Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:12678

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-10-2016
Datum publicatie
20-10-2016
Zaaknummer
AWB 16/21253
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Duitsland is akkoord gegaan met Dublinclaim wegens afgifte van een BÜMA. Van verantwoordelijkheid van Duitsland op grond van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening is echter pas sprake als de vreemdeling daar een asielverzoek heeft ingediend. De rechtbank is, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling, van oordeel dat een verzoek om internationale bescherming pas is ‘ingediend’ in de zin van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening op het moment dat een formele aanvraag wordt ingediend. Een BÜMA kan niet als een dergelijke formele aanvraag worden gezien. Duitsland is dus niet op grond van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening verantwoordelijk. Nu ook overigens niet is onderbouwd dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek van eiser, is niet onderbouwd waarom de verplichtingen uit hoofde van artikel 18 van de Dublinverordening op Duitsland rusten. Duitsland is dan ook ten onrechte akkoord gegaan met het claimverzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

zaaknummer: AWB 16/21253

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] ,

v-nummer [nummer] ,

van Afghaanse nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. M. Luijendijk),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Bij besluit van 20 september 2016 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 20 januari 2016 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Op 20 september 2016 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 12 oktober 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. G. Westendorp.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), dient de rechtbank het bestreden besluit - de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen - te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Ingevolge artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), zoals deze bepaling met ingang van 20 juli 2015 luidt, wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet in behandeling genomen, indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

3. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van Verordening (EU) 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PbEU 2013 L 180) (hierna: de Dublinverordening). behandelen de lidstaten van de Europese Unie elk verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze op het grondgebied van een van de lidstaten wordt ingediend, inclusief aan de grens of in de transitzones. Het verzoek wordt door een enkele lidstaat behandeld, namelijk de lidstaat die volgens de in hoofdstuk III van de Verordening genoemde criteria verantwoordelijk is.

Ingevolge het tweede lid is, wanneer op basis van de in deze verordening vastgestelde criteria geen verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen, de lidstaat waar het verzoek om internationale bescherming het eerst werd ingediend, verantwoordelijk voor de behandeling ervan.

Ingevolge artikel 18, eerste lid aanhef en onder b, van de Dublinverordening is de verantwoordelijke lidstaat verplicht een verzoeker wiens verzoek in behandeling is en die een verzoek in een andere lidstaat heeft ingediend of die zich zonder verblijfstitel ophoudt in een andere lidstaat, volgens de in de artikelen 23, 24, 25 en 29 bepaalde voorwaarden terug te nemen.

4. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek van eiser om internationale bescherming. Verweerder heeft op 20 januari 2016 de vinger-afdrukken van eiser naar Eurodac gezonden. Daaruit is gebleken dat eisers vingerafdrukken op 19 december 2015 in Duitsland zijn afgenomen. Deze vinger-afdrukken zijn in Eurodac geregistreerd onder een nummer beginnende met een “1”. Dit beginnummer is gereserveerd voor vreemdelingen die vragen om internationale bescherming. Hieruit volgt dat eiser op 19 december 2015 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Om die reden heeft verweerder Duitsland verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Op 16 augustus 2016 hebben de Duitse autoriteiten daarmee ingestemd. Daarbij hebben ze opgemerkt: “Germany accepts responsibility, despite the absence of a formal application for asylum. However, Germany has a German “BÜMA” or a written instruction, which proves that the applicant was registered as a asylum seeker in Germany”. Hieruit volgt dat ondanks het ontbreken van een formele asielaanvraag, eiser is geregistreerd als asielaanvrager in Duitsland. Verweerder ziet in de door eiser aangevoerde feiten en omstandigheden geen aanleiding om de behandeling van zijn asielaanvraag aan zich te trekken.

