Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:12824

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-10-2016
Datum publicatie
26-10-2016
Zaaknummer
AWB 15/16253
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Prejudicieel verzoek
Inhoudsindicatie

De meervoudige kamer van de zittingsplaats Amsterdam van de vreemdelingenkamer van de rechtbank Den Haag stelt een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

De zaak gaat over een nareisverzoek van ouders van een inmiddels meerderjarig geworden asielzoekster op grond van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Zij was minderjarig toen ze het grondgebied van de EU bereikte. Het nareisverzoek is afgewezen omdat zij ten tijde van het nareisverzoek meerderjarig was geworden.

Artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 verwijst naar artikel 2, onder f, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Enerzijds lijkt daar te staan dat het peilmoment voor de leeftijd het moment van inreizen is. Anderzijds heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in uitspraken van 23 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3711 en ECLI:NL:RVS:2015:3712) geoordeeld dat de meerderjarigheid door tijdsverloop na aankomst in Nederland bij de beoordeling mag worden betrokken. Deze tegenstelling is de aanleiding voor het voornemen om een prejudiciële vraag te stellen.

De rechtbank ziet aanleiding het Hof te verzoeken bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de volgende vraag:

Dient bij gezinshereniging van vluchtelingen onder ‘alleenstaande minderjarige’ in de zin van artikel 2, aanhef en onder f, van de Richtlijn mede te worden begrepen een onderdaan van een derde land of een staatloze jonger dan 18 jaar, die zonder begeleiding van een krachtens de wet of het gewoonterecht verantwoordelijke volwassene op het grondgebied van een lidstaat aankomt en die:

- asiel aanvraagt,

- gedurende de asielprocedure op het grondgebied van de lidstaat 18 jaar wordt,

- asiel toegewezen krijgt met terugwerkende kracht tot de aanvraagdatum, en

- vervolgens gezinshereniging aanvraagt?

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2016/320

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/16253

V-nrs: [nummer] en [nummer]

verwijzingsuitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 26 oktober 2016 in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum 1], eiser,

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum 2], eiseres,

mede ten behoeve van hun minderjarige zonen:
gezamenlijk te noemen: eisers,
allen van Eritrese nationaliteit,

(gemachtigde: mr. N.C. Blomjous)

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van [naam 1] (referente) van 23 december 2014 om verlening van machtigingen tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel “Verblijf als familie- of gezinslid” ten behoeve van eisers afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 13 augustus 2015 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 3 september 2015 heeft de rechtbank het beroepschrift van eisers ontvangen. Verweerder heeft op 10 november 2015 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 22 maart 2016. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun voornoemde gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. J. Falkena en mr. B.M. Kristel. Tevens waren ter zitting aanwezig referente en G. Ogbamichael, tolk in de Tigrinia taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Bij beslissing van 21 april 2016 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en bepaald dat het onderzoek wordt voortgezet door de meervoudige kamer.

Verweerder heeft op 27 juni 2016 andermaal een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 5 juli 2016. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun voornoemde gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig referente, D. Habtab, tolk in de Tigrinia taal, en [naam 2]. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Bij beslissing van 8 september 2016 heeft de rechtbank het onderzoek heropend. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op de door de rechtbank in concept opgestelde prejudiciële vraag en hebben vervolgens schriftelijk kenbaar gemaakt geen opmerkingen te hebben over de formulering van de vraag. Met toestemming van partijen is afgezien van een nadere zitting. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

