Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:12904

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-10-2016
Datum publicatie
27-10-2016
Zaaknummer
AWB 16/11946 en AWB 16/11949
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dublinverordening. Duitsland. Er is pas sprake van een ingediend asielverzoek in de zin van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening vanaf het tijdstip waarop de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat een door de asielzoeker ingediend formulier of een door de autoriteiten opgesteld proces-verbaal hebben ontvangen. Daarvan is in dit geval geen sprake. Een Eurodactreffer met code 1 kan weliswaar dienen als bewijs dat een formele aanvraag is ingediend, maar tegenbewijs is mogelijk. In dit geval is tegenbewijs geleverd. Derhalve geen formele asielverzoeken ingediend. Duitsland ten onrechte verantwoordelijk gehouden voor de afdoening van de asielaanvragen, gelet op artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2016/319 met annotatie van prof. mr. H. Battjes

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

zaaknummers: AWB 16/11946 en 16/11949

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 oktober 2016

in de zaken tussen

[eiseres 1],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

eiseres 1,

[eiseres 2] ,

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

eiseres 2,

beiden van Syrische nationaliteit,

gezamenlijk te noemen: eiseressen,

(gemachtigde: mr. S.T.C. Rebergen),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 31 mei 2016 heeft verweerder de aanvragen van eiseressen om aan hen een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Op 1 juni 2016 hebben eiseressen beroep ingesteld tegen deze besluiten.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van de gevoegde beroepen heeft plaatsgevonden ter zitting van

13 juli 2016. Eiseressen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.M. Luigjes.

Bij tussenuitspraak van 26 juli 2016 van deze rechtbank en zittingsplaats is verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na de datum van verzending van de tussenuitspraak het in de tussenuitspraak vastgestelde gebrek in de besluiten van

31 mei 2016 te herstellen.

Hierop heeft verweerder bij brief van 18 augustus 2016 gereageerd. Eiseressen hebben hierop bij brief van 15 september 2016 gereageerd.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is afgezien van een nader onderzoek ter zitting en is het onderzoek gesloten.

De beoordeling

1. Bij tussenuitspraak van 26 juli 2016 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het volgende overwogen:

5. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 7 juni 2016 in de zaken Karim (C-155/15), waaraan ook een terugnameverzoek ten grondslag lag, en Ghezelbash (C-63/15) dient de rechtbank, om zich ervan te vergewissen dat het betwiste overdrachtsbesluit is genomen na een juiste toepassing van de in de Dublinverordening vastgelegde procedure voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat, deze beroepsgrond te beoordelen. Hieruit volgt dat verweerder zich in de besluiten van 31 mei 2016 ten onrechte, onder verwijzing naar het arrest in de zaak Shamso Abdullahi van 10 december 2013 (C-394/12), op het standpunt heeft gesteld dat reeds omdat Duitsland het terugnameverzoek heeft geaccordeerd het betoog van eiseressen dat de Dublinverordening onjuist is toegepast, niet kan slagen. Nu verweerder echter ook inhoudelijk is ingegaan op het betoog van eiseressen dat zij in Duitsland niet hebben verzocht om internationale bescherming, kan vernietiging van de besluiten op deze grond uitblijven.

6. Ter zitting hebben eiseressen bevestigd dat hun vingerafdrukken in Duitsland zijn afgenomen. Niet in geschil is dat eiseres 1 niet geregistreerd staat in Eurodac en eiseres 2 wel.

7. In het verslag van 26 januari 2016 van de liaison officer Dublin staat het volgende vermeld:

‘Resultaat dacty – onderzoek Duitsland

Uitslag onderzoek: positief

Naar aanleiding van het Duitse Eurodac nummer [nummer] van bovengenoemde vreemdeling (toevoeging rechtbank: [eiseres 2]) is contact opgenomen met de Duitse autoriteiten.

Betrokkene komt in Duitsland voor onder dezelfde personalia.

(..)

overige gegevens

Betrokkene (toevoeging rechtbank: [eiseres 2]) is Duitsland ingereisd. Betrokkene is op 25 november gemeld bij een mobiele controle van de Duitse politie en heeft op dezelfde dag asiel aangevraagd zoals te zien is op de Eurodactreffer. Betrokkene heeft zich daarna niet meer gemeld bij een opvangcentrum. Verder is er niets bekend en gebeurd met de asielaanvraag in Duitsland van betrokkene. Betrokkene is in Duitsland samen met haar moeder [eiseres 1], geboren op [geboortedatum], van Syrische nationaliteit. Betrokkene en haar moeder volgen dezelfde procedure en zijn in hetzelfde dossier. De moeder heeft geen Duits eurodacnummer.’

