Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:12789

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-10-2016
Datum publicatie
26-10-2016
Zaaknummer
09/817703-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Den Haag heeft een 24-jarige man veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren. Daarnaast wordt aan hem een gevangenisstraf van één maand voorwaardelijk opgelegd, die hij niet hoeft uit te zitten als hij binnen 2 jaar geen nieuwe strafbare feiten pleegt.

De man heeft op sociale media vier uitingen gedaan waarover hij in een uitzending van het tv-programma Pauw van 1 april 2016 is bevraagd.

Naar aanleiding van de uitingen en de toelichting hierop in het tv-programma hebben drie personen aangifte gedaan.

Deze uitingen, die onder andere gaan over homoseksuelen en ongelovigen, zijn aangemerkt als opruien en het verspreiden van opruiende geschriften en tot aanzetten tot haat en gewelddadig optreden. De rechtbank is van oordeel dat een specifieke uitlating over homoseksuelen, als geloofsuiting, onder de vrije meningsuiting en de geloofsvrijheid valt en daarom strafrechtelijk niet kan worden aangemerkt als het beledigen van een groep mensen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2017/6

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/817703-16

Datum uitspraak: 26 oktober 2016

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in zaak van de officier van justitie tegen verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats]

[adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 12 oktober 2016.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. I. Doves en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. W.G.H. Janssen, advocaat te Leiden, en door verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij of omstreeks 25 september 2013 en/of 11 januari 2015, althans op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 september 2013 tot en met 11 januari 2015 te Leiden en/of Noordwijkerhout, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in het openbaar, middels geschrift en/of afbeelding, heeft opgeruid tot enig strafbaar feit, door middel van:

het plaatsen en/of delen van een of meer bericht(en) en/of geschrift(en) en/of afbeelding(en) op social media, te weten op het [naam facebookprofiel] ' en/of [naam facebookprofiel] ') en/of op twitteraccount ( [naam twitteraccount] en/of [naam twitteraccount] ) met als [schermnaam] '), te weten

-(een) bericht(en) met de volgende tekst 'De overige twee prominente en bekende afvalligen en ex-moslims zoals Afshin Ellian en Ayaan Hirsi Ali zijn gewoon nog actief in het bestrijden van islam en moslims volgens mij, moge Allah ze bestraffen en laten lijden, ameen.' (vindplaats: p.53 en/of 67) en/of

-(een) bericht met de volgende tekst 'Every muslim living in the west could stand up and carry out jihad inside the west as those three muslims did in Paris!' (vindplaats: p.112)

waarin (telkens) (onder meer) (impliciet) wordt opgeroepen tot toepassing van geweld tegen tegenstanders van en/of vijanden van Allah en/of de islam en/of tegen ex-moslims en/of andersdenkenden/andersgelovigen/ongelovigen, althans tegen Afshin Ellian en/of Ayaan Hirsi Ali en/of tegen het Westen

en/of

hij op of omstreeks 25 september 2013 en/of 11 januari 2015, althans op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 september 2013 tot en met 11 januari 2015 te Leiden en/of Noordwijkerhout, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een geschrift(en) en/of afbeelding(en) waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, heeft verspreid, openlijk tentoongesteld en/of aangeslagen en/of om te verspreiden en/of openlijk tentoon te stellen of aan te slaan, in voorraad heeft gehad, terwijl hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat in het geschrift en/of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

een of meer bericht(en) en/of geschrift(en) en/of afbeelding(en) geplaatst en/of gedeeld op social media, te weten op het facebookprofiel ( [naam facebookprofiel] ' en/of [naam facebookprofiel] ') en/of op twitteraccount ( [naam twitteraccount] en/of [naam twitteraccount] met als [schermnaam] '), te weten

-(een) bericht(en) met de volgende tekst 'De overige twee prominente en bekende afvalligen en ex-moslims zoals Afshin Ellian en Ayaan Hirsi Ali zijn gewoon nog actief in het bestrijden van islam en moslims volgens mij, moge Allah ze bestraffen en laten lijden, ameen.'(vindplaats: p.53 en/of 67) en/of

-(een) bericht met de volgende tekst 'Every muslim living in the west could stand up and carry out jihad inside the west as those three muslims did in Paris!' (vindplaats: p.112)

waarin (telkens) (onder meer) (impliciet) wordt opgeroepen tot toepassing van geweld tegen tegenstanders van en/of vijanden van Allah en/of de islam en/of tegen ex-moslims en/of andersdenkenden/andersgelovigen/ongelovigen, althans tegen Afshin Ellian en/of Ayaan Hirsi Ali en/of tegen het Westen;

2.

