Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:12528

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-10-2016
Datum publicatie
24-10-2016
Zaaknummer
NL16.2526 en NL.2527
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

- Dublin Italië

- Herhaalde aanvraag

- Artikel 4:6 Awb

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL16.2526 (beroep) en NL16.2527 (verzoek)

V-nummers: [nummers]

uitspraak van de voorzieningenrechter en de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 7 oktober 2016 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

alsmede ten behoeve van de minderjarigen:

[naam kind], geboren op [geboortedatum],

[naam kind], geboren op [geboortedatum],

gemachtigde mr. drs. J.M. Walls,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. P. van Zijl.

Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen, onder verwijzing naar een eerder besluit van 17 januari 2012 met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiseres heeft tevens om een voorlopige voorziening verzocht ter voorkoming van uitzetting hangende het beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2016. Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig Z. Haile, tolk in de Tigrinia taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en bezit de Eritrese nationaliteit. Zij heeft op 1 december 2009 een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 10 juni 2010 afgewezen omdat Italië verantwoordelijk was voor de behandeling van haar asielaanvraag. Het hiertegen ingediende beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 24 augustus 2010 gegrond verklaard (AWB 10/21175 en 10/20996), welke uitspraak door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) is bevestigd op 27 oktober 2011 (nr. 201008759/1/V4). Verweerder heeft vervolgens een nieuw afwijzend besluit genomen op 17 januari 2012. Het hiertegen ingediende beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 5 april 2012 ongegrond verklaard (AWB 12/1811 en 12/1810), welke uitspraak is bevestigd door de Afdeling op 14 februari 2013 (nr. 201203548/1/V4). Eiseres heeft vervolgens een klacht ingediend bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), welke klacht in het arrest van 27 augustus 2013 is afgewezen (de zaak N. Mohammed Hassan e.a. tegen Nederland en Italië, nr. 40524/10). Het EHRM heeft in dat arrest onder meer overwogen dat overdracht aan Italië geen schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de

fundamentele vrijheden (EVRM) oplevert.

2. Op 4 november 2013 heeft eiseres een herhaalde asielaanvraag ingediend. Deze

aanvraag is afgewezen bij besluit van 4 februari 2014. Het ingestelde beroep is bij uitspraak

van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 15 april 2014 ongegrond verklaard (AWB

14/2932), welke uitspraak is bevestigd door de Afdeling op 1 september 2015. Eiseres is op 21 januari 2016 overgedragen aan Italië.

3. Op 2 februari 2016 heeft eiseres in Nederland een derde (herhaalde) asielaanvraag

ingediend. Bij het besluit van 26 mei 2016 heeft verweerder de aanvraag niet in behandeling

genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) met

gebruikmaking van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 juni 2016 (AWB nrs 16/11434 en 16/11435) is het beroep van eiseres tegen het besluit van 26 mei 2016 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

4. Op 13 september 2016 heeft eiseres de onderhavige aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag onder verwijzing naar het besluit van 17 januari 2012 niet in behandeling genomen met toepassing van artikel 4:6 van de Awb. Volgens verweerder is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden niet gebleken. Daarbij heeft verweerder zijn bij voornoemde besluiten ingenomen standpunt gehandhaafd dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres.

6. Eiseres heeft in beroep betoogd dat haar situatie met haar partner vergelijkbaar is met de situatie die aan de orde was in de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 december 2014 (AWB 14/ 25961 en AWB 14/25690). Zij wijst er voorts op dat deze rechtbank in haar uitspraak van 22 juni 2016 geen oordeel over een eventueel beroep op artikel 29, tweede lid, van de Vw (nareis) heeft gegeven. Bij de beoordeling is ook niet betrokken geweest dat de partner van eiseres de vader is van haar minderjarige dochter. Tussen ouders en minderjarige biologische kinderen bestaat altijd gezinsleven, aldus eiseres. Eiseres is tenslotte van mening dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in de humanitaire aspecten van hun situatie geen aanleiding is gezien om met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de behandeling van haar asielaanvraag aan zich te trekken.

7. Eisers heeft voorts bij nadere gronden van 30 september 2016 aangevoerd dat ten aanzien van Italië niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwens-beginsel ten aanzien van kwetsbare personen nu systematische gebreken kleven aan het Italiaanse opvangsysteem. Zij wijst op het rapport “Aufnahmebedingungen in Italien. Zur aktuellen Situation von Asylsuchenden und Schutzberechtigten, insbesondere Dublin-Rückkehrenden in Italien” van de Schweizerische Flüchtlingshilfe (rapport van de SFH) van 15 augustus 2016 en op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam (AWB nrs. 16/18744, 16/18745,16/18746 en16/18747), met name rechtsoverweging 8.1 en de in die overweging genoemde pagina’s uit het SFH-rapport.

De rechtbank oordeelt als volgt.

8. Ingevolge artikel 4:6 van de Awb is, indien na een geheel of deels afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

9. Het bestreden besluit is van gelijke strekking als het besluit van 26 mei 2016 en de daaraan voorafgaande besluiten van 4 februari 2014 en van 17 januari 2012.

10. Ingevolge de uitspraak van 22 juni 2016 van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2016:1759) dient de rechtbank te toetsen of verweerder in het licht van de daar tegen aangevoerde beroepsgronden niet ten onrechte tot het bestreden besluit is gekomen.

11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht vastgesteld dat het feit dat in mei 2016 aan de partner van eiseres een asielvergunning voor bepaalde tijd is verleend niet als nieuw feit of veranderde omstandigheid kan worden aangemerkt. Uit het onherroepelijk geworden besluit van 26 mei 2016 blijkt immers dat met dit feit reeds rekening is gehouden.

12. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de aanvraag van eiseres om een mvv met als doel “gezinshereniging in het kader van nareis” van 9 augustus 2016 evenmin een rechtens relevant nieuw feit betreft, nu slechts sprake is van een aanvraag. Bovendien heeft verweerder ter zitting meegedeeld dat deze aanvraag bij besluit van 27 september 2016 is afgewezen.

13. Naar het oordeel van de rechtbank kan de verwijzing van eiseres naar voornoemde uitspraak van deze rechtbank van 11 december 2014 in dit verband geen doel treffen omdat de situatie niet vergelijkbaar is met de onderhavige. In die uitspraak was immers geen beoordeling in het kader van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb aan de orde. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres bij deze stand van zaken voor gezinshereniging aangewezen op een daartoe strekkende aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning in het kader van artikel 8 van het EVRM.

14. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het SFH-rapport niet als een relevant nieuw feit of veranderde omstandigheid kan worden aangemerkt. Uit dit rapport volgt dat binnen de SPRAR projecten in Italië wordt onderzocht of een gezin als geheel in een opvangplaats kan worden opgenomen en dat in ieder geval van een gezin de moeder en kinderen worden opgenomen. De man van het gezin kan onder omstandigheden buiten deze opvang blijven indien er onvoldoende plaats is. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit niet dat eiseres en haar kinderen opvang moeten ontberen bij terugkeer naar Italië. In dit verband heeft verweerder in het bestreden besluit nog terecht gewezen op het feit dat de Italiaanse autoriteiten aan eiseres in januari 2016, bij haar eerdere terugkeer naar Italië, ook opvang hebben geboden, welke zij overigens op eigen initiatief heeft verlaten.

15. De rechtbank concludeert gezien het vorenstaande dat verweerder niet ten onrechte tot het bestreden besluit is gekomen. Het beroep is daarom ongegrond. Er is geen aanleiding om de gevraagde voorlopige voorziening toe te wijzen. Het dictum in deze zaak, zoals hieronder vermeld, is op 7 oktober 2016 telefonisch aan partijen medegedeeld.

16. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak met nr. NL16/2526:

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter, in de zaak met nr. 16/2527:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter en voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W. Evenhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2016.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op het beroep, kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.