Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:13071

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-10-2016
Datum publicatie
01-11-2016
Zaaknummer
AWB 16/8225, 16/15021 en AWB 16/15024
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat gelet op de tekst van artikel 29, tweede lid, van de Vw, zoals die luidt per 1 januari 2014 (wijziging van de Vw 2000 van 25 november 2013 in verband met het herschikken van de gronden van asielverlening, Stb. 2013, 478) als peildatum voor de beoordeling of sprake is van een feitelijke gezinsband tussen referent en de minderjarige (pleeg)kinderen de datum van binnenkomst van referent in Nederland moet gelden en niet (langer) de datum van vertrek van referent uit het land van herkomst. Dit volgt ook uit de beleidsregels van verweerder voornoemd van paragraaf C2/4.1 van de Vc, waarin ook staat dat het moment van binnenkomst van de referent in Nederland van belang is voor de beoordeling van de feitelijke gezinsband. Voorts worden ingevolge het beleid van verweerder in het geval van pleegkinderen alle feiten en omstandigheden van voor binnenkomst van de referent in Nederland betrokken bij de beoordeling van de gezinssituatie.

Op het moment van binnenkomst van referent in Nederland maakte de biologische vader feitelijk deel uit van het gezin van eiseressen. De rechtbank oordeelt dat verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat op het peilmoment de vader nog het gezag had over eiseressen en dat referent reeds daarom niet als hun pleegvader kan worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 16/8225, 16/15021 en AWB 16/15024

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2016 in de zaak tussen

1. [eiseres 1] , geboren op [2001] ,

2. [eiseres 2] , geboren op [1998] ,

3. [eiseres 3] , geboren op [2003]

allen van Syrische nationaliteit, eiseressen

(gemachtigde: mr. A.H. Hekman),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. L.J.T. van Es).

Procesverloop

Bij besluiten van 12 oktober 2015 (de primaire besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eiseressen voor het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘gezinshereniging in het kader van nareis’ afgewezen.

Bij afzonderlijke besluiten van 22 maart 2016 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eiseressen ongegrond verklaard.

Eiseressen hebben tegen de bestreden besluiten afzonderlijk beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2016. Eiseressen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen [A] , referent en een tolk A. Fawzy.

Overwegingen

1. Referent, meerderjarige hoofdpersoon van Syrische nationaliteit, is bij besluit van 27 november 2014 op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Referent is de broer van eiseressen. Op 18 februari 2015 heeft referent namens eiseressen een aanvraag gedaan om afgifte van een mvv in het kader van nareis.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseressen niet voldoen aan de voorwaarden van het nareisbeleid, nu zij als zussen van de meerderjarige hoofdpersoon niet op het moment van zijn vertrek uit Syrië feitelijk tot zijn gezin behoorden, maar tot het gezin van hun biologische vader, die het ouderlijk gezag uitoefende. Zij kunnen daarom niet worden aangemerkt als pleegkinderen van referent. Volgens verweerder is er geen sprake van een vervangende ouder-kind relatie tussen referent en zijn (jongere) zussen. Het enkel dragen van financiële verantwoordelijkheid is daarvoor onvoldoende.

3. Eiseressen voeren aan dat hun moeder op 13 december 2012 is overleden en dat sindsdien referent en vader samen voor hen hebben gezorgd. Dat vader na het vertrek van referent uit Syrië is vertrokken, maakt volgens eiseressen niet dat referent daarom niet (meer) als hun pleegouder kan worden aangemerkt. Eiseressen doen een beroep op Werkinstructie 2015/4, waarin staat dat tussen referenten en broers en zussen familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wordt aangenomen. Eiseressen verwijzen voorts inzake artikel 8 van het EVRM naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (het EHRM). Referent draagt niet alleen de financiële verantwoordelijkheid voor eiseressen maar hij is ook sociaal gezien verantwoordelijk voor hun opvoeding. Daar komt bij dat de gezinsleden door de oorlog in Syrië zijn gescheiden. Door de afwezigheid van hun vader zijn eiseressen als alleenstaande minderjarige meisjes in Syrië voor hun functioneren en opvoeding afhankelijk van referent als hun pleegouder en vanwege hun positie in Syrië in het bijzonder. Eiseressen stellen dat verweerder ingevolge paragraaf C2/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) voor het aanmerken van ‘adoptie-en pleegkinderen’ alle relevante feiten en omstandigheden moet meewegen. Verweerder heeft in dit kader ten onrechte de aangevoerde bijzondere omstandigheden onvoldoende meegewogen, aldus eiseressen.

4. Artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend:

a. de echtgenoot of het minderjarige kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling;

b. de vreemdeling die als partner of meerderjarig kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling zodanig afhankelijk is van die vreemdeling, dat hij om die reden behoort tot diens gezin;

c. de ouders van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling, indien die vreemdeling een alleenstaande minderjarige is in de zin van artikel 2, onder f, van Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (hierna: de Gezinsherenigingsrichtlijn).

5. In de beleidsregels van paragraaf C2/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) staat voor zover van belang, het volgende vermeld

(…) Feitelijke gezinsband

De IND verleent de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 tweede lid, Vw, als de kinderen, ouders, echtgeno(o)t(e) of partner feitelijk behoren tot het gezin van de referent. De IND verstaat onder kinderen als bedoeld in artikel 29 tweede lid, Vw, ook niet-biologische (adoptie- of pleeg)kinderen van een referent.

De referent in Nederland moet aantonen dat zijn kinderen, ouders, echtgeno(o)t(e) of partner op het moment van binnenkomst van de referent in Nederland feitelijk tot zijn gezin behoren en dat die feitelijke gezinsband niet verbroken is. De referent onderbouwt dit met documenten. De referent moet aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen verstrekken over het feitelijk behoren tot zijn gezin van zijn kinderen, ouders, echtgeno(o)t(e) of partner, als de referent de feitelijke gezinsband niet met documenten kan onderbouwen.

Voor het beoordelen van de feitelijke gezinsband tussen ouders en hun biologische kinderen wordt zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het beleid als beschreven in B7/3.2.1. Vc. Dit wordt als volgt uitgelegd:

(Opmerking rechtbank: onderstreping toegevoegd)

(…) Adoptie-en pleegkinderen

Anders dan bij biologische kinderen kan bij (meerderjarige en minderjarige) adoptie- en pleegkinderen niet door middel van een DNA-onderzoek worden aangetoond dat de referent en het kind tot elkaar in relatie staan. In deze gevallen moet op een andere manier worden getoetst of er sprake was van een feitelijke gezinsband tussen de referent en het pleegkind. De referent en de vreemdeling moeten dit aannemelijk maken.

Bij de beoordeling of het (meerderjarige en minderjarige) pleegkind feitelijk deel uitmaakt van het gezin van de referent, wordt onder meer betrokken:

• de duur van de opname van het pleegkind in het gezin van de referent;

• de (financiële) afhankelijkheid van het pleegkind van referent;

• de reden waarom het pleegkind is opgenomen in het gezin en, als dit aan de orde is, de reden dat een pleegkind tijdelijk buiten het gezin is geplaatst. Dit is van belang bij het vaststellen of anderen de zorg voor het kind hebben overgenomen waarmee het pleegkind feitelijk hun pleegkind is geworden.

In het geval van pleegkinderen worden alle feiten en omstandigheden van voor binnenkomst van de referent in Nederland betrokken bij de beoordeling van de gezinssituatie. Het moet daarbij gaan om feiten en omstandigheden die erop wijzen dat er sprake is geweest van een feitelijke gezinsband met de referent.