hij op of omstreeks 25 september 2013 en/of 1 februari 2015 en/of op 7 april 2015, althans op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 september 2013 tot en met 7 april 2015 te Leiden en/of Noordwijkerhout, in elk geval in Nederland, (telkens) in het openbaar, mondeling en/of bij geschrift en/of afbeelding, heeft aangezet tot haat tegen en/of discriminatie van mensen, als bedoeld in artikel 90quater Wetboek van Strafrecht en/of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen, te weten ongelovigen, (telkens) wegens hun godsdienst of levensovertuiging en/of homoseksuelen, (telkens) wegens hun homoseksuele gerichtheid, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

op social media (facebook), geplaatst en/of gedeeld

-(een) bericht(en) met de volgende tekst 'De overige twee prominente en bekende afvalligen en ex-moslims zoals Afshin Ellian en Ayaan Hirsi Ali zijn gewoon nog actief in het bestrijden van islam en moslims volgens mij, moge Allah ze bestraffen en laten lijden, ameen.' (vindplaats: p.53 en/of 67) althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking

en/of op social media (twitter), geplaatst en/of gedeeld

-'In Raqqa krijg je als homo gratis vlieglessen van IS! En dat allemaal zonder vleugels of een vliegtuig! Alle homo's kunnen zich aanmelden' (vindplaats: p.111) en/of

-'Homoseksualiteit is een verwerpelijke, abnormale, perverse en ziekelijke afwijking, het is funest voor de mensheid, het is onnatuurlijk en het dreigt de mensheid met uitsterving als het zich verder verspreid.' (vindplaats: p.25 en 26 en/of p.100 en 101 en/of p.97)

althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking;

3.

hij op of omstreeks 1 februari 2015 en/of op 7 april 2015, althans op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 september 2013 tot en met 7 april 2015 te Leiden en/of Noordwijkerhout, in elk geval in Nederland, zich (telkens) in het openbaar, mondeling en/of bij geschrift en/of afbeelding, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten homoseksuelen, (telkens) wegens hun homoseksuele gerichtheid doordat verdachte en/of zijn mededader(s) op social media (twitter), opzettelijk beledigend heeft/hebben geplaatst en/of gedeeld

-'In Raqqa krijg je als homo gratis vlieglessen van IS! En dat allemaal zonder vleugels of een vliegtuig! Alle homo's kunnen zich aanmelden' (vindplaats: p.111) en/of

-'Homoseksualiteit is een verwerpelijke, abnormale, perverse en ziekelijke afwijking, het is funest voor de mensheid, het is onnatuurlijk en het dreigt de mensheid met uitsterving als het zich verder verspreid.' (vindplaats: p.25 en 26 en/of p.100 en 101 en/of p.97)

althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding1

Op 1 april 2016 verscheen verdachte in de uitzending van het tv-programma Pauw. In deze uitzending wordt hij bevraagd over een aantal uitingen die hij eerder op sociale media onder zijn eigen naam of [schermnaam] ’ heeft gedaan.2

Het betreft de volgende uitingen:

Uiting 1:

'De overige twee prominente en bekende afvalligen en ex-moslims zoals Afshin Ellian en Ayaan Hirsi Ali zijn gewoon nog actief in het bestrijden van islam en moslims volgens mij, moge Allah ze bestraffen en laten lijden, ameen.'3

Uiting 2:

'Every muslim living in the west could stand up and carry out jihad inside the west as those three muslims did in Paris!'4

Uiting 3:

'In Raqqa krijg je als homo gratis vlieglessen van IS! En dat allemaal zonder vleugels of een vliegtuig! Alle homo's kunnen zich aanmelden.'5

Uiting 4:

'Homoseksualiteit is een verwerpelijke, abnormale, perverse en ziekelijke afwijking, het is funest voor de mensheid, het is onnatuurlijk en het dreigt de mensheid met uitsterving als het zich verder verspreid.'6

Na deze uitzending hebben drie personen, onder wie A. Ellian – die in uiting 1 genoemd wordt – aangifte gedaan.7

Uitingen 1 en 2 zijn onder feit 1 (eerste en tweede alternatief/cumulatief) ten laste gelegd als opruiing en/of het verspreiden van opruiende geschriften of afbeeldingen. Uitingen 1, 3 en 4 zijn onder feit 2 ten laste gelegd als aanzetten tot haat, discriminatie of geweld (ook wel haatzaaiing genoemd). Uitingen 3 en 4 zijn onder feit 3 als groepsbelediging ten laste gelegd.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de hierboven weergegeven uitingen heeft gedaan. Hij betwist echter dat hij daarmee mensen heeft opgeruid, opruiende geschriften heeft verspreid, heeft aangezet tot haat en/of discriminatie of zich beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen. Verdachte heeft de uitingen als volgt toegelicht.

Uiting 1: Deze uiting moet worden gezien als een smeekbede aan Allah, om Hirsi Ali en Ellian (volgens verdachte: “de ongelovigen”) op het goede pad te leiden. Als zij zich niet zouden laten leiden (met ‘ei’) of Allah hen niet zou willen leiden, dan zouden zij door Allah bestraft kunnen worden in dit leven of in het hiernamaals. Volgens verdachte heeft hij het woord ‘lijden,’ zoals dat in de uiting staat, dan ook verkeerd geschreven en had het ‘leiden’ moeten zijn.

Uiting 2: Verdachte heeft verklaard dat hij het woordje ‘could’, dus kunnen, en niet ‘should’ heeft gebruikt omdat hij slechts heeft willen wijzen op de mogelijkheid dat in het westen aanslagen worden gepleegd. Hetgeen in Parijs bij Charlie Hebdo is gebeurd, wat de aanleiding voor het bewuste bericht was, keurt verdachte af. Dat hij dat afkeurt betekent echter niet dat hij het ermee eens is dat deze personen (de aanvallers op Charlie Hebdo) doodgeschoten zijn. Het zijn wel moslims en alle moslims zijn broeders, aldus verdachte. Hij had liever gewild dat er een strafproces was gekomen.

