Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:13072

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-10-2016
Datum publicatie
01-11-2016
Zaaknummer
09/817894-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Den Haag veroordeelt een 21-jarige Colombiaanse vrouw tot 3 maanden gevangenisstraf voor het voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie. Verdachte is, na een achtervolging door de politie, aangehouden in een gestolen auto waarin vuurwapens met munitie zijn aangetroffen. Betrokkenheid van verdachte bij de aanwezigheid van twee andere vuurwapens en diefstal of heling van de auto kan niet worden bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/817894-16

Datum uitspraak: 27 oktober 2016

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting voor vrouwen, “HvB Nieuwersluis”, te Nieuwersluis.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 29 juli 2016 (pro forma) en 13 oktober 2016 (inhoudelijk). Deze strafzaak is gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de strafzaken tegen de verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (parketnummers 90/817892-16 respectievelijk 09/817893-16).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W.J. de Graaf, en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. P.J. Silvis, advocaat te Rotterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 3 mei 2016 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander, of

anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten een

pistool van het merk Beretta,model 92 FS en/of een pistool van het merk HS,

type 95 en/of een pistool van het merk Heckler & Koch, type USP, en/of

munitie van categorie III te weten één of meer bij voornoemd(e) wapen(s)

behorende (patroon)houder(s) gevuld met patronen, voorhanden heeft gehad;

2.

zij op of omstreeks 29 maart 2016 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen een (personen)auto (merk/type BMW type 5 serie)

met kenteken [kenteken] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

[betrokkene] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en /

of zijn mededader(s).

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 3 mei 2016 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met

een of anderen, althans alleen, een (personen)auto (merk/type BMW type 5

serie) met kenteken [kenteken] heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of

heeft overgedragen, terwijl zij en/of haar mededader(s) ten tijde van het

verwerven of het voorhanden krijgen van die (personen)auto wist(en), althans

redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf

verkregen goed(eren) betrof;

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding1

Verdachte is in de nacht van 3 mei 2016, na een achtervolging door de politie, aangehouden in een gestolen auto2 waarin twee vuurwapens met munitie zijn aangetroffen.3 Bij haar is bij haar aanhouding een derde vuurwapen met munitie aangetroffen.4 Niet ter discussie staat dat verdachte zich tijdens de autorit in de gestolen auto op de achterbank achter de bijrijdersstoel in de auto bevond.5

Verdachte is ten eerste tenlastegelegd – kort gezegd – het tezamen en in vereniging voorhanden hebben van een drietal vuurwapens van categorie III, met munitie. Ten tweede is verdachte primair tenlastegelegd diefstal van een auto, in vereniging gepleegd, en subsidiair al dan niet opzettelijke heling van een auto, in vereniging gepleegd.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het tweede primair ten laste gelegde feit.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het eerste feit en het tweede subsidiair ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de aan verdachte ten laste gelegde diefstal en heling, nu daarvoor ten aanzien van verdachte geen sprake is van wettig en overtuigend bewijs. De raadsman heeft voorts betoogd dat ten aanzien van verdachte alleen kan worden bewezen het voorhanden hebben van het wapen dat zij ten tijde van haar aanhouding onder zich had.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Vrijspraak ten aanzien van feit 2 primair

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 2 primair ten laste gelegde diefstal van de auto.

Vrijspraak ten aanzien van feit 2 subsidiair

De rechtbank is voorts, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat evenmin wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 2 subsidiair ten laste gelegde heling van de auto. Het dossier biedt immers geen basis voor het oordeel dat verdachte, op het moment dat zij in de auto stapte, redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de auto door misdrijf was verkregen.

