Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:12518

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-10-2016
Datum publicatie
20-10-2016
Zaaknummer
C/09/497234 / FA RK 15-7632
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2017:3166
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Vergoedingsrecht op grond van artikel 1:87 BW en afgifte goederen in eigendom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2016/72.41

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 15-7632 (echtscheiding) / FA RK 16-4700 (verdeling)

Zaaknummer: C/09/497234 (echtscheiding) / C/09/513197 (verdeling)

Datum beschikking: 18 oktober 2016

Scheiding

Beschikking op het op 13 oktober 2015 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaten: mr. E.M.T. van Ruitenbeek-de Bekker te 's-Gravenhage en mr. B.E.J. Loeffen te Oisterwijk.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats] (Oostenrijk),

advocaat: mr. M. van Yperen-Groenleer te 's-Gravenhage.

Procedure

Bij beschikking van 16 juni 2016 van deze rechtbank is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voorts heeft de rechtbank in deze beschikking overwogen dat de man ontvangen zal worden in de door hem verzochte nevenvoorzieningen en is de vrouw in de gelegenheid gesteld binnen vier weken na dagtekening van genoemde beschikking inhoudelijk te reageren op de aanvullende verzoeken van de man. Ten slotte is bepaald dat de behandeling zal worden voortgezet op een nader te bepalen terechtzitting en is iedere verdere beslissing ten aanzien van de nevenvoorzieningen en de proceskosten pro forma aangehouden tot 1 augustus 2016.

De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen:

- het verweerschrift van de vrouw, ingekomen op 12 juli 2016;

- de brief d.d. 9 september 2016, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

- de brief d.d. 9 september 2016, met bijlagen, van de zijde van de man;

- de brief d.d. 16 september 2016 van de zijde van de man;

- de brief d.d. 16 september 2016 van de zijde van de vrouw;

- de brieven d.d. 19 september 2016 van de zijde van de vrouw;

- de brief en het f-formulier d.d. 19 september 2016 van de zijde van de man.

Bij genoemd verweerschrift heeft de vrouw bij wege van voorwaardelijk aanvullend verzoek verzocht de man te veroordelen afschriften in het geding te brengen van alle op zijn naam staande bankrekeningen en de bankrekeningen van zijn ondernemingen (in de ruimste zin van het woord) van de afgelopen 5 jaren, dus 2010 tot en met 2015.

Bij genoemde brief d.d. 9 september 2016 heeft de man aanvullend het volgende subsidiaire verzoek gedaan, voor het geval dat afgifte van de paarden door de vrouw niet langer mogelijk is als gevolg van bijvoorbeeld verduistering door de vrouw:

- te bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag is verschuldigd ter grootte van de waarde van de paarden waarvan geen afgifte meer mogelijk is, welke waarde nader dient te worden vastgesteld door een deskundige door de rechtbank aan te wijzen.

Op 20 september 2016 is de behandeling ter terechtzitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de man, bijgestaan door zijn advocaten, alsmede de advocaat van de vrouw. Van de zijde van de man zijn door beide advocaten pleitnotities overgelegd.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.

Afgifte paarden

Aan de orde zijn de verzoeken van de man:

- om in de beschikking te bepalen en expliciet op te nemen dat de vrouw aan de man ter beschikking dient te stellen zijn paarden [paard 1] , [paard 2] , [paard 3] en [paard 4] , en de veulens van zijn paard [paard 5] , [veulen 1] en [veulen 2] , inclusief zadels en hoofdstellen van de paarden, vergezeld van de paspoorten van de betreffende paarden met daarop vermelding van de entingen (up to date),

- alsmede dat de vrouw haar medewerking dient te verlenen aan het verkrijgen van de benodigde vervoersdocumenten en in verband daarmee de paarden ter keuring dient aan te bieden aan de “Amtsartz”, zulks binnen een week na de beschikking op straffe van een dwangsom van € 10.000,-- per paard per dag,

- alsmede het hierboven vermelde aanvullend subsidiaire verzoek tot schadevergoeding als afgifte van de paarden niet meer mogelijk is.

Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft de man ter terechtzitting ten aanzien van de verschillende paarden onder meer het volgende naar voren gebracht.

[paard 1]

De man heeft gesteld dat hij [paard 1] in 2012 heeft gekocht. De man heeft gewezen op de eerder in de procedure ingebrachte schriftelijke verklaring van de heer [naam] waarin deze verklaart dat hij genoemd paard in genoemd jaar heeft verkocht en geleverd aan de man.