Uiting 3: Verdachte heeft verklaard dat deze uiting dom en stom gevonden kan worden, maar dat het een soort grap betreft. Moslims vinden spotprenten van Charlie Hebdo over de profeet ook niet grappig en homo’s zouden deze uiting op dezelfde wijze niet grappig kunnen vinden. Verdachte heeft slechts willen wijzen op de omstandigheid dat in de Islamitische Staat (IS) de Sharia geldt en dat IS de Sharia op eigen wijze in de praktijk brengt. Als een homo in de Islamitische Staat wordt gepakt dan kan hij op die wijze bestraft worden. Wij kunnen dat hard vinden, maar het gebeurt, aldus verdachte.

Uiting 4: Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de islam dit zegt en dat hij de bewuste uiting vanuit die optiek heeft gedaan. Verdachte heeft persoonlijk niets tegen homo’s, maar vanuit theologisch (islamitisch) oogpunt is homoseksualiteit een zonde die niet openlijk begaan mag worden. In de islam wordt gedacht dat het homoseksueel zijn wordt aangeleerd. De kritiek was gericht op homoseksualiteit niet op homo’s, aldus verdachte 8

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de hem bij dagvaarding ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat zij vrijspraak heeft gevorderd van het onder feit 1 (in het eerste en tweede cumulatief) opgenomen onderdeel ‘medeplegen.’ Voorts heeft zij vrijspraak gevorderd voor uiting 4 onder feit 2, nu deze uiting niet als strafbaar te kwalificeren is onder artikel 137d van het Wetboek van Strafrecht. De uiting zet niet aan tot haat, discriminatie of geweld tegen homoseksuelen.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van alle ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Het dossier bevat weliswaar voldoende wettig bewijs, maar het is niet overtuigend, aldus de raadsman. Verdachte heeft de consequenties van zijn internetgebruik niet overzien en hij heeft er geen slechte bedoelingen bij gehad.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

3.4.1.

Inleiding

Het recht van een ieder op vrijheid van gedachte, geweten en geloof is absoluut. Wat mensen denken en geloven, kan niet strafbaar zijn. Alleen gedragingen kunnen dat zijn, waaronder begrepen het doen van uitlatingen.

De vrijheid van godsdienst omvat meer dan de vrijheid van geloven. Het is het recht van een ieder zijn godsdienst te belijden, individueel of in gemeenschap met anderen. Belijden houdt ook in het zich, alleen of in groepsverband, gedragen naar het aangehangen geloof. Daaronder vallen het onderhouden van religieuze geboden en voorschriften, het uiting geven aan de geloofsovertuiging in erediensten, het overdragen daarvan in onderwijs en opvoeding, het verkondigen van de geloofsovertuiging en het oprichten van organisaties met een godsdienstig doel.

De vrijheid van godsdienst en levensovertuiging is stevig verankerd in de Nederlandse (en Europese) rechtsorde. Deze vrijheid is een kostbaar bezit, juist omdat zij gelijkelijk geldt voor alle godsdiensten en levensovertuigingen. Zij geldt voor het christendom, het jodendom, het hindoeïsme, het boeddhisme, het humanisme en vanzelfsprekend ook voor de islam, in al haar stromingen, richtingen en variaties.

De vrijheid van meningsuiting vormt één van de fundamenten van onze democratische samenleving en is een voorwaarde voor vooruitgang van de samenleving en de ontwikkeling van elk mens. Een democratische samenleving kenmerkt zich door pluralisme, tolerantie en ruimdenkendheid en vergt daarom dat er ook ruimte is voor het uitdragen van informatie, denkbeelden en opvattingen die de Staat of een groot deel van de bevolking choqueren, kwetsen of verontrusten. Ook het recht op vrijheid van meningsuiting is stevig verankerd in de Nederlandse (en Europese) rechtsorde.

Aan de uitoefening van deze vrijheden kunnen beperkingen worden gesteld, onder meer ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen of vanwege publieke belangen. Zo staat het bijvoorbeeld niet vrij mensen te beledigen of te bedreigen, in het openbaar aan te zetten tot discriminatie van, of haat of geweld tegen mensen vanwege onder meer hun ras, godsdienst of seksuele gerichtheid, of in het openbaar op te ruien tot het plegen van strafbare feiten. Deze beperkingen moeten echter wel altijd (i) bij wet zijn voorzien, (ii) een geoorloofd doel dienen en (iii) noodzakelijk zijn in een democratische samenleving.9

Ad (i) en (ii): de artikelen 131, 132, 137c en 137d van het Wetboek van Strafrecht (Sr) moeten worden beschouwd als in het kader van het EVRM toegestane, wettelijke inperkingen van de vrijheid van meningsuiting die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn.