8. In het door eiseressen overgelegde document van 2 mei 2016 van de Duitse autoriteiten staat vermeld:

‘The German authorities registered [eiseres 2] on 25.11.2015 with Eurodac (nr. 1 hit). [eiseres 1] was not registered with Eurodac. Shortly after the foreigner are absconded. Therefore they could not be interviewed if they apply for asylum in Germany.’

9. Uit lijst A van bijlage II bij de Uitvoeringsverordening volgt dat een treffer in Eurodac geldt als bewijs van de indiening van asielverzoek. Nog daargelaten of het verslag van de liaison officer als indirect bewijs moet worden aangemerkt van de indiening van het asielverzoek, bedoeld in lijst B, onder II.2, geldt ingevolge artikel 22, derde lid, van de Dublinverordening, zowel ten aanzien van bewijzen/bewijsmiddelen als ten aanzien van indirecte bewijzen, dat een vreemdeling bewijs kan leveren van het tegendeel. Het door eiseressen op hen betrekking hebbende stuk van de Duitse autoriteiten, waarvan verweerder de authenticiteit niet heeft betwist, had verweerder aanleiding moeten geven nader te onderzoeken of eiseressen in Duitsland een asielverzoek hebben ingediend. Gelet op de inhoud van dit document staat, anders dan verweerder stelt, niet onomstotelijk vast dat eiseressen in Duitsland hebben verzocht om internationale bescherming. De woorden ‘if they apply for asylum’ in dit stuk wijzen er, veeleer, op dat dat eiseressen nog niet hebben verzocht om internationale bescherming. Door in de besluiten van 31 mei 2016 te stellen dat uit dit document van de Duitse autoriteiten niet blijkt dat de eerder verstrekte informatie onjuist is, zonder hierover in contact te treden met deze autoriteiten, heeft verweerder niet voldaan aan de op hem rustende onderzoeks- en motiveringsplicht. Deze besluiten kunnen dan ook wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geen stand houden.

Bestuurlijke lus

10. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:51a van de Awb verweerder in de gelegenheid te stellen voormeld gebrek in de bestreden besluiten te herstellen. Verweerder dient nader contact op te nemen met de Duitse autoriteiten over de inhoud en strekking van het document van 2 mei 2016 en dient de rechtbank nader te informeren uit welke documenten van het Duitse dossier, waarnaar de liaison officer in zijn verslag van 26 januari 2016 verwijst, blijkt dat en door wie in Duitsland asiel is aangevraagd. Dit nadere onderzoek kan leiden tot hetzij een aanvullende motivering, hetzij tot intrekking van de thans bestreden besluiten, waarna opnieuw op de asielaanvragen dient te worden beslist.

2. Verweerder is op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen.

3. Bij brief van 4 augustus 2016 heeft verweerder meegedeeld dat hij gebruik wenste te maken van de geboden gelegenheid om het gebrek te herstellen.

4. Bij brief van 18 augustus 2016 heeft verweerder zijn reactie toegezonden, waarin, voor zover van belang, het volgende staat vermeld:

‘Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft verweerder contact gelegd met de Liaison Officer in Duitsland teneinde nadere informatie te verkrijgen. Op 12 augustus 2016 heeft verweerder een nader onderzoeksresultaat van deze Liaison Officer ontvangen. In het resultaat (bijgevoegd bij de brief van 18 augustus 2016, toevoeging rechtbank) wordt nogmaals aangegeven dat eiseressen dezelfde asielprocedure volgen en hetzelfde Duitse dossier hebben, nadat zij tijdens een mobiele controle hebben aangegeven asiel te willen aanvragen. Op het resultaat is bij het Duitse dossiernummer het woord ‘Vorakte’ genoteerd. Dit betekent dat er nog geen officiële asielaanvraag is ondertekend, en duidt enkel op de registratie van een vreemdeling die asiel aanvraagt en deze vreemdeling wordt daarna doorgestuurd naar een Aanmeldcentrum. (…) Navraag door de Liaison Officer bij de zaaksverantwoordelijke medewerker, degene met wie de gemachtigde van eiseressen schriftelijk contact heeft gehad, leert dat er geen officieel ondertekende asielaanvragen van eiseressen zijn geweest, nu zij na de registratie in Eurodac van eiseres 2, met onbekende bestemming zijn vertrokken. Daardoor konden eiseressen naar aanleiding van hun asielaanvragen niet gehoord worden.’

