Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:12656

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-10-2016
Datum publicatie
24-10-2016
Zaaknummer
09/777055-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

"Mevrouw, je tas of je leven!"; Verdachte sprong opeens met een mes in zijn hand voor de wandelende mevrouw. Verdachte meldt zich de volgende dat bij de politie. Afpersing handtas WOB. Behandeling nodig, GBM 12 maanden en jeugddetentie 2 maanden voorwaardelijk, proeftijd 2 jaar, met meldplicht en toezicht jeugdreclassering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/777055-16

Datum uitspraak: 19 oktober 2016

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,

[adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 5 oktober 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B. de Jonge en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte mr. J. Grabowsky, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 08 juni 2016 te Gouda op de openbare weg de [adres] met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een (hand)tas (met daarin onder andere een mobiele telefoon, merk Samsung S4), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, onverhoeds (op ongeveer een meter afstand) voor die [slachtoffer] sprong en/of (vervolgens) (meermalen) (intimiderend/dreigend) tegen die [slachtoffer] schreeuwde/riep: "Mevrouw, je tas of je leven!!!" en/of (vervolgens) (daarbij) (doelgericht) (steeds op vrij korte afstand van die [slachtoffer] ) met een (zwart) (klap)mes (lemmet ongeveer 8 centimeter) in zijn, verdachtes, (linker)hand toonde en/of (meermalen) in de richting van het bovenlichaam van die [slachtoffer] wees/een steek-/voorwaartse beweging maakte;

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte dit feit heeft begaan.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging. 1

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting bekend het ten laste gelegde feit te hebben gepleegd. De raadsvrouw heeft ten aanzien van dit feit geen vrijspraak bepleit. De rechtbank is daarom van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Stafvordering, kan worden volstaan. De rechtbank bezigt als bewijsmiddelen de aangifte, de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting en de verklaring van [getuige] .2

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

hij op 08 juni 2016 te Gouda op de openbare weg met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een handtas met daarin onder andere een mobiele telefoon, merk Samsung S4, toebehorende aan [slachtoffer] , welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, onverhoeds (op ongeveer een meter afstand) voor die [slachtoffer] sprong en vervolgens dreigend tegen die [slachtoffer] schreeuwde: "Mevrouw, je tas of je leven!!!" en vervolgens daarbij doelgericht steeds op vrij korte afstand van die [slachtoffer] met een zwart klapmes (lemmet ongeveer 8 centimeter) in zijn, verdachtes, hand meermalen in de richting van het bovenlichaam van die [slachtoffer] wees.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem ten laste gelegde wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 2 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij de jeugdreclassering,

en dat aan de verdachte voorts wordt opgelegd de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (verder: GBM), zoals dit door de Raad voor de Kinderbescherming Haaglanden is geadviseerd, bestaande uit

- ITB Criem voor de duur van 3 maanden, gevolgd door intensieve begeleiding van de Jeugdreclassering;

- behandeling bij de Waag of een soortgelijke instelling op de tijden en plaatsen als door of namens de zorginstelling aan te geven teneinde zich te laten behandelen voor o.a. een bipolaire stoornis en een pervasieve ontwikkelingsstoornis, ook als dat betekent het innemen van medicatie;

- meewerken aan toezicht door de jeugdreclassering, huisbezoeken daaronder begrepen;

- meldplicht bij de jeugdreclassering;

waarbij aan deze maatregel een vervangende jeugddetentie voor de duur van 2 maanden wordt verbonden.

De officier van justitie heeft verzocht te bepalen dat de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit een voorwaardelijke straf op te leggen, en heeft ten aanzien van de gevorderde GBM opgemerkt dat de inhoud daarvan niet duidelijk is en zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf rekening met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een tasjesroof. Hij heeft bewust een “makkelijk” slachtoffer uitgekozen, namelijk een vrouw die met twee vriendinnen over straat liep. Hij heeft de vrouwen een poosje gevolgd en vervolgens de stuipen op het lijf gejaagd door voor het slachtoffer te springen en een mes te tonen. Hij bedreigde het slachtoffer en eiste zo haar tas op.