Ad (iii): uit de Europese jurisprudentie moet worden afgeleid dat “noodzakelijk” inhoudt: een dringende maatschappelijke noodzaak (“pressing social need”) waarbij aan de lidstaten een zekere vrijheid toekomt bij de waardering van die noodzaak.10 Voorts dient de strafbaarstelling van opruiing en verspreiding ter opruiing een geoorloofd doel, te weten het voorkomen van strafbare feiten.

Tegen deze achtergrond is de vraag in hoeverre de overheid gerechtigd is een inbreuk te maken op het grondrecht niet in algemene zin te beantwoorden, maar zullen, behalve de letterlijke betekenis van de uiting of boodschap, de omstandigheden van het geval uitsluitsel moeten geven. De rechtbank zal bij de beoordeling van de ten laste gelegde uitingen de navolgende omstandigheden en factoren in aanmerking nemen:

  1. de inhoud van de uiting;

  2. de context waarin de uiting heeft plaatsgevonden;

  3. de plaats of gelegenheid waar de uiting wordt gedaan;

  4. de doelgroep waarop de uiting kennelijk was gericht;

  5. de kennelijke bedoeling van de uiting.11

3.4.2.

Feit 1, eerste en tweede alternatief/cumulatief

Algemeen

In artikel 131 Sr en (het aanverwante ‘verspreidingsdelict’) 132 Sr is opruiing tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag strafbaar gesteld.

Of sprake is van een opruiende uitlating kan afhangen van de uitlatingen als geheel, de kennelijke bedoeling van de uitlatingen, de context waarin de uitlatingen zijn gedaan, de plaats waar en de gelegenheid waarin de uitlatingen werden gedaan.12 Bij de in artikelen 131 en 132 Sr bedoelde ‘strafbare feiten’ gaat het om strafbare feiten naar Nederlands recht. eHet Uit feiten en omstandigheden moet kunnen worden afgeleid dat voldoende duidelijk is dat indien datgene waartoe wordt opgeroepen wordt uitgevoerd, dit een strafbaar feit zou opleveren.13

Opzet ligt besloten in de delictshandeling ‘opruit’. Degene die opruit hoeft niet te weten, dat strafbaar is waartoe hij aanzet. Nochtans moet het opzet wel zijn gericht op alle bestanddelen van een delict, waartoe wordt opgeruid. Van belang is ook of degene die de uitingen doet, de bedoeling heeft om ze ‘in het openbaar’ te brengen. Opzet kan het voorwaardelijk opzet bevatten.14 Bij artikel 132 Sr houden de gebruikte werkwoorden (verspreiden, openlijk tentoonstellen, aanslaan, in voorraad hebben) het opzet in, dat mede voorwaardelijk opzet omvat. Degene die de opruiende geschriften of afbeeldingen, gemaakt door de opruier, verspreidt, hoeft niet precies te weten tot welk soort strafbaar feit daarin wordt opgeruid. Zijn doel hoeft ook niet te zijn om zelf op te ruien. Wel vereist is dat degene die dit doet ten minste ernstige redenen heeft om te vermoeden dat de geschriften of afbeeldingen die worden verspreid, opruiend zijn.

De artikelen 131 en 132 Sr vereisen dat de opruiing in het openbaar plaatsvindt. In het openbaar betekent niet dat het ‘op een openbare plaats’ moet plaatsvinden. Het uiten van opruiende woorden moet onder zodanige omstandigheden en op zodanige wijze worden geuit, dat zij door het publiek gehoord kunnen worden.15 Door het plaatsen van uitingen op sociale media worden deze in de openbaarheid gebracht. Het internet kan worden aangemerkt als een openbare plaats, mits het publiek toegang heeft tot de internetpagina waar de teksten zijn weergegeven.16

Beoordeling onderhavige geval

Ten aanzien van uiting 1:

De rechtbank is van oordeel dat deze uiting redelijkerwijs niet anders kan worden begrepen dan als een aanmoediging om ‘afvalligen’, en Afshin Ellian en Ayaan Hirsi Ali in het bijzonder, iets (strafbaars) aan te doen. De termen ‘bestraffen’ en ‘laten lijden’ zijn in dit verband voldoende duidelijk. Deze termen moeten bovendien worden bezien in het licht van de aard en inhoud van de overige tekst. Daarin wordt immers gesproken over ‘afvalligen’, waarmee wordt gedoeld op mensen die hun (islamitische) geloof hebben verlaten. Het is naar algemene ervaringsregels bekend dat binnen bepaalde kringen in de islamitische geloofsgemeenschap geweld tegen deze groep gelegitimeerd wordt geacht. Verdachte, zelf bovendien moslim, moet dan ook hebben geweten dat zijn uiting kon worden opgevat als een aanmoediging om geweld te plegen tegen de daarin genoemde personen. Dat de uiting door anderen ook zo is begrepen, vindt bevestiging in het dossier: zo heeft ene ‘ [naam] ’ het bewuste bericht als volgt beantwoord: “moge Allah hun tong uit hun lichaam rukken voor hun beledigingen” waarop ene ‘ [naam] ’ heeft geantwoord: “Amien! Moge Allah hun tongen eraf snijden.”17

De rechtbank gaat er niet van uit dat verdachte ‘leiden’ in plaats van ‘lijden’ heeft willen schrijven. Dit verdraagt zich namelijk niet met de aard en overige inhoud van de tekst.

