Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:12777

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
27-10-2016
Zaaknummer
C-09-507516-HA ZA 16-318
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. EEX-verordening. Onverschuldigde girale betaling vanuit Italië naar Nederland. Woonplaats gedaagde rekeninghouder onbekend. Eiseres wordt in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de rechtsmacht en relatieve bevoegdheid van de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/527

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/507516 / HA ZA 16-318

Vonnis van 24 augustus 2016

in de zaak van

de rechtspersoon naar Italiaans recht

VROON OFFSHORE SERVICES S.R.L.,

gevestigd te Genua, Italië,

eiseres,

advocaat mr. E. Bregonje te Terneuzen,

tegen

[gedaagde] ,

voorheen wonende te [woonplaats] ,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats,

gedaagde,

niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

- de dagvaarding van 24 december 2015 tegen de eerste rolzitting van 13 april 2016, met de producties 1 t/m 4, alsmede de beslagstukken;

- de kopieën van de advertenties in de Staatscourant van 18 december 2015 en 30 december 2015;

- het herstelexploot van 19 april 2016, alsmede de kopie van de advertentie in de Staatscourant van 22 april 2016;

- het ter rolzitting van 27 juli 2016 tegen gedaagde verleende verstek.

1.2.

De datum voor dit verstekvonnis is bepaald op vandaag.

2 De beoordeling

2.1.

Allereerst moet worden beoordeeld of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om over deze zaak te oordelen. Immers, de in Italië gevestigde eiseres (een vennootschap naar Italiaans recht) vordert van gedaagde terugbetaling van een bedrag wegens onverschuldigde betaling, in verband met de omstandigheden dat zij dat bedrag ten behoeve van haar in Nederland gevestigde zusterbedrijf heeft betaald op een rekeningnummer van een Nederlandse bank dat eerder bij dat zusterbedrijf in gebruik was maar door de bank inmiddels aan gedaagde was vergeven en dat gedaagde, die ten tijde van de betaling in [woonplaats], Nederland, woonachtig was, desgevraagd niet bereid is gebleken dit bedrag aan eiseres terug te betalen. Derhalve moet in beginsel aan de hand van de bevoegdheidsregels van de herschikte Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel 1-bis) worden bepaald of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft.

2.2.

Op grond van de hoofdregel van artikel 4 Brussel 1-bis is de rechter van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft bevoegd om van de vordering kennis te nemen. Of gedaagde woonplaats heeft in Nederland, moet op grond van artikel 62, eerste lid Brussel 1-bis worden beoordeeld aan de hand van de artikelen 1:10 e.v. van het Burgerlijk Wetboek (BW). Uit de stellingen van eiseres volgt dat gedaagde al ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland had in de zin van artikel 1:10 BW. Gedaagde had voorheen kennelijk een woonadres aan de [adres] in [woonplaats]. Evenmin zijn er aanknopingspunten dat gedaagde elders in Nederland een bekende woon- of verblijfplaats heeft. In dat verband zij gewezen op een door eiseres overgelegd uittreksel uit de Basisregistratie Personen van de gemeente [de gemeente], waarin is opgenomen dat gedaagde zich op 6 januari 2016 heeft uitgeschreven bij de gemeente [de gemeente] wegens vertrek naar adres ‘Onbekend’.

2.3.

De rechtbank stelt vast dat daarmee ook geen aanknopingspunten voorhanden zijn dat gedaagde in een andere lidstaat van de Europese Unie zijn woon- of verblijfplaats heeft. Dat betekent dat de hoofdregel van artikel 4 Brussel 1-bis bij gebreke van een bekende woonplaats van gedaagde geen uitkomst biedt.

2.4.

Evenmin kan artikel 6 Brussel 1-bis, waarin is bepaald dat de bevoegdheid van een lidstaat wordt geregeld door het nationale recht indien de verweerder geen woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, in deze zaak worden toegepast. Uit de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 november 2011, NJ 2012, 225 (Hypothecni Banka/Linder) en 15 maart 2012, NJ 2012, 286 (G./de Visser, deze arresten hierna te noemen Lindner en De Visser) volgt immers dat artikel 6 pas in beeld komt indien er afdoende aanwijzingen zijn dat gedaagde zonder bekende woonplaats in één van de lidstaten daadwerkelijk buiten het grondgebied van de Europese Unie woont (vgl. De Visser, r.o. 40). Dergelijke aanwijzingen ontbreken hier.

2.5.

Uit de eerdergenoemde arresten van het Hof van Justitie volgt dat in een geval als hier aan de orde, waarbij van de gedaagde, onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie, geen woonplaats bekend is (en er geen aanwijzingen zijn dat hij buiten het grondgebied van de Unie verblijft) moet worden onderzocht of en krachtens welke bepaling van de uniforme bevoegdheidsregels van Brussel 1-bis (afdeling II en verder) een bevoegde rechter kan worden aangewezen. De toepassing van de internationale regels boven de nationale regels strookt volgens het hof immers met het gebod van rechtszekerheid en met het doel van de verordening, namelijk de versterking van de positie van personen die in de Unie wonen, door het voor de eiser gemakkelijker te maken te bepalen welke rechter hij kan aanzoeken, en voor de verweerder voorzienbaar te maken voor welk gerecht hij kan worden opgeroepen (vgl. De Visser, r.o. 39 en Lindner, r.o. 44 en 45). De rechtbank wijst er op dat de in afdeling II en verder opgenomen bevoegdheidsregels (anders dan art. 4 Brussel I bis) tevens de in de bewuste lidstaat relatief bevoegde rechter aanwijzen.

2.6.

Eiseres heeft zich over de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en de relatieve bevoegdheid van deze rechtbank nog niet uitgelaten. De rechtbank zal daarom bepalen dat eiseres zich hierover bij akte dient uit te laten. Daarbij dient eiseres in elk geval gemotiveerd in te gaan op de vraag of artikel 7, tweede lid Brussel 1-bis, waarin is bepaald dat een persoon ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad (ook) kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen, in het onderhavige geval, waarin het betreft een vordering wegens onverschuldigde betaling, een grondslag biedt voor de bevoegdheid van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en de relatieve bevoegdheid van deze rechtbank en, zo ja, waarom dat zo is. De rechtbank wijst er tot slot op dat een eventuele wijziging van (de gronden van de) eis aan gedaagde dient te worden betekend en dat een daartoe uit te brengen exploit aan de rechtbank moet worden overgelegd.

2.7.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3 De beslissingen

De rechtbank:

3.1.

verwijst de zaak naar de rol van 7 september 2016 voor akte aan de zijde van eisers met het onder 2.6 omschreven doel;

3.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Alt-van Endt en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2016.