5. Hiermee kan eiser zich niet verenigen. Kort samengevat heeft hij zowel gesteld dat hij in Duitsland nimmer een asielwens heeft geuit, als dat een eventueel door hem geuite (mondelinge) asielwens voor de verantwoordelijkheid van Duitsland op grond van de Dublinverordening niet relevant is. Voor die verantwoordelijkheid is slechts een formeel ingediende asielaanvraag van belang en zoals ook door de Duitse autoriteiten vermeld, was daarvan geen sprake.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

Met betrekking tot de vraag of eiser in Duitsland een asielwens heeft geuit

7. Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij nimmer enige asielwens heeft geuit in Duitsland heeft eiser verklaard dat de Duitse autoriteiten die zijn vingerafdrukken afnamen verklaarden dat die nodig waren in verband met veiligheidscontroles. Hij heeft toen niet om asiel gevraagd omdat hij had vernomen dat procedures in Duitsland lang duren. Nadat zijn vingerafdrukken waren afgenomen mocht hij zijn reis vervolgen. Eiser heeft enkele dagen bij vrienden in Duitsland verbleven waarna hij op 18 januari 2016 naar Nederland is doorgereisd. Dat zijn vingerafdrukken in Eurodac zijn geregistreerd met begincijfer ‘1’ zegt volgens eiser niets. Uit een brief van het Bundesambt für Migration und Flüchtlinge (BAMF) aan advocaat Piet Hein Hillen van 4 juli 2016 volgt namelijk dat de Duitse autoriteiten alle afgenomen vingerafdrukken registreren met begincijfer ‘1’, ongeacht of de betrokken vreemdelingen daadwerkelijk een asielaanvraag hebben ingediend. Waar het Duitsland betreft kan dus niet van de juistheid van Eurodac worden uitgegaan. Ter zitting heeft eiser nog gesteld dat als Duitsland dermate onzorgvuldig met Eurodac omgaat, evenmin uitgegaan kan worden van de juistheid van een BÜMA.

8. De rechtbank overweegt dat, ook als ervan uitgegaan moet worden dat de Duitse autoriteiten destijds alle aangetroffen vreemdelingen in Eurodac registreerden met beginletter ‘1’, daarmee nog niet is aangetoond dat de registratie van eiser onjuist was. Daarbij heeft Duitsland zijn verantwoordelijkheid ook niet gestoeld op die Eurodac treffer alleen, maar heeft na onderzoek vastgesteld dat eiser in Duitsland daadwerkelijk als asielzoeker is geregistreerd en een BÜMA of soortgelijke instructie heeft ontvangen. Uit de door eiser zelf naar voren gebrachte informatie (https://infos23.de/index.php/faqs-a-z/was-ist-die-buema.php) volgt dat een BÜMA (Bescheinigung über die Meldung als Asylsucher) een (identiteits)document is dat wordt gegeven aan vreemdelingen die om asiel hebben gevraagd maar nog niet in een procedure zijn opgenomen. Het document geeft ook recht op opvang.

9. Naar het oordeel van de rechtbank maken de Eurodac treffer en de uit het onderzoek van de Duitse autoriteiten gebleken uitreiking van een BÜMA of soortgelijke instructie, in onderlinge samenhang bezien, dat aannemelijk is gemaakt dat eiser in Duitsland een wens om internationale bescherming heeft geuit. De verklaring van eiser dat hij dat niet heeft gedaan is onvoldoende om daar anders over te oordelen. Uit het voorgaande volgt dat het betoog van eiser dat hij in Duitsland nimmer enige wens om internationale bescherming heeft geuit, faalt.

Met betrekking tot de vraag of Duitsland op grond van die geuite asielwens verantwoordelijk is

10. Vervolgens stelt eiser echter dat ook als wel sprake zou zijn geweest van een geuite asielwens, dit nog niet maakt dat Duitsland hem op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b van de Dublinverordening terug kon nemen. Hij voert daartoe aan dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (hierna: de Afdeling) moet worden uitgegaan van de formele indiening van een verzoek om internationale bescherming door middel van het daartoe geëigende formulier als handeling die de in de Dublinverordening vervatte termijnen doet aanvangen. Eiser leidt hieruit af dat een enkele geuite asielwens noch het uitreiken van een BÜMA een asielverzoek vormt in de zin van de Dublinverordening.

11. In dit verband stelt de rechtbank voorop dat het terugnameverzoek is gebaseerd op artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b van de Dublinverordening, Artikel 18 ziet op de verplichtingen van de verantwoordelijke lidstaat. Anders dan partijen lijken te veronderstellen kan de verantwoordelijkheid van een lidstaat dus niet op dit artikel worden gebaseerd, maar is die verantwoordelijkheid een voorwaarde voor het ontstaan van de verplichtingen van artikel 18.