Ten aanzien van uiting 2:

Ook ten aanzien van deze uiting is de rechtbank van oordeel dat die moet worden begrepen als een tekst waarin wordt aangemoedigd tot het plegen van strafbare feiten. In de tekst, die

moet worden bezien tegen de achtergrond van de aanslag op 7 januari 2015 op het kantoor van Charlie Hebdo in Parijs, waarbij twaalf personen om het leven kwamen, wordt immers (minst genomen) geopperd dat elke moslim deel zou kunnen nemen aan de gewapende strijd.

Ten aanzien van beide uitingen:

Beide uitingen zijn op sociale media, te weten op Twitter dan wel Facebook, geplaatst. In het dossier zijn hiervan screenshots18 te vinden, een beschrijving door een verbalisant19 en de uitingen worden ook in de aangiften20 genoemd. Niet is gebleken dat verdachte een afgeschermde profielsite beheerde. Dit blijkt ook uit de verklaringen van aangevers. De Twitterpagina van verdachte was derhalve een voor een ieder toegankelijke internetpagina. Het was klaarblijkelijk ook de bedoeling van verdachte om een groter publiek te bereiken. In dit verband wijst de rechtbank op de verklaring van verdachte ter terechtzitting, dat hij een ‘publiek debat’ wilde aangaan.

De rechtbank is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat de uitingen, gelet op de inhoud, de bewoordingen en de context waarin deze zijn vervat, een opruiende strekking hebben. De uitingen leveren geenszins een bijdrage aan enig maatschappelijk debat en zijn daar ook volstrekt niet dienstig aan. Zelfs al moet verdachte worden geloofd in zijn verklaring dat hij met betrekking tot de uiting over ongelovigen een publiek debat op gang wilde krijgen, dan zijn de uitingen naar hun taalgebruik, uitdrukkingsvorm en toonzetting van een zodanige aard dat het verband met dit doel in redelijkheid niet meer kan worden gelegd. Er is aldus geen sprake van een context die het opruiende karakter aan de uitingen ontneemt.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat het onder feit 1, eerste en tweede alternatief/cumulatief wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

3.4.3.

Feiten 2 en 3

Algemeen

Verdachte wordt onder feit 2 verweten dat hij zich met uitingen 1, 3 en 4 schuldig heeft gemaakt aan het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld in de zin van artikel 137d Sr. Hem wordt onder feit 3 bovendien verweten dat hij zich met uitingen 3 en 4 schuldig heeft gemaakt aan belediging van een groep mensen, zoals bedoeld in artikel 137c Sr.

Het, onder meer in artikel 10 EVRM gegarandeerde, recht op vrijheid van meningsuiting staat aan een veroordeling ter zake van artikel 137d Sr onderscheidenlijk 137c Sr in de weg indien zo een veroordeling een op grond van artikel 10, tweede lid, EVRM toegelaten – te weten een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en daartoe een in een democratische samenleving noodzakelijke beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt.

Waar het de artikelen 137d Sr en 137c Sr betreft, begint de strafbaarheid waar kritiek ontaardt in het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld of het aantasten van de eer en goede naam van groepen mensen wegens het enkele feit dat de leden daarvan (voor zover in deze zaak van belang) de seksuele gerichtheid hebben of de godsdienst belijden, waartegen de kritiek gericht is. De rechtbank begrijpt de jurisprudentie van de Hoge Raad aldus dat ook groepen mensen die niet geloven in die zin beschermd worden.21

Specifiek ten aanzien van artikel 137d Sr geldt verder het volgende. ‘Aanzetten’ is het iemand (trachten te) bewegen in een bepaalde (mentale) richting te gaan. Het omvat mede iemand aansporen tot laakbaar gedrag en ook kan men denken aan opstoken of ophitsen. Er is sprake van ‘aanzetten tot haat’, indien uitlatingen een intrinsiek conflictueuze tweedeling schetsen waarvan geweld en discriminatie van een groep mensen een redelijkerwijs te verwachten gevolg kan zijn. De term ‘discriminatie’ is gedefinieerd in artikel 90quater Sr: ‘Onder discriminatie of discrimineren wordt verstaan elke vorm van onderscheid, elke uitsluiting, beperking of voorkeur, die ten doel heeft of ten gevolge kan hebben dat de erkenning, het genot of de uitoefening op voet van gelijkheid van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel terrein of op andere terreinen van het maatschappelijk leven, wordt teniet gedaan of aangetast’. ‘Gewelddadig optreden’ omvat vele soorten gedragingen die – indien daadwerkelijk gepleegd – delicten van uiteenlopende aard kunnen opleveren.

Of een scherp getoonzet debat overgaat in het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld hangt sterk af van de context waarin de uitlating wordt gedaan. Daarbij dient onder ogen te worden gezien of de gewraakte uitlating een bijdrage kan leveren aan het maatschappelijk debat.