5. In reactie op deze brief hebben eiseressen betoogd dat met deze informatie nog steeds niet vast is komen te staan dat eiseressen in Duitsland hebben verzocht om internationale bescherming. Verweerder is er volgens eiseressen niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat zij een asielverzoek hebben ingediend in Duitsland. Daarom kan niet worden gesteld dat Duitsland op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EU) 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PbEU 2013 L 180; hierna: de Dublinverordening) verantwoordelijk is.

6.Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening behandelen de lidstaten van de Europese Unie elk verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze op het grondgebied van een van de lidstaten wordt ingediend, inclusief aan de grens of in de transitzones. Het verzoek wordt door een enkele lidstaat behandeld, namelijk de lidstaat die volgens de in hoofdstuk III van de Verordening genoemde criteria verantwoordelijk is.

Ingevolge het tweede lid is, wanneer op basis van de in deze verordening vastgestelde criteria geen verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen, de lidstaat waar het verzoek om internationale bescherming het eerst werd ingediend, verantwoordelijk voor de behandeling ervan.

Ingevolge artikel 18, eerste lid aanhef en onder b, is de verantwoordelijke lidstaat verplicht een verzoeker wiens verzoek in behandeling is en die een verzoek in een andere lidstaat heeft ingediend of die zich zonder verblijfstitel ophoudt in een andere lidstaat, volgens de in de artikelen 23, 24, 25 en 29 bepaalde voorwaarden terug te nemen.

7. De rechtbank stelt voorop dat het terugnameverzoek van verweerder is gebaseerd op artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Artikel 18 ziet op de verplichtingen van de verantwoordelijke lidstaat. Anders dan verweerder lijkt te veronderstellen kan de verantwoordelijkheid van een lidstaat dus niet op dit artikel worden gebaseerd, maar is die verantwoordelijkheid een voorwaarde voor het ontstaan van de verplichtingen van artikel 18.

8. Alvorens toe te komen aan de vraag of Duitsland op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, gehouden is eiseressen terug te nemen, ziet de rechtbank zich dus eerst voor de vraag gesteld of Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvragen van eiseressen.

9. Noch uit het claimverzoek, noch uit het claimakkoord noch uit de verdere besluitvorming valt op te maken op grond van welke bepaling uit de Dublinverordening Duitsland verantwoordelijk zou zijn. Omdat verweerder in zijn terugnameverzoek heeft gewezen op de in Duitsland ingediende asielverzoeken en Duitsland zich, onder verwijzing naar dat claimverzoek en artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, verantwoordelijk heeft geacht, moet aangenomen worden dat die verantwoordelijkheid gebaseerd is op artikel 3, tweede lid.

10. Het betoog van eiseressen komt er naar het oordeel van de rechtbank op neer dat zij Duitsland (ook) niet op grond van die bepaling verantwoordelijk achten omdat zij nooit een verzoek om internationale bescherming in Duitsland hebben ‘ingediend’ in de zin van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening.

11. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft zich in meerdere uitspraken uitgelaten over het begrip ‘ingediend’ zoals neergelegd in Verordening (EG) 343/2003 (de voorganger van de huidige Dublinverordening) en de huidige Dublinverordening. In haar uitspraak van 4 oktober 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BT7120) heeft de Afdeling overwogen dat ingevolge artikel 4, eerste en tweede lid, van Verordening (EG) 343/2003 een asielverzoek, wat betreft de aanvang van de procedure voor de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat, geacht wordt te zijn ingediend vanaf het tijdstip waarop de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat een door de asielzoeker ingediend formulier of een door de autoriteiten opgesteld proces-verbaal hebben ontvangen. De Afdeling heeft dat oordeel mede gebaseerd op de Engelse en Franse taalversies, waarin de termen ‘application is lodged’ en ‘the lodging of an application’ en ‘le dépôt de leur demande’ en ‘le dépôt d’une demande d’asile’ worden gebruikt.

In haar uitspraak van 17 mei 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA0622) heeft de Afdeling bepaald dat het toetsmoment voor de vaststelling van het ‘tijdstip waarop de asielzoeker zijn verzoek voor de eerste maal bij een lidstaat indient’ in artikel 5, tweede lid, van Verordening (EG) 343/2003 het moment is van het indienen van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en niet het moment van het kenbaar maken van de wens om asiel aan te vragen.