Ten aanzien van feit 1

Aangezien verdachte heeft bekend dat zij één van in de tenlastelegging onder feit 1 genoemde vuurwapens met munitie – te weten de HS type 95 gevuld met patronen – onder zich had ten tijde van haar aanhouding, zij nadien niet anders heeft verklaard en de raadsman van verdachte ten aanzien van dat feit geen vrijspraak heeft bepleit, kan de rechtbank ingevolge artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 13 oktober 2016;

  • -

    het proces-verbaal aanhouding d.d. 3 mei 2016, blz. 37, eerste, derde, vijfde en achtste alinea;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 mei 2016, blz. 93, vijfde en achtste alinea;

  • -

    het proces-verbaal van het TFO d.d. 3 mei 2016, blz. 98-101.

De rechtbank ziet zich dan gesteld voor de vraag of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte dit vuurwapen tezamen en in vereniging met een ander, of anderen, voorhanden heeft gehad.

Vooropgesteld wordt dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

De rechtbank overweegt als volgt. Verdachte heeft verklaard dat de auto abrupt tot stilstand kwam, dat het vuurwapen toen ineens onder één van de stoelen vandaan kwam en dat zij het wapen heeft opgepakt en onder haar kleding heeft verstopt toen zij zag dat de politie eraan kwam, omdat het haar beter leek dat de politie het wapen niet zou zien en zij nooit had gedacht dat zij zou worden aangehouden.6 Nu uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat sprake is geweest van een langduriger bewustzijn bij verdachte omtrent de aanwezigheid van het wapen en het onderzoek ook overigens geen aanknopingspunten biedt voor het vaststellen van de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en één of meer anderen, moet het ervoor worden gehouden dat verdachte in een reflex heeft gehandeld toen zij dit wapen waarnam, pakte en onder haar kleding verborg. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen.

Ten slotte dient de rechtbank te beoordelen of verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met anderen, de andere twee wapens met munitie voorhanden heeft gehad die zijn aangetroffen in de auto waarin verdachte met de andere verdachten reed. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend, en overweegt daartoe als volgt.

Voor ‘voorhanden hebben’ in de zin van artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie is vereist dat verdachte zich in meer of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van één of meer van de vuurwapens die zijn aangetroffen in de auto waarin verdachte met haar medeverdachten reed. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij niet wist dat er wapens waren in de auto en dat het wapen dat zij bij zich heeft gestoken ineens onder één van de stoelen vandaan kwam toen de auto abrupt tot stilstand kwam.7

Op basis van het dossier is niet vast te stellen op welke plek in de auto de wapens zich exact bevonden. Ook ten aanzien van deze wapens biedt het dossier geen aanknopingspunten op grond waarvan kan worden vastgesteld dat deze, op het moment dat verdachte in de auto stapte en/of tijdens de rit, op een voor haar zichtbare plaats lag(en). Uit het dossier blijkt evenmin dat verdachte zich anderszins in meer of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van één of beide andere vuurwapens, zodat het voorhanden hebben van deze vuurwapens ten aanzien van verdachte niet kan worden bewezen. Verdachte zal in zoverre dan ook worden vrijgesproken.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte:

op 3 mei 2016 te 's-Gravenhage een wapen van categorie III, te weten een pistool van het merk HS, type 95 en munitie van categorie III te weten een bij voornoemd wapen behorende patroonhouder gevuld met patronen, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertien maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de door de officier van justitie gevorderde straf te hoog is en dat een gevangenisstraf met een kortere duur zou moeten worden opgelegd. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de strafeis van de officier van justitie ten onrechte is gebaseerd op voorbereidingshandelingen van een ander misdrijf, welke voorbereidingshandelingen niet bewezen kunnen worden. Verder heeft de raadsman betoogd dat verdachte het betreffende vuurwapen maar kort onder zich heeft gehad en dat zij first offender is, hetgeen straf mitigerend zou moeten werken.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden vrijheidsbenemende straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie. Het ongecontroleerde bezit van een dergelijk wapen vormt een ernstige bedreiging voor de rechtsorde. Gelet op het gevaar voor criminele incidenten en ernstige ongelukken heeft de wetgever hoge straffen gesteld op het voorhanden hebben van illegale wapens. In de onderhavige zaak ging het bovendien om een geladen wapen, dat binnen handbereik was in een auto op de openbare weg. De omstandigheden waaronder het wapen is aangetroffen – te weten midden in de nacht in een gestolen auto waarvan de bestuurder na een achtervolging door de politie trachtte te vluchten – duiden op gebruik van dat wapen in het criminele circuit. Deze strafverzwarende omstandigheden weegt de rechtbank mee in haar oordeel omtrent de strafmaat.