Als het gaat om artikel 137c Sr is het toetsingskader als volgt. Beoordeeld moet worden of de betreffende uitlating:

 op zichzelf beledigend is voor een groep mensen wegens één van de in artikel 137c Sr genoemde kenmerken (waarbij niet alleen naar de letterlijke bewoordingen moet worden gekeken, maar ook naar de samenhang met de rest van de uiting) en zo ja,

 of de context waarin de uitlating is gedaan het beledigend karakter wegneemt en, indien dit het geval is,

 of de uitlating niettemin onnodig grievend is.

Wat hiervoor over de context van het maatschappelijk debat is gezegd, geldt ook hier.22

Beoordeling van het onderhavige geval

(Feit 2; 137d Sr)

Ten aanzien van uiting 1

Hierboven is al geoordeeld dat uiting 1 niet anders kan worden begrepen dan als een aanmoediging om ‘afvalligen’, Afshin Ellian en Ayaan Hirsi Ali in het bijzonder, iets aan te doen. Hierin ligt het in artikel 137d Sr bedoelde aanzetten besloten. De uiting is onmiskenbaar gericht op de groep van afvalligen. Zoals hiervoor overwogen biedt dit artikel ook bescherming voor de groep mensen die niet geloven.

Ten aanzien van uiting 3

Uiting 3 is door verdachte geplaatst op sociale media in een periode waarin op diezelfde media berichten verschenen waarin melding werd gemaakt van het gooien van homoseksuelen van hoge gebouwen in Raqqa. Op YouTube werd dit ook in beeld gebracht. Gelet op die context kan uiting 3 niet worden begrepen als een grapje. Het verweer van verdachte met die strekking verwerpt de rechtbank. Tegen de achtergrond van nieuwsberichten en beelden op sociale media kan uiting 3 dan ook niet anders worden begrepen dan als een aansporing om ook gewelddadig op te treden tegen (de groep van) homoseksuelen.

Ten aanzien van uiting 4

Uiting 4 diskwalificeert een groep mensen (homoseksuelen). Hoewel de tekst kwetsend zal zijn voor personen met een homoseksuele gerichtheid, kan naar het oordeel van de rechtbank op grond van deze tekst en de context waarbinnen deze geplaatst moet worden niet zonder meer worden gesteld dat verdachte de lezer met dit bericht heeft willen aanzetten (c.q. aansporen, opstoken, ophitsen) tot haat, discriminatie tegen of gewelddadig optreden tegen homoseksuelen. Verdachte dient derhalve van dit onderdeel onder feit 2 te worden vrijgesproken.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat feit 2 (op na te melden wijze) wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

(Feit 3; 137c Sr)

Ten aanzien van Uiting 3

Naar het oordeel van de rechtbank kan de uiting (die integraal ten laste is gelegd) reeds gelet op de letterlijke bewoordingen daarvan en de context waarbinnen deze is gedaan, niet worden aangemerkt als ‘beledigend’ in de zin van artikel 137c Sr. Verdachte dient derhalve van dit onderdeel onder feit 3 te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van Uiting 4

Zoals hiervoor is overwogen, zal voormelde uiting kwetsend zijn voor personen met een homoseksuele gerichtheid. Dat er mensen zijn (met een homoseksuele gerichtheid) die aanstoot nemen aan de uitingen blijkt ook uit de aangiften. In de uiting stelt verdachte homoseksuelen in een ongunstig daglicht. Zij worden als groep in diskrediet gebracht en de waardigheid van de groep wordt ernstig aangetast. De uiting is dan ook in beginsel beledigend van aard. Het beledigende karakter kan evenwel aan in beginsel beledigende uitlatingen komen te ontvallen, aldus de Hoge Raad in zijn arrest van 9 januari 2001, NJ 2001, 203, wanneer die uitlatingen een godsdienstige overtuiging direct uitdrukken. Bescherming tegen een strafrechtelijke procedure kan derhalve worden ontleend aan het eveneens in de Grondwet vastgelegde recht op vrijheid van godsdienst en godsdienstbeleving. De rechtbank is van oordeel dat in casu het beledigende karakter komt te vervallen, aangezien deze bewoordingen een uiting zijn van de geloofsovertuiging van verdachte.23 Het was verdachte toegestaan, op grond van het in artikel 6 van de Grondwet vastgelegde recht op vrijheid van godsdienst, de uitingen te doen. Derhalve kunnen die uitingen niet worden aangemerkt als beledigend in de zin van artikel 137c Sr. Verdachte dient derhalve van dit onderdeel onder feit 3 te worden vrijgesproken.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte van feit 3 dient te worden vrijgesproken.

3.4.4.

Overweging ten aanzien van de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2

Met de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 is voldaan aan het in het tweede lid van artikel 10 EVRM gestelde vereiste dat de (mogelijke) beperking is voorzien bij wet. In casu is de inbreuk op de vrijheid van meningsuiting in de vorm van een strafrechtelijke veroordeling noodzakelijk in een democratische samenleving, gelet op de inhoud van de uitingen en de context waarin deze werden gedaan. Zoals hiervoor is overwogen heeft verdachte de uitingen welbewust op het internet geplaatst. De uitingen, voor zover bewezen verklaard, kunnen geenszins een bijdrage leveren aan een publiek maatschappelijk debat of een geloofsopvatting en vallen niet onder de bescherming van artistieke expressie. Voor zover verdachte met de onder feit 1 en 2 bewezen te verklaren uitspraken gevolg heeft willen geven aan zijn geloofsopvatting overweegt de rechtbank dat deze uitingen onnodig grievend zijn.

