op [datum 5] 2015 een proces-verbaal opgemaakt. De schouw is uitgevoerd conform hetgeen is neergelegd in het beleid en wetgeving. Eiser heeft zijn gestelde leeftijd op geen enkele wijze nader onderbouwd met documenten dan wel met aansluitende verklaringen over zijn levensloop. Uit het voornoemde proces-verbaal blijkt dat eiser vragen zijn gesteld over zijn levensloop. Eiser kan niet zeggen op welke leeftijd hij naar school is geweest. Hij kan niet aangeven waarop hij de minderjarigheid dan precies baseert. Hij geeft enkel aan dat hij het zeker weet. Eiser kan niet aangegeven waarom hij eerder een meerderjarige leeftijd heeft opgegeven. De verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 19 april 2016 treft geen doel omdat er geen sprake is van vergelijkbare zaken.

3.2

In paragraaf C1/2.2. Vc is – voor zover van belang – het volgende beleid van verweerder neergelegd:

“De IND biedt een alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv) uitsluitend een leeftijdsonderzoek aan als:

• de vreemdeling zijn gestelde minderjarigheid niet met bewijsmiddelen kan aantonen

• de vreemdeling zijn gestelde minderjarigheid niet anderszins aannemelijk kan maken;

• de uitslag relevant is voor het onderzoek naar welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, of voor de vraag of een amv in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel of regulier voor bepaalde tijd of opvangvoorzieningen van het COA.

De uitslag van het leeftijdsonderzoek levert een bewijsmiddel op waarmee de vreemdeling zijn gestelde minderjarigheid kan aantonen. (…)

Een leeftijdsonderzoek wordt niet aan de vreemdeling aangeboden als de vreemdeling naar het oordeel van de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen en/of de IND evident meerderjarig of evident minderjarig is.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen concludeert samen met twee medewerkers van de IND of er sprake is van evidente meerderjarigheid op basis van uiterlijke kenmerken en/of verklaringen van de vreemdeling die stelt minderjarig te zijn. (…)

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen en/of de IND zorgt ervoor dat de conclusie dat een vreemdeling evident meerderjarig of evident minderjarig is, wordt opgenomen in het dossier van de vreemdeling.”

3.3

Gelet op de verklaringen van eiser, de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting kan verweerder niet gevolgd worden in zijn standpunt dat eiser wisselende verklaringen heeft afgelegd over zijn geboortedatum en aldus zijn leeftijd. Dit blijkt immers niet uit het formulier versnelde intake van [datum 1] 2015, noch uit het rapport aanmeldgehoor van [datum 3] 2015. Op het formulier versnelde intake van [datum 1] 2015 is bij geboortedatum als eerste [datum 7] 1999 vermeld en daarnaast de aantekening aangebracht “evident meerderjarig 1-7-1999”. Ter zitting heeft eiser desgevraagd verklaard dat hij dit formulier met de aangebrachte aantekening niet eerder heeft gezien. De rechtbank concludeert hieruit dat de aantekening “evident meerderjarig 1-7-1999” op het formulier van [datum 1] 2015 later is toegevoegd door een medewerker van verweerder en niet is gebaseerd op een (latere) verklaring van eiser. Ook uit het rapport gehoor aanmeldfase van [datum 3] 2015 blijkt niet dat eiser over zijn leeftijd wisselend heeft verklaard. Tijdens dat gehoor zijn immers geen vragen gesteld over eisers geboortedatum of leeftijd. Daar komt bij dat de schouw reeds op [datum 5] 2015 heeft plaatsgevonden en in het proces-verbaal van dezelfde datum is vermeld dat de drie schouwmedewerkers eiser evident meerderjarig gaan “maken” en dat dit betekent dat “wij u een geboortedatum van 01-07-1994 toekennen”. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat de datum 1-7-1999 een fictieve geboortedatum betreft. Dat eiser steeds heeft volhard in de aanvankelijk opgegeven geboortedatum [datum 7] 1999 en dus zijn minderjarigheid, blijkt ook uit pagina 6 van het rapport eerste gehoor. Op de vraag hoe oud eiser is, heeft hij geantwoord 17 jaar. De conclusie is dus dat eiser geen wisselende verklaringen heeft afgelegd over zijn geboortedatum en aldus zijn leeftijd, zodat de beroepsgrond slaagt.