Als de feitelijke gezinsband tussen het pleegkind en de referent is vastgesteld, dan zijn de voorwaarden voor het verbreken van de feitelijke gezinsband voor niet-biologische kinderen gelijk aan die van biologische kinderen.(…) (Opmerking rechtbank: onderstreping toegevoegd)

6. De rechtbank stelt voorop dat in artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000 de wetgever er niet voor heeft gekozen om gezinshereniging toe te staan voor ouders, broers en zussen van meerderjarige in Nederland verblijvende personen. Gelet hierop behoren eiseressen als minderjarige zussen niet tot het kerngezin van referent als bedoeld in dit artikellid.

7. Voorts ligt aldus ter beoordeling voor of eiseressen als pleegkinderen van referent kunnen worden aangemerkt op grond waarvan zij daarom toch met toepassing van artikel 29 van de Vw, in onderlinge samenhang bezien met de beleidsregels van paragraaf C2/4.1 van de Vc, voor nareis in aanmerking komen.

8. De rechtbank stelt vast dat verweerder als peildatum voor de beoordeling of eiseressen als pleegkinderen feitelijk behoorden tot het gezin van referent, het moment van het vertrek van referent uit Syrië heeft genomen. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op de uitspraak van 19 oktober 2010 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) (ECLI:NL:RVS:2010:BO1555), waarin haar beleid destijds is bevestigd. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de tekst van artikel 29, tweede lid, van de Vw, zoals die luidt per 1 januari 2014 (wijziging van de Vw 2000 van 25 november 2013 in verband met het herschikken van de gronden van asielverlening, Stb. 2013, 478) als peildatum voor de beoordeling of sprake is van een feitelijke gezinsband tussen referent en de minderjarige (pleeg)kinderen de datum van binnenkomst van referent in Nederland, te weten 12 augustus 2014 moet gelden en niet (langer) de datum van vertrek van referent uit het land van herkomst, zijnde 7 september 2013. Dit volgt ook uit de beleidsregels van verweerder voornoemd van paragraaf C2/4.1 van de Vc, waarin ook staat dat het moment van binnenkomst van de referent in Nederland van belang is voor de beoordeling van de feitelijke gezinsband. Voorts worden ingevolge het beleid van verweerder in het geval van pleegkinderen alle feiten en omstandigheden van voor binnenkomst van de referent in Nederland betrokken bij de beoordeling van de gezinssituatie.

9. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder in de bestreden besluiten een onjuiste peildatum heeft gehanteerd voor de vraag of referent als pleegouder van eiseressen kan worden beschouwd. Dit maakt dat de bestreden besluiten een motiveringsgebrek bevatten. De beroepen zijn daarom gegrond. De bestreden besluiten worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

10. Verweerder heeft zich op zitting (nader) gemotiveerd op het standpunt gesteld dat referent ook op het moment van zijn binnenkomst in Nederland niet als pleegvader van eiseressen kan worden aangemerkt. Gelet op dit standpunt zal de rechtbank met oog op de finale geschilbeslechting bezien of de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.