12. Alvorens toe te komen aan de vraag of Duitsland op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b van de Dublinverordening gehouden is eiser terug te nemen, ziet de rechtbank zich dus eerst voor de vraag gesteld op grond waarvan Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling van eisers aanvraag. Dat, zoals verweerder ter zitting heeft gesteld, ervan uitgegaan mag worden dat Duitsland verantwoordelijk is omdat de Duitse autoriteiten akkoord zijn gegaan met de claim, kan niet worden gevolgd nu uit de arresten van het Hof van Justitie van 7 juni 2016 in de zaken Karim (C-155/15), waaraan ook een terugnameverzoek ten grondslag lag, en Ghezelbash (C-63/15) volgt dat een asielzoeker zich er in het kader van een rechtsmiddel tegen een jegens hem genomen overdrachtsbesluit op kan beroepen dat de in de Dublinverordening vastgelegde procedure voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat verkeerd is toegepast.

13. Zoals ter zitting besproken bepaalt artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening dat een asielverzoek wordt behandeld door de lidstaat die volgens de in hoofdstuk III van de Verordening genoemde criteria verantwoordelijk is. Wanneer op basis van die criteria geen verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen, is ingevolge het tweede lid van artikel 3 de lidstaat waar het verzoek om internationale bescherming het eerst werd ingediend, verantwoordelijk voor de behandeling ervan.

14. Uit het claimverzoek, noch uit het claimakkoord of de verdere besluitvorming valt op te maken op grond van welke bepaling Duitsland verantwoordelijk zou zijn. Zoals ter zitting besproken lijken echter geen van de in hoofdstuk III genoemde criteria van toepassing en moet er vanuit worden gegaan dat Duitsland zich verantwoordelijk acht op grond van artikel 3, tweede lid, van de Verordening omdat eiser in dat land voor het eerst een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend.

15. Het betoog van eiser komt erop neer dat Duitsland (ook) niet op grond van die bepaling verantwoordelijk is omdat eiser nooit een verzoek om internationale bescherming in Duitsland heeft ‘ingediend’ in de zin van dat artikel.

16. De Afdeling heeft zich in verschillende uitspraken over de Dublinverordening uitgelaten over het begrip ‘ingediend’.

Bij uitspraak van 4 oktober 2011 (JV 2011, 490) heeft de Afdeling geoordeeld dat in verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van de Europese Unie van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen, welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: Verordening 343/2003, de voorganger van de huidige Dublinverordening) een onderscheid wordt gemaakt tussen een asielverzoek, zijnde een door de vreemdeling kenbaar gemaakte wens om hem internationale bescherming te verlenen, en de (formele) indiening daarvan. Volgens de Afdeling volgt uit artikel 4, tweede lid, van Verordening 343/2003 dat een asielverzoek wat betreft de aanvang van de procedure voor de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat geacht wordt te zijn ingediend indien de vreemdeling gebruik heeft gemaakt van een formulier.

Bij uitspraak van 17 mei 2013 (JV 2013, 304) is de Afdeling voor de uitleg van het begrip ‘tijdstip waarop de asielzoeker zijn verzoek voor de eerste maal bij een lidstaat indient’ in artikel 5, tweede lid, van Verordening 343/2003 eveneens uitgegaan van het moment van het indienen van de formele asielaanvraag en niet van het moment van het kenbaar maken van de wens. Artikel 5, tweede lid, van Verordening 343/2003 komt overeen met artikel 7, tweede lid, van de huidige Dublinverordening.

Bij uitspraak van 30 april 2014 (JV 2014, 200) heeft de Afdeling geoordeeld dat het onderscheid tussen het kenbaar maken van de wens om een verzoek in te dienen en de formele indiening daarvan ook geldt voor de huidige Dublinverordening. Uit de uitspraak volgt verder dat voor het met artikel 4, tweede lid, van Verordening 343/2003 overeenkomende artikel 20, tweede lid, van de huidige Dublinverordening en voor het in artikel 49 van de huidige Dublinverordening opgenomen overgangsrecht uitgegaan moet worden van de formele indiening van de aanvraag.

Recent heeft de Afdeling bij uitspraak van 24 juni 2016 (JV 2016, 222) nogmaals bevestigd dat van het indienen van een asielaanvraag in de zin van artikel 20, tweede lid, van de huidige Dublinverordening pas sprake is met de formele indiening daarvan.