Voorts heeft de rechtbank beoordeeld of bepaalde uitingen, met name uiting 4, onder het eveneens in de Grondwet vastgelegde recht op vrijheid van godsdienst en godsdienstbeleving toegestaan zijn.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat de inbreuk op het recht op vrijheid van meningsuiting van verdachte door vervolging terecht is gemaakt en noodzakelijk is geweest in een democratische samenleving ter bescherming van de gerechtvaardigde (grond)-rechten van anderen. Niet aannemelijk is dat dit voldoende op een andere wijze dan door middel van strafrechtelijk ingrijpen kon worden gerealiseerd. De rechtbank is op voormelde gronden van oordeel dat artikel 10 EVRM niet is geschonden.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van verdachte bewezen dat:

1.

hij in de periode van 25 september 2013 tot en met 11 januari 2015 te Leiden en/of Noordwijkerhout in het openbaar, middels geschrift heeft opgeruid tot enig strafbaar feit, door middel van:

het plaatsen van berichten of geschriften op social media, te weten op het facebookprofiel ( [naam facebookprofiel] ' en/of [naam facebookprofiel] ) en op twitteraccount (( [naam twitteraccount] en/of [naam twitteraccount] ) met als [schermnaam] '), te weten

- een bericht met de volgende tekst 'De overige twee prominente en bekende afvalligen en ex-moslims zoals Afshin Ellian en Ayaan Hirsi Ali zijn gewoon nog actief in het bestrijden van islam en moslims volgens mij, moge Allah ze bestraffen en laten lijden, ameen.'

en

- een bericht met de volgende tekst 'Every muslim living in the west could stand up and carry out jihad inside the west as those three muslims did in Paris!'

waarin wordt opgeroepen tot toepassing van geweld tegen tegenstanders van en vijanden van Allah en/of de islam en ex-moslims en/of andersdenkenden/andersgelovigen/ongelovigen en tegen Afshin Ellian en/of Ayaan Hirsi Ali en/of tegen het Westen;

en

hij in de periode van 25 september 2013 tot en met 11 januari 2015 te Leiden en/of Noordwijkerhout geschriften waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, heeft verspreid, terwijl hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat in het geschrift zodanige opruiing voorkomt, immers heeft verdachte en een of meer bericht(en) en/of geschrift(en) en/of afbeelding(en) geplaatst en/of gedeeld op social media, te weten op het facebookprofiel [naam facebookprofiel] en/of [naam facebookprofiel] en/of op twitteraccount ( [naam twitteraccount] en/of [naam twitteraccount] met als [schermnaam]

, te weten

- een bericht met de volgende tekst 'De overige twee prominente en bekende afvalligen en ex-moslims zoals Afshin Ellian en Ayaan Hirsi Ali zijn gewoon nog actief in het bestrijden van islam en moslims volgens mij, moge Allah ze bestraffen en laten lijden, ameen.'

en

- een bericht met de volgende tekst 'Every muslim living in the west could stand up and carry out jihad inside the west as those three muslims did in Paris!'

waarin wordt opgeroepen tot toepassing van geweld tegen tegenstanders van en vijanden van Allah en/of de islam en tegen ex-moslims en/of andersdenkenden/andersgelovigen/ongelovigen en tegen Afshin Ellian en/of Ayaan Hirsi Ali en/of tegen het Westen;

2.

hij in de periode van 25 september 2013 tot en met 7 april 2015 te Leiden en/of Noordwijkerhout in het openbaar bij geschrift heeft aangezet tot haat tegen en discriminatie van mensen, als bedoeld in artikel 90quater Wetboek van Strafrecht en gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen, te weten ongelovigen en homoseksuelen, wegens hun homoseksuele gerichtheid, immers heeft verdachte op social media (facebook), geplaatst

- een bericht met de volgende tekst 'De overige twee prominente en bekende afvalligen en ex-moslims zoals Afshin Ellian en Ayaan Hirsi Ali zijn gewoon nog actief in het bestrijden van islam en moslims volgens mij, moge Allah ze bestraffen en laten lijden, ameen.'

en op social media (twitter), geplaatst

-'In Raqqa krijg je als homo gratis vlieglessen van IS! En dat allemaal zonder vleugels of een vliegtuig! Alle homo's kunnen zich aanmelden'.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1:

het in het openbaar, bij geschrift opruien tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag, meermalen gepleegd;

en

een afbeelding waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, verspreiden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat in het geschrift zodanige opruiing voorkomt, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 2:

in het openbaar bij geschrift aanzetten tot haat tegen mensen, discriminatie van mensen en gewelddadig optreden tegen ongelovigen en personen wegens hun homoseksuele gerichtheid, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht weken, waarvan vier weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer met betrekking tot de strafmaat gevoerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft in de periode van 25 september 2013 tot en met 7 april 2015 een viertal uitingen gedaan waardoor hij heeft opgeruid, opruiende geschriften heeft verspreid, en hij heeft aangezet tot discriminatie, haat en gewelddadig optreden en belediging van een groep personen. Verdachte heeft door het doen van de uitingen ongelovigen en personen wegens hun homoseksuele gerichtheid en mogelijk ook andere personen onnodig gekwetst en gegriefd. Verdachte heeft later geen afstand van zijn uitingen gedaan. Door zijn handelen heeft verdachte gezorgd voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. De uitingen hebben in ieder geval anderen ertoe aangezet uitingen te doen. Dat, voor zover bekend, niemand gehoor heeft gegeven aan de uitingen door gewelddadig optreden of het plegen van strafbare feiten is niet aan verdachte te danken.

