Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:12628

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-10-2016
Datum publicatie
19-10-2016
Zaaknummer
AWB 16/21527, AWB 16/21528, AWB 16/21530
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Colombia

- Geloofwaardigheid bedreiging door de FARC

- Onrust binnen het gezin

- Recht op onderwijs

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 16/21527, AWB 16/21528, AWB 16/21530

V-nummers: [nummers]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 17 oktober 2016 in de zaken tussen:

[eiseres], eiseres 1,

[eiser] , eiser,

[eiseres] , eiseres 2,

hierna gezamenlijk te noemen: eisers,

gemachtigde: M.E. Martis,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.E.J. ten Berg.

Procesverloop

Bij drie afzonderlijke besluiten van 21 september 2016 (de bestreden besluiten), genomen in de zogeheten algemene asielprocedure (AA-procedure), heeft verweerder de asielaanvragen van eisers afgewezen.

Eisers hebben op 22 september 2016 beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.

De behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2016. Eisers zijn verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig J.H. Olsen, kantoorgenoot van de gemachtigde van eisers. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eisers zijn geboren op [geboortedatum], [geboortedatum] en [geboortedatum] en zijn van Colombiaanse nationaliteit. Eiseres 1 is de moeder van de overige eisers. Zij hebben op 31 maart 2016 aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Daaraan hebben zij ten grondslag gelegd dat zij vanwege het bezit van een stuk grond met daarop een boerderij in de negatieve aandacht staan van de FARC en dat eiseres 1 in dat verband door hen met de dood is bedreigd.

2. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder acht de gestelde nationaliteit en identiteit van eisers geloofwaardig. Ook geloofwaardig acht verweerder dat de echtgenoot/vader van eisers in 2010 is vermoord. Verweerder acht evenwel de verklaringen van eisers over de bedreigingen ongeloofwaardig.

3. Op wat eisers daartegen hebben aangevoerd wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Eisers voeren in beroep aan dat hun verklaringen over de bedreigingen geloofwaardig moeten worden geacht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze verklaringen evenwel niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Verweerder heeft terecht naar voren gebracht dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres 1 eerst ruim vijf jaar nadat haar echtgenoot is vermoord zou zijn bedreigd. Voorts zijn er terecht vraagtekens geplaatst bij de omstandigheid dat tussen de bedreiging in november 2015 en de laatste bedreiging een tijd van drie maanden zou zijn verstreken. Daarnaast heeft verweerder terecht tegengeworpen dat eiseres 1 over de bedreigingen tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Zo heeft zij aanvankelijk verklaard dat de eerste bedreiging na de dood van haar man in november 2015 heeft plaatsgevonden (pagina 4 en 17 rapport nader gehoor), terwijl zij later heeft verklaard dat al eerder een bedreiging aan haar adres is geuit via werknemer Benjamin (pagina 20 rapport nader gehoor). Overigens hebben eisers noch in de beroepsgronden, noch ter zitting weerwoord gegeven met betrekking tot het standpunt van verweerder over het tijdsverloop en de tegenstrijdigheden zoals hierboven beschreven. Ten aanzien van de overgelegde aangiftes overweegt de rechtbank dat daarmee nog niet is komen vast te staan dat de feiten zoals die bij deze aangiftes naar voren zijn gebracht ook daadwerkelijk waar zijn.

5. Verder stellen eisers dat de bestreden besluiten onrust geven binnen het gezin en dat eiseres 2 niet in staat zou zijn om naar school te gaan, welke omstandigheid strijd zou opleveren met het recht op onderwijs zoals neergelegd in artikel 28 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze stellingen, los van de vraag of deze feitelijk juist zijn, niet afdoen aan de rechtmatigheid van de bestreden besluiten. Die zien immers slechts op de vraag of eisers, gelet op wat zij naar voren hebben gebracht, in aanmerking komen voor de gevraagde asielvergunningen.

6. De beroepen zijn ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2016.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.