Bij het bepalen van de strafmaat zal de rechtbank in het voordeel van verdachte meewegen dat zij het vuurwapen met de munitie slechts korte tijd onder zich heeft gehad. De rechtbank neemt het verdachte evenwel kwalijk dat zij, toen zij het wapen zag, besloot om het onder zich te nemen, omdat het haar beter leek dat de politie het niet zou vinden. Zij had er immers ook voor kunnen – en in de ogen van de rechtbank: voor moeten – kiezen om de politie van de aanwezigheid van het vuurwapen op de hoogte te stellen, in plaats van het te verstoppen, met alle risico’s voor - in elk geval - de agenten van dien.

Documentatie

De rechtbank heeft kennis genomen van een op naam van verdachte staand uittreksel justitiële documentatie van 4 mei 2016. Daaruit blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Dit zal de rechtbank in het voordeel van verdachte meewegen in de strafmaat.

De straf

Het voorgaande afwegende, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden op haar plaats. De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat tot uitgangspunt genomen de straffen die in soortgelijke zaken gewoonlijk worden opgelegd, zoals neergelegd in de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) vastgestelde oriëntatiepunten voor de straftoemeting.

De duur van de op te leggen straf is aanmerkelijk korter dan door de officier van justitie geëist. Dat heeft er – naast voormelde overwegingen omtrent het strafblad van verdachte en de korte tijd dat verdachte het wapen onder zich heeft gehad – mee te maken dat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van feit 2 en eveneens van onderdelen van feit 1.

7 De inbeslaggenomen goederen

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage I aan dit vonnis is gehecht) onder 7 genummerde geldbedrag zal worden teruggegeven aan verdachte. De onder 1 tot en met 6 vermelde voorwerpen zijn reeds vernietigd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft over de in beslag genomen voorwerpen niets naar voren gebracht.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet verzet, zal de rechtbank de teruggave aan verdachte gelasten van het op de beslaglijst onder 7 genummerde geldbedrag van

€ 972,40. De rechtbank overweegt dat uit het dossier naar voren komt dat dit het bedrag is dat onder verdachte is aangetroffen en in beslag is genomen. De officier van justitie heeft dit bedrag echter opgeteld bij het geldbedrag dat bij verdachte [medeverdachte 2] is aangetroffen en in beslag is genomen.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 57 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie,

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2, primair en subsidiair, ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de teruggave aan verdachte van het onder 7 op de beslaglijst genummerde geldbedrag van € 972,40.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C.M. Bouman, voorzitter,

mr. E.M.M. Smilde-Schölvinck, rechter,

mr. L. Kelkensberg, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. R.A. Hopman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 oktober 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2016123419, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Zuid, districtsrecherche Den Haag-Zuid, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 322).

2 Proces-verbaal aanhouding d.d. 3 mei 2016, blz. 37, eerste, derde en zesde alinea en proces-verbaal aangifte diefstal personenauto d.d. 29 maart 2016, blz. 85-86.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 mei 2016, blz. 96, tweede alinea en processen-verbaal van het TFO d.d. 3 mei 2016, blz. 104-107 en blz. 110-113.

4 Proces-verbaal aanhouding d.d. 3 mei 2016, blz. 37, eerste, derde, vijfde en achtste alinea, proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 mei 2016, blz. 93, vijfde en achtste alinea en proces-verbaal van het TFO d.d. 3 mei 2016, blz. 98-101.

5 Proces-verbaal aanhouding d.d. 3 mei 2016, blz. 37, eerste en derde alinea.

6 Proces-verbaal ter terechtzitting van 13 oktober 2016.

7 Proces-verbaal ter terechtzitting van 13 oktober 2016.