Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:13074

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-06-2016
Datum publicatie
03-11-2016
Zaaknummer
AWB 15_17988
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier 8 EVRM/Humanitair

- geen mvv

- geem 'more than normal emotional ties'

- hardheidsclausule

- hoorplicht

- beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 15/17988

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 2 juni 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

gemachtigde: mr. P.R. Klaver,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.E.P. Pijnenburg.

Procesverloop

Eiseres heeft op 6 oktober 2015 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 25 september 2015 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 20 april 2016. Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig R.H. Elbariri, tolk in de Arabische taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en bezit de Marokkaanse nationaliteit.

Op 20 oktober 2014 heeft eiseres een kennisgeving voor aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier 8 EVRM/humanitair ingediend. Eiseres heeft aangegeven dat zij verblijf beoogt bij haar drie in Nederland wonende kinderen, haar dochter [naam dochter] , geboren op [geboortedatum] , haar zoon [naam zoon] , geboren op [geboortedatum] en minderjarige haar zoon [naam zoon 1] , geboren op [geboortedatum] .

De aanvraag is op 11 februari 2015 ingediend. Bij besluit van 29 april 2015 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen.

2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres daartegen ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder overwogen dat eiseres niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Eiseres komt niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vreemdelingen besluit 2000 (Vb), omdat volgens verweerder haar uitzetting niet in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

De tegenwerping aan eiseres van het mvv-vereiste leidt volgens verweerder verder niet tot een onbillijkheid van overwegende aard zodat geen aanleiding wordt gezien tot toepassing van de hardheidsclausule ingevolge artikel 3.71, derde lid, van het Vb.

3. Eiseres heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat zij in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het om haar biologische kinderen gaat zodat het bestaan van een gezinsband voldoende is voor een geslaagd beroep op artikel 8 van het EVRM. Met name nu haar zoon [naam zoon 1] ten tijde van het indienen van de aanvraag nog minderjarig was. Daarnaast is er tussen haar en haar kinderen wel degelijk sprake van ‘more than normal emotional ties’. Eiseres stelt dat zij door omstandigheden, gelegen buiten haarzelf, gedwongen gescheiden heeft geleefd van haar kinderen waardoor zij ernstige psychische problemen heeft ondervonden. Ter onderbouwing hiervan heeft eiseres een brief van 7 augustus 2014 van haar behandelaar in Marokko, docteur [naam] , overgelegd en een rapport van I-Psy van 17 februari 2016.

Eiseres vreest voor haar echtgenoot bij terugkeer naar Marokko. De situatie van het gezin als geheel en eiseres is zeer schrijnend. Tot slot is eiseres van mening dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar.

4. Verweerder stelt zich in het verweerschrift van 5 april 2016 op het standpunt dat het bestreden besluit rechtens juist is.

De rechtbank overweegt als volgt.

5. Ingevolge artikel 13 van de Vreemdelingenwet (Vw) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, of indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van deze wet, niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, indien het een vreemdeling betreft die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie.

Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, van het Vb wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw, afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder l, is van het vereiste van een geldige mvv op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw vrijgesteld de vreemdeling van wie uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM zou zijn.

In het derde lid van dit artikel is bepaald dat verweerder het eerste lid van dit artikel buiten toepassing kan laten voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (de hardheidsclausule).

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, van het EVRM is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

6. Niet in geschil is dat eiseres niet in het bezit is van een geldige mvv. In geschil is of verweerder heeft kunnen overwegen dat er geen grond bestaat om eiseres op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb vrij te stellen van de verplichting te beschikken over een geldige mvv, omdat van een schending van artikel 8 van het EVRM geen sprake is. Verder is in geschil of verweerder heeft kunnen afzien van het toepassen van artikel 3.71, derde lid, van het Vb.

7. Gelet op vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de Mens (EHRM) (onder meer van 17 februari 2009, nr. 27319/07, JV 2009/141 in de zaak Onur tegen het Verenigd Koninkrijk) en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling, onder meer van 10 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW3337), zal tussen ouders en meerderjarige kinderen sprake moeten zijn van ‘more than normal emotional ties’, voordat de bescherming van artikel 8 van het EVRM kan worden ingeroepen. Blijkens de jurisprudentie van het EHRM is bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ‘more than normal emotional ties’ tussen volwassen familieleden een aantal factoren van belang. Deze factoren betreffen de eventuele samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkenen en de banden met het land van herkomst.

8. Niet in geschil is dat tussen eiseres en haar kinderen sprake is van familieleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de weigering van de mvv geen strijd oplevert met het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht op bescherming van het recht op familie- en gezinsleven. De rechtbank overweegt daartoe dat geen sprake is van inmenging als bedoeld in het tweede lid van artikel 8 van het EVRM, aangezien de weigering eiseres verblijf hier te lande toe te staan er niet toe strekt een verblijfstitel te ontnemen die haar tot het uitoefenen van het familieleven hier te lande in staat stelde. Desalniettemin dient er een belangenafweging plaats te vinden, waarbij volgens vaste jurisprudentie een ‘fair balance’ moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en diens gezin enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief beleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. Bij deze afweging komt aan verweerder een zekere beoordelingsruimte toe. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend dient te zijn.

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder blijkens het bestreden besluit alle van belang zijnde feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken.

Verweerder heeft in de omstandigheid dat [naam zoon 1] minderjarig was ten tijde van de aanvraag geen aanleiding hoeven zien voor de conclusie dat sprake is van feitelijke invulling van het familieleven. Verder heeft verweerder kunnen concluderen dat tussen eiseres en haar kinderen geen sprake is van ‘more than normal emotional ties’. Daarbij heeft verweerder waarde mogen hechten aan het feit dat de kinderen sinds 2000 gescheiden van eiseres in Nederland leven, dat zij in 2006 in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning en sindsdien niet meer bij hun vader leven, dat dochter [naam dochter] inmiddels een eigen gezin heeft gesticht, dat zoon [naam zoon] op zichzelf woont en zoon [naam zoon 1] bij [naam dochter] inwoont. Dat eiseres psychische problemen heeft, omdat zij gedwongen gescheiden heeft geleefd van haar kinderen, kan niet tot een ander oordeel leiden.

10. Het door eiseres gedane beroep op de hardheidsclausule faalt. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres geenszins heeft onderbouwd dat zij zich in Marokko niet staande kan houden en dat zij zich voor bescherming tegen haar (ex-)man niet kan wenden tot de Marokkaanse autoriteiten. Verder blijkt uit het verslag van I-Psy niet dat eiseres onder behandeling staat, zodat er geen sprake is van een medische noodsituatie.

11. Het beroep op schending van de hoorplicht kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin slagen. Van het horen in bezwaar kan op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht worden afgezien indien er naar objectieve maatstaven op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gemaakte bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden. Gezien de motivering van het primaire besluit en hetgeen eiseres hiertegen in haar bezwaarschrift heeft aangevoerd, is aan voormelde maatstaf voldaan.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P. van Alphen rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2016.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.