Bij uitspraak van 30 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1697) heeft de Afdeling vastgesteld dat het onderscheid tussen het kenbaar maken van de wens om een verzoek in te dienen en de indiening van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd door middel van een daartoe bestemd formulier ook geldt voor artikel 20, tweede lid, van de (huidige) Dublinverordening. Uit de uitspraak volgt verder dat voor het met artikel 4, tweede lid, van Verordening 343/2003 overeenkomende artikel 20, tweede lid, van de huidige Dublinverordening en voor het in artikel 49 van de huidige Dublinverordening opgenomen overgangsrecht uitgegaan moet worden van de formele indiening van de aanvraag.

In haar uitspraak van 24 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1833) heeft de Afdeling nogmaals bevestigd dat op grond van artikel 20, tweede lid, van de Dublinverordening dient te worden uitgegaan van de formele indiening van een verzoek om internationale bescherming door middel van het daartoe geëigende formulier als handeling die de in de Dublinverordening vervatte termijnen doet aanvangen.

12. De Afdeling heeft dus over de uitleg van het begrip ‘ingediend verzoek’ in een aantal artikelen uit de Dublinverordening (artikel 7, tweede lid, artikel 20, tweede lid, en artikel 49) geoordeeld dat het moet gaan om het indienen van een formele aanvraag en dat het enkel kenbaar maken van een wens om internationale bescherming te krijgen niet als een ingediend verzoek kan worden beschouwd. In artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening wordt datzelfde woord ‘ingediend’ gebruikt. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen reden om het woord ‘ingediend’ in artikel 3, tweede lid, gelet op deze jurisprudentie van de Afdeling, anders te lezen dan in die andere bepalingen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in andere taalversies in al deze artikelen dezelfde term gebruikt wordt: ‘lodged’ in de Engelse taalversie, ‘introduite’ in de Franse en ‘gestellt’ in de Duitse.

13. Op grond van het voorgaande moet worden geoordeeld dat een verzoek om internationale bescherming pas is ‘ingediend’ in de zin van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening op het moment dat een formele aanvraag is ingediend. Daarvan is nog geen sprake door het enkel kenbaar maken van de wens om internationale bescherming te krijgen.

14. Met betrekking tot de vraag of eiseressen in Duitsland een dergelijke formele aanvraag hebben ingediend, is van belang dat verweerder zich heeft beroepen op de Eurodac treffer. Uit lijst A van bijlage II bij de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 118/2014 volgt dat een treffer in Eurodac geldt als bewijs van de indiening van een asielverzoek. Ingevolge artikel 22, derde lid, van de Dublinverordening geldt evenwel dat een vreemdeling bewijs kan leveren van het tegendeel.

15. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eiseressen in dit geval het tegenbewijs geleverd. Verweerder heeft immers naar aanleiding van nader door hem verricht onderzoek, onder verwijzing naar de reactie van de liaison officer, gesteld dat er in Duitsland geen officieel ondertekende asielaanvragen van eiseressen zijn geweest. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is dan ook geen sprake van door eiseressen in Duitsland ingediende verzoeken in de zin van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening en kan Duitsland niet op grond van deze bepaling verantwoordelijk worden gehouden voor de behandeling van de in Nederland ingediende asielaanvragen van eiseressen

16. Nu ook overigens niet is gebleken dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de verzoeken, hebben eiseressen terecht aangevoerd dat het claimakkoord berust op een onjuiste juridische grondslag. Dit maakt dat verweerder de aanvragen van eiseressen ten onrechte op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 niet in behandeling heeft genomen.

17. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet heeft hersteld.

18. Derhalve zijn de beroepen gegrond en komen de besluiten van 31 mei 2016 voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal nieuwe besluiten moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

19. De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiseressen in verband met de (gevoegde) behandeling van de beroepen redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 1240 (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de nadere reactie van 15 september 2016, met een waarde van € 496 per punt en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de besluiten van 31 mei 2016;

- draagt verweerder op binnen zes weken nieuwe besluiten te nemen met in achtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van € 1240.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Tj. Gerbranda, voorzitter, mr. J.H. van Breda en

mr. R. Raat, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Barzilay, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2016.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak kunnen partijen binnen één week na de verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).