de feiten en omstandigheden waar de rechtbank van uitgaat

  1. Referente, geboren op [geboortedatum 3], is de dochter van eiser en eiseres en is de zus van [naam 3], [naam 4] en [naam 5], de drie minderjarige zonen van eisers. Ten tijde van de zitting van 5 juli 2016 verbleef eiser in [locatie 1] en verbleef eiseres samen met [naam 3], [naam 4] en [naam 5] in een vluchtelingenkamp in [locatie 2]. Referente was bij haar aankomst in Nederland en ten tijde van haar aanvraag om een verblijfsvergunning asiel op 26 februari 2014 minderjarig. De door haar gevraagde verblijfsvergunning asiel is bij besluit van 21 oktober 2014 verleend met terugwerkende kracht tot 26 februari 2014 en geldig tot 26 februari 2019. Op 23 december 2014 heeft VluchtelingenWerk Midden-Nederland namens referente de onderhavige aanvraag tot verlening van een mvv ten behoeve van de nareis van haar ouders (eiser en eiseres) en haar drie minderjarige broers ingediend.

  2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat referente ten tijde van de aanvraag tot verlening van de mvv meerderjarig was. Daardoor voldoet ze niet aan de voorwaarden van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 gelezen in samenhang met artikel 2, aanhef en onder f, van de Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (Richtlijn). Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd en zich, onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 26 februari 2015 (AWB 14/28260, niet gepubliceerd, door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bevestigd in de uitspraak van 23 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3712, te vinden op www.rechtspraak.nl), op het standpunt gesteld dat vergunningverlening aan nareizende ouders van een meerderjarig kind zich niet verdraagt met de ratio van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.

3. Eisers voeren aan dat verweerder hen ten onrechte niet de gevraagde mvv heeft verleend. Uit artikel 2, aanhef en onder f, van de Richtlijn volgt dat voor de vraag of iemand kwalificeert als alleenstaande minderjarige vreemdeling van belang is het moment van aankomst van de vreemdeling in de lidstaat. Niet ter discussie staat dat referente op het moment van aankomst minderjarig en vreemdeling in de zin van artikel 2, aanhef en onder f, van de Richtlijn was. Referente kon de aanvraag tot verlening van de mvv ten behoeve van haar ouders en broertjes pas na afloop van haar asielprocedure indienen. Doordat referente in die procedure op een laat moment over haar asielaanvraag is gehoord, liet de beslissing op haar asielaanvraag op zich wachten en was zij ten tijde van de aanvraag tot verlening van de mvv net meerderjarig geworden. Weliswaar heeft de Afdeling in de uitspraken van 23 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3711 en ECLI:NL:RVS:2015:3712, te vinden op www.rechtspraak.nl) geoordeeld dat de meerderjarigheid door tijdsverloop na aankomst in Nederland bij de beoordeling mag worden betrokken, maar daarmee leest de Afdeling iets in artikel 2, aanhef en onder f, van de Richtlijn wat er niet in staat. Een vreemdeling die nareis van familie wenst, is op deze manier van verweerder afhankelijk of een beroep op de nareisregeling kan worden gedaan. Daarom moet het recht op gezinshereniging net als asielrechten met terugwerkende kracht kunnen worden geëffectueerd. Het in het bestreden besluit neergelegde standpunt van verweerder en het in de uitspraken van de Afdeling van 23 november 2015 gegeven oordeel is, aldus eisers, daarom niet in overeenstemming met de Richtlijn. Eisers verzoeken de rechtbank op dit punt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) te stellen.

het juridische kader

4.1

Volgens artikel 2, aanhef en onder f, van de Richtlijn wordt onder 'alleenstaande minderjarige' verstaan: een onderdaan van een derde land of een staatloze jonger dan 18 jaar die zonder begeleiding van een krachtens de wet of het gewoonterecht verantwoordelijke volwassene op het grondgebied van een lidstaat aankomt, zolang hij niet daadwerkelijk onder de hoede van een dergelijke volwassene staat, of een minderjarige die zonder begeleiding wordt achtergelaten nadat hij op het grondgebied van de lidstaat is aangekomen.

4.2

De Richtlijn is geïmplementeerd in de Vw 2000. Op grond van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de ouders van een vreemdeling indien die vreemdeling een alleenstaande minderjarige is in de zin van artikel 2, onder f, van Richtlijn, indien die ouders op het tijdstip van binnenkomst van de desbetreffende vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend.