Verdachte heeft uitsluitend met het oog op eigen gewin gehandeld zonder zich rekenschap te geven van de schade die en het leed dat hij toebracht aan het slachtoffer. Verdachte heeft haar en de twee andere vrouwen daarmee ook beroofd van een belangrijk gevoel van veiligheid. Zijn handelen heeft daarnaast bijgedragen aan het gevoel van onveiligheid in de samenleving in het algemeen.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie, niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van 26 augustus 2016 van het psychologisch onderzoek pro justitia, ondertekend door dr. [naam] , gz-psycholoog.

Uit dit psychologisch onderzoek komen de volgende bevindingen en het volgende advies naar voren. De verdachte heeft zeker gemiddelde verstandelijke capaciteiten. Bij hem is sprake van een bipolaire stoornis NAO en een pervasieve ontwikkelingsstoornis NAO; de pervasieve ontwikkelingsstoornis NAO is een restcategorie binnen autisme spectrum stoornissen ASS die een beperkend stempel drukken op het functioneren. De persoonlijkheidsontwikkeling van de verdachte wordt bedreigd. Dit was ook zo ten tijde van het strafbare feit, dat werd gepleegd tijdens een depressieve episode die onderdeel vormt van de bipolaire stoornis. Geadviseerd wordt de verdachte in verminderde mate toerekeningsvatbaar te achten.

Het recidiverisico wordt geschat op hooguit matig. De gedachten van verdachte gaan met hem op de loop en het risico is wel zorgwekkend. Om recidive te voorkomen en een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de verdachte te bevorderen, wordt geadviseerd hulp te bieden met de bipolaire stoornis NAO, de zorgelijke elementen in de denk- en gevoelswereld, de invloed van zijn belaste verleden en het leren hanteren van de pervasieve ontwikkelingsstoornis NAO. Ook opleiding en dagbesteding zijn van belang. Er moet een plan van aanpak komen voor een gefaseerde, afgestemde behandeling en begeleiding binnen een juridisch kader. Geadviseerd wordt om bij een deels voorwaardelijke straf als bijzondere voorwaarde in vervolg op de ITB Criem behandeling een contact met de jeugdreclassering voor een langere duur, bijvoorbeeld twee jaar, op te leggen, zodat er voldoende tijd is voor de geadviseerde interventies en er ook op langere termijn voldoende toezicht blijft op zijn verdere ontwikkeling. In dat kader kunnen dan ook trainingen, begeleiding en/of behandeling gericht op bovengenoemde aandachtspunten worden gevolgd.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op de rapporten van de Raad en op de toelichting daarop door de ter terechtzitting verschenen deskundige van de Raad. De rechtbank heeft ook kennis genomen van hetgeen namens Jeugdbescherming west ter terechtzitting is opgemerkt.

Uit het meest recente rapport van de Raad van 27 september 2016 en de ter terechtzitting door de deskundige van de Raad gegeven toelichting komt onder meer het volgende naar voren. De Raad staat achter de conclusies van de psycholoog ten aanzien van de stoornissen en problematiek van de verdachte, de verminderde toerekeningsvatbaarheid en de noodzaak van behandeling. De Raad acht voor de verdachte behandeling nodig in de vorm van individuele therapie voor zijn bipolaire en pervasieve ontwikkelingsstoornis (eventueel met medicatie), gericht op het versterken van het zelfbeeld (de bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling); agressieregulatie en eventuele verwerking van ingrijpende gebeurtenissen in zijn leven (EMDR of PMT). De Waag of een soortgelijke instelling zou die behandeling kunnen bieden. Ook is de Raad met de psycholoog van mening dat intensieve begeleiding in het kader van (voortzetting van) ITB Criem noodzakelijk is.