11. Verweerder heeft voor zijn (nadere) standpunt redengevend geacht dat referent op 7 september 2013 uit Syrië is vertrokken en hij zich op 12 augustus 2014 in Ter Apel heeft gemeld voor een asielaanvraag. Uit het verslag van de hoorzitting en het aanvullend bezwaarschrift van 16 januari 2016 blijkt dat de biologische vader van eiseressen pas later, ergens tussen december 2014 en januari 2015, is vertrokken. Nu op het moment van binnenkomst van referent in Nederland de biologische vader feitelijk deel uitmaakte van het gezin van eiseressen, neemt verweerder aan dat de vader het gezag had over eiseressen en dat referent reeds daarom niet als hun pleegvader kan worden aangemerkt. Verweerder heeft in dat kader van belang geacht dat, zoals blijkt uit de (vertaalde) huwelijksakte, de vader op 11 december 2014 heeft getekend als getuige voor het huwelijk van zijn dochter en (jongere) zus van referent, [B] . Hieruit heeft verweerder afgeleid dat de vader en dus niet referent op dat moment was belast met het gezag over het gezin. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich hiermee voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft kunnen stellen dat referent niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiseressen op het moment van binnenkomst van referent in Nederland als pleegkinderen behoorden tot zijn gezin. Dat na het overlijden van hun moeder referent en zijn vader feitelijk gezamenlijk de (financiële) verantwoordelijkheid droegen voor eiseressen, kan het voorgaande niet anders maken. Evenmin de hachelijke positie van eiseressen in Syrië. Referent heeft verder ook niet met documenten aannemelijk gemaakt dat hij op het moment van binnenkomst in Nederland feitelijk was belast met het gezag over eiseressen en dat hij ten aanzien van eiseressen de belangrijkste beslissingen nam. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat verweerder dat wat is aangevoerd in dit kader onvoldoende heeft meegewogen. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiseressen onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake is van een pleegouder-pleegkind-relatie tussen referent en eiseressen.

12. Over de verwijzing van eiseressen naar de Werkinstructie 2015/4 en de door hen aangehaalde jurisprudentie van het EHRM, allemaal binnen het kader van artikel 8 van het EVRM, overweegt de rechtbank als volgt. Uit vaste jurisprudentie van de ABRvS, onder andere de uitspraak van 23 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3711), volgt dat verweerder de reikwijdte van de nareisbepaling in beperkte zin moet opvatten. Gelet op het bijzondere karakter van de in artikel 29, tweede lid van de Vw geregelde toelatingsgronden en de inbreuk die daarmee op de algemene systematiek van de Vw is gemaakt, heeft verweerder geen verdere afweging hoeven te maken in het kader van artikel 8 van het EVRM dan de afweging die reeds in deze bepaling besloten ligt. Nu eiseressen niet behoren tot het kerngezin als bedoeld in artikel 29, tweede lid van de Vw, noch als pleegkinderen van referent kunnen worden aangemerkt op grond van het beleid, dient een beoordeling in het kader van artikel 8 van het EVRM plaats te vinden in de procedure omtrent de verlening van een verblijfsvergunning regulier. Als eiseressen menen dat artikel 8 van het EVRM hen een aanspraak op toelating geeft, bestaat de mogelijkheid deze beoordeling te doen plaatsvinden in een aanvraagprocedure om in aanmerking gebracht te worden voor (een mvv op grond van) reguliere gezinshereniging. De verwijzing van eiseressen naar de Werkinstructie voornoemd en de jurisprudentie van het EHRM treft gelet op het voorgaande dan ook geen doel. Verweerder heeft zich aldus terecht op het standpunt gesteld dat de Werkinstructie en de aangehaalde jurisprudentie van het EHRM toepassing mist. De beroepsgrond slaagt niet.

13. Eiseressen voeren vervolgens aan dat uit de Final Act bij het Vluchtelingenverdrag, en het standpunt van het UNHCR in de “Guidelines on reunification of refugee families” volgt dat ook de broer- zus relatie bescherming behoeft en dat er sprake was van een gezinsband. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond van eiseressen faalt gelet op hetgeen hiervoor over de gezinsband is overwogen en omdat deze bronnen niet juridisch bindend zijn. Lidstaten hebben de ruimte om bij de aansluiting van deze internationale instrumenten hun eigen invulling te geven.

14. Eiseressen voeren tot slot aan dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 3 van het Internationaal Verdrag voor de rechten van het kind (IVRK).

15. De rechtbank overweegt dat nu verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat geen sprake is van pleegkinderen in de zin van het toepasselijke beleid, niet meer wordt toegekomen aan deze toets aan artikel 3 van het IVRK.

16. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder in redelijkheid de aanvragen van eiseressen voor een mvv nareis heeft kunnen afwijzen. De rechtbank bepaalt daarom dat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand worden gelaten.

17. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseressen gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.