4.3

De Afdeling heeft in de onder 3.1 genoemde uitspraken van 23 november 2015 het volgende overwogen:
“Artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 sluit wat betreft de invulling van het begrip 'alleenstaande minderjarige' aan bij artikel 2, aanhef en onder f, van de Richtlijn. Laatstgenoemde bepaling gaat voor die invulling uit van het moment van aankomst op het grondgebied van een lidstaat, zij het voor zolang de desbetreffende vreemdeling niet daadwerkelijk onder de hoede staat van een krachtens de wet of het gewoonterecht verantwoordelijke volwassene. Hieruit volgt dat niet reeds het moment van aankomst in de lidstaat bepalend is, maar ook omstandigheden die zich na dat moment voordoen van belang kunnen zijn. De zich na aankomst voordoende omstandigheid dat een alleenstaande minderjarige vreemdeling onder de hoede wordt genomen van een voor hem verantwoordelijke volwassene brengt immers met zich dat hij niet langer binnen het toepassingsbereik van dat begrip valt. Gelet hierop valt niet in te zien dat de omstandigheid dat een vreemdeling na aankomst in Nederland de meerderjarige leeftijd bereikt, buiten beschouwing zou moeten blijven bij de vraag of hij binnen dat toepassingsbereik valt. Nu artikel 2, aanhef en onder f, van de Richtlijn uitgaat van minderjarigheid en de referent reeds ten tijde van de aanvragen meerderjarig was, heeft de staatssecretaris zich in het besluit terecht op het standpunt gesteld dat hij niet voldoet aan artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.”

de overwegingen van de rechtbank

5.1

Niet in geschil is dat referente ten tijde van aankomst in Nederland minderjarig was. Zoals de Afdeling in bovengenoemde overweging heeft overwogen gaat artikel 2, aanhef en onder f, van de Richtlijn voor de invulling van het begrip “alleenstaande minderjarige” uit van het moment van aankomst op het grondgebied van een lidstaat. Op het uitgangspunt dat het peilmoment is gelegen in het moment van de aankomst op het grondgebied van de lidstaat lijkt voornoemde bepaling slechts twee uitzonderingen te maken: één uitzondering die het toepassingsbereik van het begrip “alleenstaande minderjarige” uitbreidt en één uitzondering die het toepassingsbereik verkleint. Indien de minderjarige bij aankomst op het grondgebied van de lidstaat wel wordt begeleid door een krachtens de wet of het gewoonterecht verantwoordelijke volwassene, wordt hij op het peilmoment niet als ‘minderjarige vreemdeling’ gekwalificeerd, maar als de vreemdeling vervolgens zonder begeleiding wordt achtergelaten, is artikel 2, aanhef en onder f, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, toch van toepassing. De vreemdeling wordt echter niet als alleenstaande minderjarige gekwalificeerd als de vreemdeling weliswaar onbegeleid op het grondgebied van de lidstaat aankomt, maar hij of zij daarna wel onder de hoede van een krachtens de wet of het gewoonterecht verantwoordelijke volwassene komt te staan. Niet in geschil is dat de in genoemde bepaling vervatte uitzonderingssituaties zich hier niet voordoen.