3.4

De rechtbank stelt voorts met eiser vast dat de schouw op [datum 5] 2015 niet is uitgevoerd door leeftijdsdeskundigen en evenmin is gebaseerd op een wetenschappelijke grondslag. Van een deskundigenonderzoek is dan ook geen sprake. Beoordeeld moet worden of de conclusie dat eiser evident meerderjarig is, gedragen kan worden door de bevindingen zoals vermeld in het proces-verbaal. De rechtbank kan eiser volgen in het standpunt dat de kenmerken in het proces-verbaal worden genoemd, namelijk een teruggetrokken haargrens, de zichtbare adamsappel en “werkhanden”, op zichzelf niet de conclusie kunnen dragen dat eiser evident meerderjarig is. Deze conclusie is kennelijk gebaseerd op de veronderstelling dat de waargenomen kenmerken uitsluitend bij personen kunnen voorkomen die ouder zijn dan 18 jaar, hetgeen op geen enkele wijze is onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. Overigens heeft de rechtbank ter zitting een teruggetrokken haargrens bij eiser niet kunnen vaststellen. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de tijdens de schouw bij eiser geconstateerde gedragingen, namelijk een ongeïnteresseerde houding, het veel in elkaar zitten, steeds schuin naar boven kijken en telkens het in de scheidingswand van het bureau willen bijten, niet zijn meegenomen bij de conclusie ‘evident meerderjarig’. Wat daar ook van zij, deze gedragingen zijn op zichzelf onvoldoende om de conclusie dat eiser evident meerderjarig is te ondersteunen, omdat uit die gedragingen niet zonder meer volgt dat eiser in Nederland heeft gelogen over zijn leeftijd. Overigens heeft eiser ter zitting stellig ontkend dat hij tijdens de schouw telkens in de scheidingswand van het bureau wilde bijten.

De rechtbank verwijst in dit verband ook naar jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), waaruit blijkt dat alleen een visuele inspectie, zelfs wanneer deze wordt uitgevoerd door een arts, niet kan leiden tot een indicatie van een leeftijd van een persoon, zelfs niet tot een benadering daarvan (zie het arrest van het EHRM van 10 oktober 2014 inzake Mugenzi tegen Frankrijk, 2014/225, rechtsoverweging 58).

3.5

De conclusie is dat de beroepsgrond ook in dit opzicht slaagt en dat verweerder ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat eiser evident meerderjarig is.

4. Eiser handhaaft verder zijn standpunt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser stelt voorop dat niet ter discussie staat dat hij vier maanden onder slechte omstandigheden gedetineerd is geweest zonder dat daarvoor een rechtsgeldige reden was. Tijdens detentie bleek dat hij niet op de lijst stond van gedetineerden die naar buiten mochten (pagina 15 nader gehoor). Hij mocht niet vragen waarom zijn naam niet op de lijst stond (pagina 16 nader gehoor). Verweerder heeft ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij zonder voorwaarden is vrijgelaten. Uit eisers verklaringen tijdens het nader gehoor blijkt immers dat er geen sprake was van een reguliere vrijlating. Het is dus logisch dat er geen voorwaarden aan de vrijlating zijn verbonden en dat eiser die niet heeft kunnen noemen. Eiser verwijst naar zijn verklaringen op pagina 12 nader gehoor: “maar ik ben gestuurd door meneer [naam 1] . Toen heb ik hem gevolgd en gingen wij naar achteren en toen stond mijn vriend naast de taxi te wachten”. Eiser verwijst verder naar pagina 13 nader gehoor, de reactie van de oom en op zijn verklaring “en als hij zou weten wie mij had geholpen”. Verder verwijst eiser naar zijn verklaring op pagina 23 nader gehoor “de bewaker, hij kwam in opdracht van meneer [naam 1] ” Nu uit deze verklaringen blijkt dat er geen sprake was van een reguliere vrijlating, is er ook logischerwijs geen meldplicht.

Ook is ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij vervolgens ongemoeid is gelaten. Op het moment dat eiser nog in Guinee verbleef zijn militairen bij het huis van [naam 1] langs geweest. Of deze militairen na zijn vertrek een herhaalde poging hebben gedaan hem te traceren, weet eiser niet omdat hij geen contact meer met [naam 1] en zijn familie heeft kunnen leggen. Bij de eerste poging hem te traceren zat eiser in de kerk van [naam 1] , terwijl de militairen bij het huis van [naam 1] naar hem vroegen. Verweerder heeft alle verklaringen geloofwaardig geacht, ook dat de militairen bij [naam 1] langs zijn geweest. Verweerder stelt in het bestreden besluit dat niet nader is onderbouwd dat de militairen zijn vertrokken wegens het ontbreken van het huiszoekingsbevel. Eiser vraagt zich af hoe hij dit punt nader kan onderbouwen.