De rechtbank houdt bij het opleggen van de straf rekening met het feit dat onder 1 sprake is van een uitingen die meer dan één delictsomschrijving vervullen, zodat sprake is van ééndaadse samenloop.

De rechtbank heeft acht geslagen op een Uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte van 14 september 2016, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. De rechtbank merkt op dat uit het door de officier van justitie ter terechtzitting overgelegde rapport Osint niet naar voren komt dat verdachte zich na de bewezenverklaarde feiten opnieuw aan strafbare feiten schuldig gemaakt.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met de persoon van verdachte, zoals zij hem heeft leren kennen door zijn geschriften en internetpublicaties, voor zover blijkende uit het proces-verbaal, zijn verklaringen bij de verhoren en ook met zijn gedrag ter terechtzitting. Verdachte komt naar voren enerzijds als een persoon overtuigd van zijn eigen gelijk, die niet het laakbare van zijn gedrag inziet en daarop ook niet aanspreekbaar is, anderzijds als een slappeling die, indien onder druk gezet, bereid is tot verklaringen en gedragingen die van hem op dat moment verlangd worden, waarvoor hij zelfs zijn principes wil verloochenen. Een en ander baart de rechtbank grote zorgen.

Alles afwegende acht de rechtbank – anders dan de door de officier van justitie gevorderde onvoorwaardelijke gevangenisstraf – een forse taakstraf passend en geboden.

De rechtbank zal voorts een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, teneinde verdachte ervan te weerhouden in de toekomst nieuwe strafbare feiten te plegen. Feitelijk legt de rechtbank, niet tegenstaande de vrijspraak voor feit 3, een zwaardere straf op dan door de officier van justitie geëist. Dit is naar oordeel van de rechtbank geboden gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de persoon van verdachte.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 55, 57, 131, 132, 137c en 137d van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 3 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

Ten aanzien van feit 1:

het in het openbaar, bij geschrift opruien tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag, meermalen gepleegd;

en

een geschrift waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, verspreiden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat in het geschrift zodanige opruiing voorkomt, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 2:

in het openbaar bij geschrift aanzetten tot haat tegen mensen, discriminatie van mensen en gewelddadig optreden tegen persoon wegens hun levensbeschouwing en wegens hun homoseksuele gerichtheid, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 240 (tweehonderdveertig) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 120 (honderdtwintig) DAGEN;

veroordeelt verdachte voorts tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 1 (ÉÉN) MAAND;

bepaalt dat die straf niet zal worden ten uitvoer gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mr. Chr.A.J.F.M. Hensen, voorzitter,

mr. V.J. de Haan, rechter,

mr. E.A. Lensink, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. Koolen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 oktober 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2016034665, van de politie eenheid Den Haag, district Leiden – Bollenstreek, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 238).

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 113-114.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 60.

4 Zie onder meer de printscreen op p. 111 van het procesdossier.

5 Zie onder meer de printscreen op p. 112 van het procesdossier.

6 Zie onder meer het resultaat van onderzoek op p. 111 van het procesdossier.

7 Processen-verbaal van aangiften, p. 027-028; 044-050 en 058-059.

8 Verklaringen van verdachte ter terechtzitting van 12 oktober 2016.

9 Rb. Den Haag 10 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:14365.

10 Zie bijvoorbeeld EHRM 7 december 1976, NJ 1978/236 (Handyside) en EHRM 25 november 1997, nr. 18954/91 (Zana vs. Turkije).

11 Hof Den Haag 7 juli 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1978; Rb. Den Haag 10 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:14365.

12 Hof Den Haag 30 april 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1082; vgl. rechtbank Rotterdam 10 december 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:14365

13 Vgl. rechtbank Rotterdam 30 oktober 2017, LJN BB7174

14 HR 29 mei 2011, NJ 2001/694

15 HR 22 mei 1939, NJ 1939, 861;

16 Hof Amsterdam 23 december 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4139, en 28 mei 2014 ECLI:NL:GHAMS:2014:1945; HR 15 december 2009, ECLI:NLHR:2009:BJ7237

17 Onder meer als bijlage bij het proces-verbaal van aangifte, p. 54.

18 Onder meer als bijlage bij het proces-verbaal van aangifte, p. 22;

19 Proces-verbaal van bevindingen, p. 60.

20 Processen-verbaal van aangiften, p. 027-028; 044-050 en 058-059.

21 HR 02-02-2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5193.

22 Vgl. voor deze overwegingen Rb. Den Haag 10 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:14365 en de daarin genoemde jurisprudentie.

23 Zie ook Rb. Rotterdam 08-04-2002, ECLI:NL:RBROT:2002:AE1154.