Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:12776

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-10-2016
Datum publicatie
25-10-2016
Zaaknummer
16/13727
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Ongewenstverklaring derdelander

- Zh. en O. niet van toepassing

- 8 EVRM

- beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 16/13727

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 24 oktober 2016 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde mr. W.P.R. Peeters,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. D. Berben.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 25 mei 2016 inzake de ongewenstverklaring van eiser (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 16 september 2016. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Angolese nationaliteit. Op 11 februari 2016 is eiser bij vonnis van de politierechter te Rotterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden wegens het voorhanden hebben van een identiteitsbewijs waarvan hij weet dat het vals of vervalst is. Eiser is niet in het bezit van een verblijfsvergunning voor Nederland. Uit Eurodac is gebleken dat eiser in 2010 asiel heeft aangevraagd in Frankrijk. Verweerder heeft de autoriteiten van Frankrijk op 11 maart 2016 gevraagd eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening 604/2013 (Dublinverordening). De autoriteiten van Frankrijk hebben daar op 16 maart 2016 mee ingestemd. Op 18 maart 2016 is aan eiser een overdrachtsbesluit uitgereikt en op 8 april 2016 is hij overgedragen aan Frankrijk. Vervolgens is eiser bij besluit van 24 maart 2016 (het primaire besluit) ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat hij een gevaar vormt voor de openbare orde. Daarbij heeft verweerder overwogen dat eiser, gelet op de Dublinclaim, niet valt onder de werkingssfeer van de Richtlijn 2008/115 (Terugkeerrichtlijn). Er kan daarom geen inreisverbod opgelegd worden. Verder heeft verweerder aangenomen dat de ongewenstverklaring een inmenging vormt in eisers gezinsleven met zijn vriendin en kinderen die in Nederland wonen, maar komt hij tot de conclusie dat deze inmenging gerechtvaardigd is en de ongewenstverklaring dus niet in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser daartegen kennelijk ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder, in aanvulling op het primaire besluit, overwogen dat het vonnis van de politierechter daags na het primaire besluit onherroepelijk is geworden. Dat eiser stelt gearresteerd te zijn vlak voor het moment dat hij zijn kinderen zou erkennen, komt voor zijn eigen rekening en risico. Bovendien valt niet in te zien hoe deze erkenning tot een andere uitkomst had kunnen leiden, nu er immers in het primaire besluit al uitgegaan is van gezinsleven. Tot slot stelt verweerder zich op het standpunt dat de Europese regelgeving en jurisprudentie over het inreisverbod niet van toepassing zijn, omdat de ongewenstverklaring een nationaalrechtelijke maatregel is.

3. Eiser heeft daartegen in beroep het volgende aangevoerd. Verweerder heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Gelet op de congruentie tussen een zwaar inreisverbod en een ongewenstverklaring, had verweerder conform het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 11 juni 2015 in de zaak Zh. en O., C-554/13 (hierna: arrest Zh. en O.), moeten beoordelen of eiser een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormt. Voorts had verweerder rekening moeten houden met het feit dat eisers vriendin en kinderen binnenkort waarschijnlijk de Nederlandse nationaliteit zullen verkrijgen, gelet op de door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) aan het Hof gestelde prejudiciële vragen (C-133/15) over de vraag of een ouder/derdelander op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) een afgeleid verblijfsrecht ontleent aan de status van Unieburger van het kind. Tot slot heeft eiser gemotiveerd betwist dat de ongewenstverklaring niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet valt onder de werkingssfeer van de Terugkeerrichtlijn. Blijkens artikel 2, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn is deze van toepassing op illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen. Ten tijde van het bestreden besluit was eiser reeds overgedragen aan Frankrijk, waardoor hij niet meer illegaal op het grondgebied van een lidstaat verbleef. Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat hij aan eiser geen inreisverbod kon opleggen, maar dat hij eiser wel op grond van het nationale recht ongewenst kon verklaren.

