Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:13138

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-10-2016
Datum publicatie
14-11-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 22381
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bodemprocedure

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/22381

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 oktober 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer [vreemdelingennummer]

(gemachtigde: mr. W.N. van der Voet),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. B.J. Pattiata).

Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres van 9 maart 2016 niet in behandeling genomen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit op 1 oktober 2016 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2016. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is R. Stanley verschenen en tevens is [echtgenoot van eiseres] , referent, verschenen.

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 9 maart 2016 een asielaanvraag ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat zij op 19 februari 2016 in Duitsland een verzoek heeft ingediend om internationale bescherming. Verweerder heeft de autoriteiten van Duitsland op 20 april 2016 gevraagd eiseres terug te nemen op grond van artikel 18, eerst lid, aanhef en onder b, van de Verordening (EU) 604/2013 (de Dublinverordening). De Duitse autoriteiten hebben op 22 april 2016 het verzoek afgewezen. Op 2 mei 2016 heeft verweerder een verzoek tot heroverweging gezonden aan de Duitse autoriteiten en op 16 augustus 2016 hebben de Duitse autoriteiten middels een claimakkoord ingestemd op grond van artikel 18 eerste lid, aanhef en onder d van de Dublinverordening.

2. De rechtbank overweegt als volgt.

2.1.

In artikel 9 van de Dublinverordening is bepaald dat wanneer een gezinslid van de verzoeker, ongeacht of het gezin reeds in het land van oorsprong was gevormd, als persoon die internationale bescherming geniet, is toegelaten voor verblijf in een lidstaat, deze lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, mits de betrokkenen schriftelijk hebben verklaard dat zij dat wensen.

In artikel 17 van de Dublinverordening is bepaald dat elke lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming te behandelen, ook als hij daartoe op grond van de in de verordening neergelegd criteria niet tot is verplicht.

2.2.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres afkomstig is uit Syrië. Voorts is niet geschil dat de echtgenoot van eiseres, [echtgenoot van eiseres] een persoon is die in Nederland internationale bescherming geniet, als bedoeld in de Dublinverordening. Voorts is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat er sprake is van een duurzame relatie tussen eiseres en [echtgenoot van eiseres] . De rechtbank overweegt hiertoe dat eiseres in haar eerste gehoor reeds over haar partner heeft verklaard, dat zij haar huwelijk met stukken heeft onderbouwd en dat [echtgenoot van eiseres] in 2015 een aanvraag heeft ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor eiseres. Dat deze aanvraag door verweerder is afgewezen omdat niet is vast komen te staan dat de familieband al in het land van herkomst zou hebben bestaan is naar het oordeel van de rechtbank niet van belang in de huidige procedure van eiseres nu dit als zodanig geen voorwaarde is in de Dublinovereenkomst. De omstandigheid dat [echtgenoot van eiseres] in zijn eerste gehoor niet over eiseres heeft verklaard is dan ook niet van doorslaggevende betekenis.

Eiseres kan derhalve in beginsel een beroep doen op artikel 9 van de Dublinverordening.

2.3.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van 12 februari 2016 (201505008/1/V3) geoordeeld dat Hoofdstuk 3 van de Dublinverordening, blijkens artikel 7, tweede lid, van de Dublinverordening, slechts van toepassing is wanneer voor de eerste keer bij een lidstaat een asielaanvraag wordt ingediend, waardoor een vreemdeling geen beroep op de artikelen uit dit hoofdstuk kan doen indien de verantwoordelijkheid van een andere lidstaat reeds vast staat. Nu er in het geval van eiseres sprake is van een terugname omdat Duitsland op grond van artikel 18 eerste lid, aanhef en onder d van de Dublinverordening het claimverzoek heeft geaccepteerd, kan eiseres derhalve in beginsel slechts een beroep op artikel 9 van de Dublinverordening doen in haar procedure in Duitsland.

2.4.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat het bevreemdt dat Duitsland de claim heeft geaccepteerd op grond van artikel 18 eerste lid, aanhef en onder d van de Dublinverordening. Immers dit zou inhouden dat haar asielverzoek in Duitsland is afgewezen. Gezien het feit dat eiseres afkomstig is uit Syrië, valt niet in te zien dat zij om die reden niet in Duisland in aanmerking zou komen voor bescherming. Het een en ander klemt te meer nu eiseres maar enkele dagen in Duitsland heeft verbleven en het niet aannemelijk is dat zij een inhoudelijke procedure heeft doorlopen. Nu in antwoord op het verzoek van de gemachtigde van eiseres om informatie over haar asieldossier de Duitse autoriteiten de gemachtigde hebbendoorverwezen naar de Dublin Unit van verweerder, is de rechtbank van oordeel dat het aan verweerder is om nader onderzoek te doen. De rechtbank is van oordeel dat in de huidige stand van zaken het dan ook niet is uitgesloten dat eiseres toch een beroep op artikel 9 van de Dublinverordening in Nederland toekomt.

2.5.

Voorts overweegt de rechtbank dat indien eiseres zal worden overgedragen aan Duistland terwijl haar echtgenoot in Nederland over een verblijfsvergunning asiel beschikt, de weigering van verweerder om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening met zich meebrengt dat eiseres en haar ongeboren kind van haar echtgenoot worden gescheiden. Hoewel eiseres na terugname door Duitsland de mogelijkheid heeft om zich aldaar in de procedure te beroepen op artikel 9 van de Dublinverordening, acht de rechtbank een dergelijke formalistische benadering in het specifieke geval van eiseres, mede gezien het feit dat zij zwanger is, onevenredig belastend. Voorts kan de rechtbank verweerder niet volgen in haar verwijzing naar de overgelegde uitspraak van de Afdeling van 25 augustus 2016, omdat in die zaak de familie van de vreemdeling Unieburgers zijn en reeds hierom geen beletsel hadden om de vreemdeling te volgen naar Duitsland. In de voorliggende zaak is dit niet aan de orde en zal, indien eiseres internationale bescherming zou krijgen in Duitsland een hereniging niet op korte termijn kunnen plaatsvinden. Ook kan van eiseres en haar echtgenoot bezwaarlijk worden verlangd dat zij (op korte) termijn terugkeren naar hun land van herkomst om zich daar te herenigen.

3. Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd en verweerder zal opnieuw op de aanvraag moeten beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

4. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluitproceskosten bestuursrecht vastgesteld op €992,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt €496,- wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder opnieuw op de aanvraag dient te beslissen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten ad €992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van drs. F.J.M. van den Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (nadere informatie: www.raadvanstate.nl).