Van belang is verder dat eiser niet op het adres verbleef waar de militairen een huiszoeking wilden verrichten. Uit de verklaringen op pagina 12 van het nader gehoor blijkt dat de huiszoeking bij het woonadres van [naam 1] was en niet in de kerk waar eiser verbleef. De militairen waren dus niet van de exacte verblijfplaats van eiser op de hoogte, ze hadden blijkbaar een vermoeden dat hij bij [naam 1] te vinden was en wilden hem daarom gaan zoeken. Deze keer zijn ze onverrichter zake weer vertrokken maar het is reëel om aan te nemen dat ze het er niet bij hebben laten zitten en zijn teruggekeerd. Eiser is kort na het bezoek van de militairen gevlucht uit Guinee en heeft niet het risico genomen dat hij alsnog getraceerd zou worden. Nu aannemelijk is bevonden dat eiser vier maanden gedetineerd is geweest en dat vervolgens militairen naar hem op zoek zijn geweest, kan in redelijkheid niet meer het standpunt worden ingenomen dat hij niets meer te vrezen zou hebben van dezelfde autoriteiten. Eiser heeft niet gezegd dat hij niet meer door de autoriteiten wordt gezocht (pagina 2 zienswijze). Een onderdeel van de geloofwaardig bevonden verklaringen van eiser is de contacten die de oom had met zijn werkgever, die als generaal werkzaam is. Het is gezien de wijze waarop eiser is meegenomen door militairen naar de detentieplek logisch dat de detentie via deze persoon is geregeld. Het is dan ook logisch dat eiser op dezelfde wijze weer gedetineerd zal worden bij terugkeer naar Guinee. Onder verwijzing naar de zienswijze stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij de bescherming van de autoriteiten had kunnen inroepen. Dat was bij voorbaat zinloos en zelfs gevaarlijk geweest.

4.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de problemen die eiser heeft ondervonden met zijn oom, familiegerelateerd zijn en dat hij daartegen bescherming van de autoriteiten in Guinee kan inroepen. Niet is gebleken dat de autoriteiten deze bescherming niet kunnen of willen bieden. Eiser heeft vóór zijn vertrek uit Guinee geen bescherming ingeroepen van de autoriteiten. Dat dat bij voorbaat zinloos of zelfs gevaarlijk was, volgt verweerder niet. Eiser is immers zonder voorwaarden vrijgelaten, er is niet gebleken van een meldplicht en eiser is na de huiszoeking ongemoeid gelaten. Dat de militairen zijn wegegaan omdat zij geen huiszoekingsbevel hadden, is op geen enkele wijze nader onderbouwd. Niet aannemelijk is dat de militairen geen huiszoekingsbevel hadden kunnen regelen of kunnen krijgen. De enkele stelling dat de oom goed contact had met de generaal impliceert niet dat het hele overheidsapparaat zich, enkel en alleen vanwege dit gestelde contact, tegen eiser zou keren. Dit is niet geconcretiseerd en is niet aannemelijk.

4.2

In artikel 3.37c, tweede lid, Voorschrift Vreemdeling (VV) is het volgende bepaald: bescherming tegen vervolging of ernstige schade moet doeltreffend en van niet-tijdelijke aard zijn. In het algemeen wordt dergelijke bescherming geboden wanneer de actoren als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, redelijke maatregelen tot voorkoming van vervolging of ernstige schade treffen, onder andere door de instelling van een doeltreffend juridisch systeem voor de opsporing, gerechtelijke vervolging en bestraffing van handelingen die vervolging of ernstige schade vormen, en wanneer de verzoeker toegang tot een dergelijke bescherming heeft.

4.3

In de uitspraak van 5 augustus 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BD9606) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwogen dat ter beantwoording van de vraag of een vreemdeling in het land van herkomst bescherming kan krijgen, eerst wordt onderzocht of in het desbetreffende land in het algemeen bescherming wordt geboden. Daarbij wordt informatie over de algemene situatie in een land van herkomst, in het bijzonder uit ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken en rapporten van internationale organisaties, betrokken. Eerst nadat die vraag bevestigend is beantwoord, kan aan de orde komen de vraag of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het vragen van bescherming voor hem gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos moet worden geacht. Indien dat laatste niet aannemelijk is gemaakt, kan slechts het tevergeefs inroepen van de bescherming leiden tot de conclusie dat aannemelijk is gemaakt dat die autoriteiten niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden.