5. Gelet op het voorgaande is het arrest Zh. en O. niet van toepassing. Verweerder kon daarom volstaan met een motivering op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c van de Vw en zijn beleid zoals neergelegd in paragraaf A4/3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Uit voornoemd beleid blijkt dat verweerder een vreemdeling beschouwt als een gevaar voor de openbare orde als bedoeld in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, Vw als hij wegens een misdrijf is veroordeeld tot een gevangenisstraf waarbij het (totale) onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf ten minste één dag bedraagt. Nu eiser is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden wegens een misdrijf, was verweerder bevoegd hem ongewenst te verklaren. De ter zitting besproken vraag of het begrip openbare orde meer omvat dan alleen strafbare feiten, zodat ook illegale grensoverschrijding daaronder valt, behoeft dan ook geen antwoord.

6. Vervolgens is de rechtbank van oordeel dat eisers beroep op de jurisprudentie van het Hof en de prejudiciële vragen van de CRvB over de vraag of een ouder/derdelander op grond van artikel 20 van het VWEU een afgeleid verblijfsrecht ontleent aan de status van Unieburger van het kind, faalt. De kinderen van eiser zijn immers geen Unieburgers. Dat zij deze status mogelijk in de nabije toekomst zullen verkrijgen, kan niet tot een ander oordeel leiden omdat dit een onzekere toekomstige gebeurtenis is. Bovendien worden de kinderen van eiser verzorgd door hun moeder, die rechtmatig in Nederland verblijft.

7. Ten aanzien van eisers beroep op artikel 8 van het EVRM overweegt de rechtbank als volgt. Niet in geschil is dat eiser gezinsleven uitoefent met zijn vriendin en kinderen die rechtmatig in Nederland verblijven en dat de ongewenstverklaring een inmenging in dat gezinsleven vormt.

8. Zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft overwogen, dient bij de beantwoording van de vraag of artikel 8 van het EVRM in een bepaald geval een inmenging in het familie- en gezinsleven van de vreemdeling rechtvaardigt, een fair balance te worden gevonden tussen enerzijds de belangen van het betrokken individu en anderzijds het algemeen belang van de betrokken lidstaat. Daartoe heeft het EHRM een aantal zogenoemde guiding principles gedefinieerd in het arrest van 2 augustus 2011, Boultif tegen Zwitserland (JV 2001/254). In aanvulling daarop zijn in het arrest van 18 oktober 2006 in de zaak Üner tegen Nederland (JV 2006/417) nog twee criteria genoemd.

9. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 13 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1610) dient de rechtbank vol te toetsen of verweerder alle feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. Indien dit het geval is, dient de rechtbank de uitkomst van de belangenafweging door verweerder enigszins terughoudend te toetsen.

10. Verweerder heeft, gelet op voornoemde guiding principles van het EHRM, de volgende belangen bij zijn beoordeling betrokken. Eiser heeft gebruik gemaakt van een vals paspoort. Dit is een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van ten hoogste 6 jaren wordt bedreigd. Verder heeft eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland (gehad) en is er weinig tijd verstreken sinds het misdrijf, dat is gepleegd op 8 februari 2016. Eisers vriendin en kinderen bezitten de Angolese nationaliteit. Onduidelijk is sinds wanneer eiser een relatie heeft met zijn vriendin en wat de aard van deze relatie is. Er is in ieder geval geen sprake van een gemeenschappelijke huishouding, omdat eiser in Frankrijk woont en zijn vriendin in Nederland. Eiser wilde niet dat zijn vriendin hierover werd gehoord. Daarom kan verweerder ook niet vaststellen of er voor haar een objectieve belemmering bestaat om eiser eventueel naar het land van herkomst te volgen. Verder heeft eiser aangegeven dat zijn vriendin hem met de kinderen kan komen opzoeken in Frankrijk als hij niet naar Nederland mag komen. Voor het overige is niet gebleken van banden met Nederland.

11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder alle relevante feiten en omstandigheden bij zijn belangenafweging betrokken en heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de inmenging gerechtvaardigd is. Dat eiser zijn kinderen niet heeft kunnen erkennen is naar het oordeel van de rechtbank in dit verband niet relevant, omdat niet in geschil is dat er sprake is van gezinsleven tussen eiser en zijn kinderen. Verder heeft verweerder veel waarde kunnen hechten aan het feit dat eiser nooit rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: