Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:1265

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-02-2016
Datum publicatie
10-02-2016
Zaaknummer
AWB 14/17253
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:2440, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft in het bestreden besluit en het primaire besluit overwogen dat het verblijfsrecht van eiseres, een Belgische vrouw, als gemeenschapsonderdaan wordt beëindigd omdat zij een beroep doet op de algemene middelen, nu zij een bijstandsuitkering ontvangt op grond van de Wet Werk en Bijstand. De rechtbank is van oordeel dat dit niet kan op grond van het bepaalde in artikel 8.5 van het Vb 2000 en artikel 4 van de Benelux-overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/17253

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 februari 2016 in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

geboren op [geboortedatum] ,

van Belgische nationaliteit,

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. A.C.M. Nederveen),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder het verblijfsrecht van eiseres als gemeenschapsonderdaan beëindigd.

Bij besluit van 26 juni 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit op 22 juli 2014 beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de behandeling van de zaak doorverwezen naar de meervoudige kamer.

Partijen hebben toestemming verleend de zaak af te doen zonder het houden van een nadere zitting. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van het navolgende.

1.1.

Bij brief van 25 november 2013 heeft verweerder eiseres bericht dat uit informatie van de gemeente Emmen is gebleken dat eiseres een uitkering in het kader van de Wet Werk en Bijstand (Wwb) ontvangt. Voorts is gebleken dat eiseres zich niet bij de IND heeft laten inschrijven en niet heeft aangetoond dat zij aan één van de verblijfsdoelen voldoet. Het verblijfsrecht van eiseres is derhalve nog niet vastgesteld, aldus verweerder. Verweerder heeft eisers verzocht nadere informatie en stukken te verstrekken en een aantal vragen te beantwoorden.

1.2

Bij brief van 6 december 2013 heeft eiseres verweerder onder meer het volgende bericht. Eiseres woont sinds 13 juni 2013 in Nederland en is naar Nederland verhuisd omdat ze zich in België niet meer veilig voelde. Eiseres heeft vier kinderen en is stelselmatig mishandeld door [naam2] , de vader van drie van haar kinderen. Na het overlijden van haar stiefvader is eiseres naar [naam3] in Nederland gegaan, met wie ze een relatie heeft. Bij haar brief heeft eiseres meerdere bijlagen meegezonden.

1.3.

Bij het primaire besluit heeft verweerder het verblijfsrecht van eiseres als gemeenschapsonderdaan beëindigd.

1.4.

Bij brief van 17 februari 2014 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. In de gronden van het bezwaar heeft eiseres onder meer aangevoerd dat zij en haar zoon [naam4] in Nederland moeten blijven, omdat ze beiden in intensieve hulpverleningstrajecten zitten.

1.5.

Eiseres is in de gelegenheid gesteld haar bezwaren nader toe te lichten tijdens een hoorzitting. Van deze gelegenheid heeft zij op 23 april 2014 gebruik gemaakt. Tijdens de hoorzitting heeft eiseres meerdere (medische) stukken overgelegd.

1.6.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2. In de gronden van 3 oktober 2014 voert eiseres aan dat de verdragsbepalingen van het Benelux-Verdrag op haar van toepassing zijn. In het geval van beëindiging van het verblijfsrecht van Benelux-onderdanen gelden er afwijkende en gunstiger regels dan wanneer het verblijfsbeëindiging van Unieburgers in het algemeen betreft. Eiseres wijst in dit kader op artikel 4 van de Benelux-overeenkomst.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

3.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres de Belgische nationaliteit heeft, een land dat behoort tot de Benelux.

3.1.1.

Krachtens artikel 2 van het Verdrag van 3 februari 1958 (Trb. 1958, nr. 18) is een Belgische onderdaan bevoegd het grondgebied van Nederland binnen te komen en te verlaten en geniet deze een behandeling welke voor de Nederlandse onderdaan geldt voor wat betreft bewegingsvrijheid, verblijf en vestiging. Krachtens artikel 55 van voornoemd Verdrag worden de voorwaarden voor verwijdering bij overeenkomst bepaald.

3.1.2.

Bij overeenkomst van 19 september 1960 (Trb. 1960, nr. 135) zijn voorwaarden gesteld. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen de Beneluxonderdanen die geen gemeenschapsonderdaan zijn en de Beneluxonderdanen die dat wel zijn. Deze artikelen zijn vertaald naar bepalingen in paragraaf 1 van hoofdstuk 8, afdeling 2, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).