De Raad wijkt van het advies van de psycholoog af in die zin dat hij als juridisch kader voor deze behandeling een GBM adviseert, omdat die anders dan behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke jeugddetentie, mogelijkheden biedt voor flexibelere interventie en bij terugval niet direct tot terugmelding hoeft te leiden.

De Raad adviseert een GBM op te leggen voor de duur van 12 maanden, met als inhoud:

- ITB Criem voor de duur van 3 maanden, gevolgd door intensieve begeleiding door de Jeugdreclassering;

- behandeling door de Waag of een soortgelijke instelling op de tijden en plekken als door of namens de zorginstelling aan te geven teneinde zich (individueel) te laten behandelen voor o.a. zijn bipolaire en pervasieve ontwikkelingsstoornis ook als dit het innemen van medicatie betekent;

waarbij aan Stichting Jeugdbescherming west opdracht wordt gegeven tot ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de maatregel en het programma dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard. De raad adviseert naast deze GBM een voorwaardelijke straf op te leggen met naast de algemene voorwaarden, als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij Stichting Jeugdbescherming west.

Door de deskundige van Jeugdbescherming west is ter terechtzitting onder meer het volgende naar voren gebracht. De verdachte en de moeder van de verdachte werken goed aan de begeleiding mee. De Waag vindt het belangrijk dat de hulp grotendeels in Gouda wordt geboden, omdat de GGZ te Gouda een belangrijke rol heeft in het geval zich een crisis voor zou doen. Voor de forensische deskundigheid zou de Waag betrokken blijven. De Waag is het ermee eens als de Waag eindverantwoordelijkheid draagt en als de GGZ Gouda onder supervisie van de Waag te Rotterdam begint met medicatie voor de bipolaire stoornis. Daarvoor is al een afspraak gepland met de kinder- en jeugdpsychiater op de dag na de terechtzitting. Na stabilisering zouden de overige therapieën kunnen worden ingezet.

Het ITB Criem traject dat in het kader van de opschorting van de voorlopige hechtenis werd gevolgd, is inmiddels afgelopen, maar het is mogelijk en wenselijk om opnieuw een ITB Criem traject voor wederom een periode van 3 maanden te volgen.

De rechtbank onderschrijft de conclusies van de deskundigen in die zin dat zij uitgaat van verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte en van de noodzaak van behandeling zoals in de adviezen beschreven.

De rechtbank is alles afwegende van oordeel dat de ernst van het begane misdrijf en de noodzaak van behandeling van de verdachte aanleiding geeft tot oplegging van een voorwaardelijke jeugddetentie en tot oplegging van een GBM, welke maatregel de rechtbank in het belang acht van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een gedragsbeïnvloedende maatregel en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder laten meewegen dat de maatregel past bij de ernst van het feit en de noodzaak van behandeling van de verdachte, en dat in het kader van een GBM de mogelijkheid bestaat om de inhoud van het programma te wijzigen of om een interventie toe te passen indien dat noodzakelijk wordt geacht, waarna de behandeling van de verdachte kan worden voortgezet.

De inhoud van het programma zal de rechtbank bepalen conform hetgeen door de deskundigen, ook ter terechtzitting, is geadviseerd. De rechtbank zal de duur van de maatregel bepalen op 12 maanden en aan de maatregel een vervangende jeugddetentie verbinden van 6 maanden.

De rechtbank zal bevelen dat het programma van de GBM dadelijk uitvoerbaar is, nu naar het oordeel van de rechtbank er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen en de dadelijke uitvoerbaarheid in het belang van de verdachte is.

Naast deze maatregel legt de rechtbank een voorwaardelijke jeugddetentie op voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Als bijzondere voorwaarde bij deze voorwaardelijke jeugddetentie zal de rechtbank bepalen dat de verdachte dient te voldoen aan een meldplicht bij de jeugdreclassering.

7 De vordering van de benadeelde partij.

7.1.

De vordering

Mevrouw [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 944,83. De vordering tot schadevergoeding bestaat uit materiële schade voor een bedrag groot € 194,83, bestaande uit de posten simkaart, bankpassen, reiskosten, vindersloon en tegemoetkoming vrije tijd, en uit immateriële schade voor een bedrag groot € 750,- bestaande uit smartengeld.

