Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:13006

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-10-2016
Datum publicatie
31-10-2016
Zaaknummer
AWB 16/16918
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Leges, kostendekkendheid. Richtlijn 2011/98/EU ( 'single permit'-richtlijn). Mvv, kennismigrant.

Verweerder heeft aangevoerd dat bij de bepaling van de hoogte van de leges het uitgangspunt is dat de leges zoveel mogelijk kostendekkend zijn. Verweerder betwist dat het legestarief voor de kennismigrant de legeskostprijs overstijgt. Met de inwerkingtreding van de Wet modern migratiebeleid (Momi) is het legestarief voor kennismigranten toentertijd vastgesteld op € 850,-. Vanwege de jaarlijkse indexering is dit bedrag thans verhoogd. Voor de invoering van Momi werd door verweerder driejaarlijks een meting uitgevoerd, onder meer naar de daadwerkelijke kosten van aanvragen bij de IND. In verband met de invoering van Momi en de extra werkzaamheden die dit opleverde heeft verweerder besloten pas later metingen te doen om representatieve gegevens te verkrijgen. Deze metingen zullen eerst eind 2016 zijn afgerond, aldus verweerder.

Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat zijn uitgangspunt is dat leges kostendekkend zijn. Verweerder heeft echter geen stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat het in deze procedure aan de orde zijnde legesbedrag van € 881,00 is gerelateerd aan de behandeling van de aanvraag van eiser. Dat, zoals verweerder stelt, eerst eind 2016 metingen beschikbaar zullen zijn en daardoor thans geen gegevens voorhanden zijn om de kostprijs te onderbouwen, komt voor rekening en risico van verweerder en betekent niet dat verweerder geen inzicht hoeft te geven in de kostendekkendheid van de leges. In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder verwezen naar de brief van de toenmalige Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel aan de Tweede Kamer van 31 januari 2012. Deze brief is echter, zoals verweerder zelf heeft aangegeven, tot op zekere hoogte gedateerd en maakt de opbouw van de kostprijs van het legestarief voor kennismigranten van thans € 881,00 niet inzichtelijk. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/16918

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 oktober 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D. Schaap),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. D.P.H. van Laarhoven).

Procesverloop

Eiser heeft, ten behoeve van het verkrijgen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), leges ten bedrage van € 881,00 voldaan. Op 19 februari 2016 is eisers paspoort van een mvv-sticker voorzien, waarmee hij Nederland is ingereisd.


Bij besluit van 6 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de legesheffing ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2016. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is [persoon] namens [werkgever] , werkgever van eiser, verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

2. Eiser is geboren op [geboortedag] 1982 en heeft de Indiase nationaliteit.

Ten behoeve van eiser is op 26 januari 2016 een aanvraag tot afgifte van een mvv ingediend in het kader van de Toelating- en Verblijfprocedure met als doel verblijf als kennismigrant in dienst van [werkgever] Bij brief van 9 februari 2016 heeft verweerder meegedeeld dat geen bezwaar bestaat tegen afgifte van een mvv aan eiser. Op 19 februari 2016 is de mvv in de vorm van een sticker in het paspoort van eiser geplakt. Voor het in behandeling nemen van de aanvraag is € 881,00 aan leges door verweerder in rekening gebracht en namens eiser betaald.

Aan eiser is, na inreis in Nederland, een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend geldig tot 1 maart 2017.

3. Het beroep van eiser is gericht tegen de legesheffing van € 881,00. Eiser acht de leges onevenredig hoog omdat de kosten de kostprijs overstijgen. Verder meent eiser dat de legesheffing in strijd is met artikel 10 van Richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven (Richtlijn). Eiser heeft ook aangevoerd dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden.

4. Verweerder heeft aangevoerd dat bij de bepaling van de hoogte van de leges het uitgangspunt is dat de leges zoveel mogelijk kostendekkend zijn. Verweerder betwist dat het legestarief voor de kennismigrant de legeskostprijs overstijgt. Met de inwerkingtreding van de Wet modern migratiebeleid (Momi) is het legestarief voor kennismigranten toentertijd vastgesteld op € 850,-. Vanwege de jaarlijkse indexering is dit bedrag thans verhoogd. Voor de invoering van Momi werd door verweerder driejaarlijks een meting uitgevoerd, onder meer naar de daadwerkelijke kosten van aanvragen bij de IND. In verband met de invoering van Momi en de extra werkzaamheden die dit opleverde heeft verweerder besloten pas later metingen te doen om representatieve gegevens te verkrijgen. Deze metingen zullen eerst eind 2016 zijn afgerond. In afwachting daarvan acht verweerder het niet opportuun om het legestarief aan te passen.
Verweerder acht een legesheffing van € 881,00 niet in strijd met artikel 10 van de Richtlijn. Volgens verweerder verschilt het hoofddoel van de Richtlijn aanmerkelijk van de richtlijnen voor gezinshereniging en langdurig ingezetenen omdat het bij deze Richtlijn om een economisch doel gaat. De hoogte van de leges heeft geen invloed op het doel van de Richtlijn, te weten het invoeren van één enkele aanvraagprocedure voor het verstrekken van een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om op het grondgebied van een lidstaat te verblijven.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat zijn uitgangspunt is dat leges kostendekkend zijn. Verweerder heeft echter geen stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat het in deze procedure aan de orde zijnde legesbedrag van € 881,00 is gerelateerd aan de behandeling van de aanvraag van eiser. Dat, zoals verweerder stelt, eerst eind 2016 metingen beschikbaar zullen zijn en daardoor thans geen gegevens voorhanden zijn om de kostprijs te onderbouwen, komt voor rekening en risico van verweerder en betekent niet dat verweerder geen inzicht hoeft te geven in de kostendekkendheid van de leges. In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder verwezen naar de brief van de toenmalige Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel aan de Tweede Kamer van 31 januari 2012. Deze brief is echter, zoals verweerder zelf heeft aangegeven, tot op zekere hoogte gedateerd en maakt de opbouw van de kostprijs van het legestarief voor kennismigranten van thans € 881,00 niet inzichtelijk.
Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.

7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

8. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 992,- voor verleende rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met waarde per punt € 496,- en een wegingsfactor 1).

9. De rechtbank bepaalt dat verweerder aan eiser het griffierecht van € 168,- vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 992,00;

- gelast verweerder aan eiser het griffierecht van € 168,- te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.L.W.M. Viering, voorzitter, en mr. M. van den Brink en mr. R.A. de Wit, leden, in aanwezigheid van mr. D.S. Arjun Sharma, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.