4.4

De rechtbank overweegt allereerst dat eiser in het beroepschrift, onder verwijzing naar zijn verklaringen tijdens het nader gehoor, verweerders standpunt dat sprake is geweest van een reguliere vrijlating, heeft weerlegd. Uit de verklaringen van eiser, noch anderszins blijkt immers dat de autoriteiten die zijn arrestatie en detentie hebben bevolen, ook weer hebben beslist dat hij kon worden vrijgelaten. Uit de verklaringen van eiser - die door verweerder geloofwaardig zijn geacht - blijkt dat hij uit de gevangenis is geleid door een bewaker die zei te handelen in opdracht van [naam 1] . Dit duidt geenszins op een “reguliere” vrijlating op last van de autoriteiten. Ook heeft eiser verweerders standpunt weerlegd dat eiser vervolgens ongemoeid is gelaten. Eiser heeft onbetwist verklaard dat een paar dagen nadat hij uit de gevangenis was gehaald, een aantal militairen langs het huis van [naam 1] zijn gegaan waarbij is aangegeven dat zij op zoek waren naar eiser. Kort na dit bezoek is eiser gevlucht. Uit de verklaringen van eiser kan dus niet worden geconcludeerd dat hij na zijn detentie “ongemoeid” is gelaten. Zoals eiser terecht heeft opgemerkt, blijkt uit zijn verklaring tijdens het nader gehoor ook niet dat hij gezegd heeft dat hij niet meer gezocht wordt door de autoriteiten. Verder is van belang dat verweerder geloofwaardig acht de verklaring van eiser dat zijn oom werkte voor en goede contacten had met een generaal uit het leger, genaamd [naam 2] die hoofd is van de [onderdeel] in Guinee. Dit geldt ook voor de verklaring van eiser dat de generaal na het overlijden van de vader van eiser één van diens huizen van de oom heeft gekocht.

4.5

Uit de overwegingen onder 4.2 en 4.3 volgt voorts met betrekking tot de vraag of eiser ter zake van de problemen met zijn oom na terugkeer in zijn land de bescherming van de Guinese autoriteiten kan inroepen, dat verweerder eerst had moeten onderzoeken of in Guinee in het algemeen bescherming wordt geboden door de autoriteiten. Het voornemen geeft geen blijk van een dergelijk onderzoek. Uit het voornemen blijkt niet dat verweerder bij de beantwoording van die vraag de algemene situatie in Guinee, in het bijzonder ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken en rapporten van internationale organisaties, heeft betrokken. Daar komt bij dat eiser zich in de zienswijze mede onder verwijzing naar een passage uit het algemeen ambtsbericht over de situatie in Guinee van 2014 op het standpunt heeft gesteld dat straffeloosheid in het land wijd verspreid is en dat corruptie en afkomst bepalend zijn of je je recht kunt halen in Guinee. Mede op basis van deze informatie heeft eiser gesteld dat het inroepen van bescherming in zijn geval bij voorbaat zinloos en zelfs gevaarlijk is. Verweerder heeft in het bestreden besluit enkel volstaan met de opmerking dat de stelling in de zienswijze dat het bij voorbaat zinloos zou zijn geweest dan wel zal zijn om bescherming te vragen bij de eigen autoriteiten niet toereikend onderbouwd en beargumenteerd is en daarom wordt verworpen. Niet gemotiveerd is echter waarom eisers onderbouwing in de zienswijze niet toereikend is.

4.6

De conclusie is dat ook deze beroepsgrond slaagt.

5. Met betrekking tot de beroepsgrond dat verweerder de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond met toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, Vw overweegt de rechtbank het volgende. Reeds in overweging 3.3 is geoordeeld dat eiser geen wisselende verklaringen heeft afgelegd over zijn leeftijd. Hieruit volgt dat er geen sprake is van misleiding omtrent de identiteit, zodat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van een kennelijk ongegronde asielaanvraag als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, Vw.

6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder moet opnieuw beslissen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

7. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 496,-; wegingsfactor 1).

Verzoek om voorlopige voorziening

8. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

9. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

10. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 496,- (1 punt voor het verzoekschrift, waarde per punt € 496,-; wegingsfactor 1)

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op binnen zes weken na
verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser
met inachtneming van deze uitspraak; - veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 992,- te
betalen;

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af; - veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 496,- te
betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.O.P. Roché, rechter, tevens voorzieningenrechter in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2016.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.