7.2.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de maatregel schadevergoeding.

7.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft afwijzing van de vordering bepleit. Zij heeft aangevoerd dat de verdachte niet in staat is om te betalen en geen zicht heeft op inkomsten in de nabije toekomst. Zij heeft voorts aangevoerd dat de vordering zou moeten worden afgewezen voor zover deze betreft

- de post “nieuwe bankpassen”, waarvoor geen bonnen zijn overgelegd,

- de post “vindersloon”, aangezien betaling van vindersloon geen rechtens afdwingbare verplichting is,

- de post “tegemoetkoming vrije tijd”, welke schade niet is onderbouwd.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft, in verband met betalingsonmacht van de verdachte, bepleit geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.4.

Het oordeel van de rechtbank

Aan de benadeelde partij is rechtstreeks materiele en immateriële schade toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

Voor toewijzing van de gevorderde schade voor de posten “tegemoetkoming vrije tijd” en “vindersloon”, ziet de rechtbank geen gronden. De benadeelde partij zal voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De overige gevorderde materiële schade is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en zal worden toegewezen.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat een bedrag van € 400,- redelijk is. De rechtbank overweegt hierbij dat de verdachte zichzelf bij de politie heeft gemeld, hetgeen als enigszins geruststellende wetenschap kan gelden. De rechtbank zal de vordering van immateriële schade in zoverre toewijzen en de vordering van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 35,87 materiële schade en € 400,- immateriële schade, totaal € 435,87.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 8 juni 2016 is ontstaan.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt. Deze kosten heeft de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 435,87, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 8 juni 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] .

De rechtbank zal aan deze verplichting geen vervangende jeugddetentie verbinden, nu de verdachte zich van goede wil heeft getoond en tegelijkertijd aannemelijk is geworden dat hij niet draagkrachtig is en ook zal moeten voldoen aan de bij dit vonnis bepaalde tijdrovende verplichting om zich te laten behandelen. Onder deze omstandigheden zou het afdwingen van betaling door middel vanjeugddetentie tot een averechts resultaat leiden.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

36f, 77a, 77g, 77h, 77i, 77w, 77wc, 77x, 77y, 77z, 77aa, 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

AFPERSING;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 2 maanden;

bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich gedurende een door Stichting Jeugdbescherming west te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht

geeft opdracht aan Stichting Jeugdbescherming west, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

en

legt aan de verdachte op de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 12 maanden, die bestaat uit:

- het volgen van ITB Criem voor de duur van 3 maanden;

- meewerken aan behandeling door de Waag en GGZ Gouda, of een soortgelijke instelling op de tijden en plekken als door of namens deze zorginstellingen aan te geven teneinde zich te laten behandelen voor o.a. zijn bipolaire stoornis en de pervasieve ontwikkelingsstoornis;

beveelt, voor het geval de veroordeelde niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel heeft meegewerkt, dat de maatregel zal worden vervangen door jeugddetentie voor de duur van 6 maanden;

beveelt dat het programma waaruit de maatregel bestaat, dadelijk uitvoerbaar is;

geeft opdracht aan de Stichting Jeugdbescherming West, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de in het kader van de GBM opgelegde programmaonderdelen en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan mevrouw [slachtoffer] , een bedrag van € 435,87,

vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 8 juni 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 435,87, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 8 juni 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] ;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;


heft op het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.J. Peters, kinderrechter, voorzitter,

mr. H.M.D. de Jong, kinderrechter,

en mr. M. Kramer, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. E.A.W. Hoefnagels, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 oktober 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1500-2016160926.

2 Proces-verbaal van aangifte d.d. 9 juni 2016 door [slachtoffer] , pag. 7 t/m 11; verklaring van de verdachte ter terechtzitting op 5 oktober 2016; proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 10 juni 2016, p. 12 t/m 14.