17. De Afdeling heeft dus over de uitleg van het begrip ‘ingediend verzoek’ in een aantal artikelen uit de huidige Dublinverordening (artikel 7, tweede lid, artikel 20, tweede lid, en artikel 49) geoordeeld dat het moet gaan om het indienen van een formele aanvraag en dat het enkele kenbaar maken van een wens om internationale bescherming te krijgen daartoe niet voldoende is. In artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening wordt datzelfde woord ‘ingediend’ gebruikt. Ook in andere taalversies wordt in al deze artikelen dezelfde term gebruikt: ‘lodged’ in de Engelse taalversie, ‘introduite’ in de Franse en ‘gestellt’ in de Duitse. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat dan ook geen reden om het woord ‘ingediend’ in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening anders te lezen dan in die andere bepalingen.

18. Op grond van het voorgaande moet worden geoordeeld dat een verzoek om internationale bescherming pas is ‘ingediend’ in de zin van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening op het moment dat een formele aanvraag wordt ingediend. Daarvan is nog geen sprake met het enkele kenbaar maken van de wens om internationale bescherming te krijgen.

19. Met betrekking tot de vraag of eiser in Duitsland een dergelijke formele aanvraag heeft ingediend is van belang dat verweerder zich heeft beroepen op de Eurodac treffer. Uit lijst A van bijlage II bij de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 118/2014 volgt dat een treffer in Eurodac geldt als bewijs van de indiening van een asielverzoek. Ingevolge artikel 22, derde lid, juncto artikel 24, vijfde lid, van de Dublinverordening geldt evenwel dat een vreemdeling bewijs kan leveren van het tegendeel.

20. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser in dit geval het tegendeelbewijs geleverd. De Duitse autoriteiten hebben in het claimakkoord van 16 augustus 2016 immers vermeld dat eiser geen formele asielaanvraag heeft ingediend maar wel een BÜMA of soortgelijke instructie heeft ontvangen waarmee zou zijn bewezen dat hij als asielzoeker is geregistreerd. Uit de aard van een BÜMA volgt echter dat daarmee nog geen sprake is van een formele aanvraag. Een BÜMA is een document dat recht geeft op opvang en voorzieningen en wordt uitgereikt aan vreemdelingen die wel de wens kenbaar hebben gemaakt om een asielverzoek in te dienen, maar nog niet in een asielprocedure zijn opgenomen. Hieruit volgt dat ook in Duitsland een onderscheid gemaakt wordt tussen het kenbaar maken van een wens om een verzoek om internationale bescherming in te dienen en het formele indienen daarvan. Een BÜMA is slechts bewijs van het eerste. Verder heeft eiser naar voren gebracht dat uit objectieve informatie blijkt dat het uitreiken van een BÜMA de in de Dublinverordening vervatte termijnen nog niet doet lopen. Dit wordt door verweerder niet betwist. Dat die termijnen nog niet gaan lopen bevestigt dat met het uitreiken van een BÜMA nog geen sprake is van een ingediend verzoek in de zin van artikel 20, tweede lid, van de Dublinverordening. Zoals hiervoor overwogen is daarmee dan ook geen sprake van een ingediend verzoek in de zin van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening. Dat door eiser nadien geen formele aanvraag is ingediend, zoals de Duitse autoriteiten hebben vermeld, is door verweerder niet betwist.

21. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er onder deze omstandigheden in geslaagd het tegendeelbewijs te leveren tegen de met de Eurodac treffer onderbouwde stelling van verweerder dat eiser in Duitsland een aanvraag heeft ‘ingediend’ in de zin van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening. Duitsland is dus niet op grond van die bepaling verantwoordelijk voor de behandeling van zijn verzoek.

22. Nu ook overigens niet is onderbouwd dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek van eiser, is niet onderbouwd waarom de verplichtingen uit hoofde van artikel 18 van de Dublinverordening op Duitsland rusten. Duitsland is dan ook ten onrechte akkoord gegaan met het claimverzoek. Dit maakt dat verweerder de aanvraag van eiser ten onrechte op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 niet in behandeling heeft genomen.

23. Derhalve is het beroep gegrond. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 992 op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 496 per punt en wegingsfactor 1). Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit van 20 september 2016;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 992.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.N.R. Smolders, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen één week na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).