3.1.3.

In artikel 8.5, eerste lid, van het Vb 2000 is het volgende opgenomen:

“Aan een vreemdeling die onderdaan is van België of Luxemburg en die het vereiste document voor grensoverschrijding bezit, kan, in afwijking van hoofdstuk 2, de toegang tot Nederland slechts worden geweigerd, indien hij een actuele bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid vormt.”

3.1.4.

In artikel 8.6, eerste lid, van het Vb 2000 is het volgende opgenomen:

“De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, ingediend door een vreemdeling die onderdaan is van België of Luxemburg die geen gemeenschapsonderdaan is, kan slechts worden afgewezen, indien de vreemdeling:

a. een actuele bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid vormt; of

b. niet over voldoende middelen van bestaan beschikt.”

3.2.

De rechtbank is van oordeel dat artikel 8.6. van het Vb 2000 toepassing mist, nu eiseres beschouwd dient te worden als gemeenschapsonderdaan. Uit de Nota van Toelichting behorend bij het besluit van 23 november 2000 tot uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 (Vreemdelingenbesluit 2000), jaargang 2000 nummer 497, blijkt immers het navolgende:

“Artikel 8.6 is ontleend aan artikel 99 van het voormalige Vreemdelingenbesluit. Het heeft betrekking op de Beneluxonderdaan die geen gemeenschapsonderdaan is en een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning indient. Voor hem gelden op grond van artikel 2 van de Overeenkomst inzake de tenuitvoerlegging van de artikelen 55 en 56 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie andere eisen.”

3.3.

Ingevolge artikel 8.5. van het Vb 2000 kan de toegang aan eiseres slechts worden geweigerd indien zij een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan niet gebleken. Verweerder heeft in het bestreden besluit en het primaire besluit overwogen dat het verblijfsrecht van eiseres als gemeenschapsonderdaan wordt beëindigd omdat zij een beroep doet op de algemene middelen, nu zij met ingang van 13 september 2013 een bijstandsuitkering ontvangt op grond van de Wwb. De rechtbank is van oordeel dat dit niet kan op grond van het bepaalde in artikel 8.5 van het Vb 2000. De rechtbank verwijst in dit kader voorts nog naar artikel 4 van de Benelux-overeenkomst waarin het volgende is opgenomen:

“Onverminderd de bepalingen van artikel 5 kunnen tegen de onderdanen van elk der Verdragsluitende Partijen, die verblijven op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan wel aldaar met toestemming gevestigd zijn, geen maatregelen van verwijdering worden getroffen, dan wanneer zij gevaar opleveren voor de openbare

orde of de nationale veiligheid. Voor de toepassing van dit artikel wordt het enkele feit, dat niet over middelen van bestaan wordt beschikt, niet beschouwd als een gevaar voor de openbare orde.”

3.4.

Voor zover verweerder stelt dat eiseres niet in Nederland mag blijven nu zij haar verblijfsrecht niet heeft aangetoond, overweegt de rechtbank nog als volgt. Ingevolge artikel 4 van de Benelux-overeenkomst gaat het om een onderdaan die op het grondgebied van Nederland verblijft, dan wel aldaar met toestemming gevestigd is. Nu er geen sprake is van een situatie waarin eiseres zich met toestemming in Nederland heeft gevestigd, dient gekeken te worden naar de uitleg van het begrip “verblijven”. De rechtbank stelt vast dat in de Benelux-overeenkomst niet wordt uitgelegd wat onder het begrip “verblijven” dient te worden verstaan, zodat de rechtbank zal kijken naar wat in het algemeen spraakgebruik verstaan wordt onder “verblijven”, te weten “zich ergens bevinden”. Daarvan is in het geval van eiseres sprake.

4. De rechtbank ziet onder de gegeven omstandigheden aanleiding gebruik te maken van haar bevoegdheid zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit, verklaart het ingediende bezwaarschrift gegrond en herroept het primaire besluit van 20 januari 2014. Dit betekent derhalve dat het verblijfsrecht van eiseres niet wordt beëindigd.

5. Met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van eiseres € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 496,-).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 26 juni 2014;

- verklaart het bezwaar gegrond;

- herroept het primaire besluit van 20 januari 2014;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 165,- aan eiseres

vergoedt;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzitter, mr. A.W. Wassink en
mr. V.M. Bex-Reimert, leden, in aanwezigheid van mr. G.G. Doornbos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.