5.2

De Afdeling heeft in bovengenoemde uitspraken van 23 november 2015 geoordeeld dat niet valt in te zien dat de omstandigheid dat een vreemdeling na aankomst in Nederland de meerderjarige leeftijd bereikt, buiten beschouwing zou moeten blijven bij de vraag of hij binnen het toepassingsbereik van artikel 2, aanhef en onder f, van de Richtlijn valt. De rechtbank ziet echter aanleiding om aan de juistheid van dit oordeel van de Afdeling te twijfelen. In de tekst van die bepaling lijkt geen steun te kunnen worden gevonden voor de opvatting dat bij beantwoording van de vraag of de vreemdeling binnen het toepassingsbereik valt andere omstandigheden van belang kunnen zijn buiten de daarin genoemde twee uitzonderingen op de hoofdregel. Die twee in artikel 2, aanhef en onder f, van de Richtlijn geformuleerde uitzonderingen op de datum van binnenkomst op het grondgebied van de lidstaten als peilmoment van de leeftijd van de vreemdeling lijken immers limitatief te zijn opgesomd en die bepaling lijkt daarom geen ruimte te bieden voor andere, niet in de bepaling zelf genoemde, uitzonderingen op dat peilmoment. De rechtbank wijst er in dit verband op dat in de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement betreffende richtsnoeren voor de toepassing van Richtlijn 2003/86/EG inzake het recht op gezinshereniging (Richtsnoeren) is vermeld dat, aangezien de toestemming voor gezinshereniging de algemene regel is, afwijkingen strikt moeten worden geïnterpreteerd. In de Richtsnoeren is evenmin een aanwijzing te vinden voor de juistheid van het oordeel van de Afdeling en het standpunt van verweerder dat een vreemdeling niet als alleenstaande minderjarige in de zin van artikel 2, aanhef en onder f, van de Richtlijn kan worden aangemerkt wanneer na de aankomst van de vreemdeling op het grondgebied de meerderjarige leeftijd wordt bereikt. Voorts wijst de rechtbank op het feit dat verweerder weliswaar op de asielaanvraag van referente heeft beslist toen ze meerderjarig was geworden, maar dat hij de ingangsdatum van de toegekende vergunning heeft laten terugwerken tot de aanvraagdatum, de datum dat zij nog minderjarig was.

5.3

Er is de rechtbank niet gebleken van een acte éclairé, nu er in het verleden niet al door het Hof een antwoord is gegeven op de vraag of onder ‘alleenstaande minderjarige’ in de zin van artikel 2, aanhef en onder f, van de Richtlijn mede dient te worden begrepen een onderdaan van een derde land of een staatloze jonger dan 18 jaar, die zonder begeleiding van een krachtens de wet of het gewoonterecht verantwoordelijke volwassene op het grondgebied van een lidstaat aankomt en nadien op het grondgebied van de lidstaat meerderjarig wordt. Evenmin is gebleken dat het antwoord op die vraag kan worden gevonden aan de hand van vaste rechtspraak van het Hof in vergelijkbare gevallen. Daarnaast is evenmin gebleken van een acte clair, nu artikel 2, aanhef en onder f, van de Richtlijn niet dusdanig helder is geformuleerd dat redelijkerwijs geen twijfel over de uitleg of het toepassingsbereik hiervan kan bestaan.

5.4

De rechtbank ziet daarom aanleiding het Hof te verzoeken bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de volgende vraag:

Dient bij gezinshereniging van vluchtelingen onder ‘alleenstaande minderjarige’ in de zin van artikel 2, aanhef en onder f, van de Richtlijn mede te worden begrepen een onderdaan van een derde land of een staatloze jonger dan 18 jaar, die zonder begeleiding van een krachtens de wet of het gewoonterecht verantwoordelijke volwassene op het grondgebied van een lidstaat aankomt en die:

- asiel aanvraagt,

- gedurende de asielprocedure op het grondgebied van de lidstaat 18 jaar wordt,

- asiel toegewezen krijgt met terugwerkende kracht tot de aanvraagdatum, en

- vervolgens gezinshereniging aanvraagt?

6.1

Gelet op het vorenstaande wordt het onderzoek heropend en zal de behandeling van het beroep worden geschorst totdat het Hof uitspraak heeft gedaan.

6.2

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- heropent het onderzoek;

- verzoekt het Hof bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de hierboven onder rechtsoverweging 5.4 genoemde vraag;

- schorst de behandeling van het beroep en houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Putten, voorzitter, en mr. E.J. Otten en mr. V.F.J. Bernt, leden, in aanwezigheid van mr. F.S. Zwerwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: FZ

D: A

VK

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.