[paard 2]

De man heeft gesteld dat hij de eigendom van [paard 2] heeft verworven in 2007. De man heeft gewezen op de eerder in de procedure ingebrachte schriftelijke verklaring van de heer [naam] waarin deze verklaart dat hij genoemd paard in 2007 heeft verkocht en geleverd aan de man.

[paard 3]

De man heeft gesteld dat de heer [naam] in 2013 de eigendomsrechten van [paard 3] aan hem heeft overgedragen. De man heeft gewezen op de eerder in de procedure ingebrachte schriftelijke verklaring van de heer [naam] waarin deze verklaart dat hij genoemd paard in genoemd jaar heeft verkocht en geleverd aan de man.

[veulen 1] en [veulen 2]

De man heeft gesteld dat [veulen 1] en [veulen 2] directe nakomelingen zijn van de merrie [paard 5] . De man heeft voorts gesteld dat hij eigenaar is van [paard 5] en daarmee ook de eigenaar van haar veulens. Ten bewijze dat de man eigenaar is van [paard 5] heeft de man gewezen op de eerder in de procedure ingebrachte schriftelijke verklaring van de heer [naam] waarin deze verklaart dat hij [paard 5] in 2005 heeft verkocht en geleverd aan de man.

De man heeft voorts gesteld dat hij [paard 1] , [paard 2] en [paard 3] in [plaats] , Nederland, heeft gekocht. Ten aanzien van [veulen 1] en [veulen 2] heeft de man ter terechtzitting onweersproken gesteld dat zij in [plaats] , Nederland, zijn gefokt en geboren.

[paard 4] (ook wel ' [naam] ' genoemd)

De man heeft gesteld dat de vrouw erkent dat de man de eigenaar is van [paard 4] , en dat dit blijkt uit een sms-bericht van de vrouw aan de man. In het door de man overgelegde bericht staat: " [naam] und das andere Und wischi Geld bekommst du [naam] ". Volgens de man geeft de vrouw hiermee aan dat zij de verkoopopbrengst van de voorgenomen verkoop van [paard 4] geheel zou afdragen aan de man.

De vrouw heeft gesteld dat niet de man maar zij eigenaar is van de paarden. Ter onderbouwing hiervan heeft de vrouw verwezen naar het door haar in de procedure overgelegde rapport van mr. Wensing en de overgelegde paspoorten/stamboekregistraties van de paarden, waarin haar naam als eigenaar van de paarden staat geregistreerd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Nu de paarden zich in Oostenrijk bevinden draagt deze zaak, ook voor zover het gaat om de paarden, een internationaal karakter en dient de rechtbank eerst vast te stellen naar welk recht moet worden beoordeeld aan wie de paarden in eigendom toebehoren.

Ingevolge het Nederlandse internationale privaatrecht wordt het goederenrechtelijke regime met betrekking tot een zaak beheerst door het recht van de staat op welks grondgebied de zaak zich bevindt (artikel 10:127 lid 1 BW). Dit recht bepaalt onder meer welke vereisten worden gesteld aan (een overdracht van) de eigendom van een zaak (artikel 10:127 lid 4, onder d-f, BW). Is sprake van verkrijging van een zaak, dan is voor het beoordelen van het toepasselijke recht bepalend het tijdstip waarop deze verkrijging geschiedde (artikel 10:127 lid 5 BW). Op grond van artikel 10:130 BW blijven de rechten op een zaak, die overeenkomstig het ingevolge deze titel toepasselijke recht zijn verkregen of gevestigd, daarop rusten, ook indien die zaak wordt overgebracht naar een andere staat.

[paard 1] , [paard 2] , [paard 3] , [veulen 1] en [veulen 2]

De vrouw heeft de stellingen van de man dat hij de paarden [paard 1] , [paard 2] en [paard 3] in Nederland heeft gekocht, dat deze in Nederland aan hem zijn geleverd en dat de paarden [veulen 1] en [veulen 2] in Nederland zijn gefokt en geboren niet, althans onvoldoende weersproken. Gelet hierop zal de rechtbank uitgaan van de juistheid van deze stellingen van de man. Dit betekent dat op de vraag wie eigenaar is van de paarden [paard 1] , [paard 2] , [paard 3] , [veulen 1] en [veulen 2] het Nederlandse recht van toepassing is.

Het Nederlandse recht bepaalt dat op dieren de bepalingen met betrekking tot zaken van toepassing zijn, met inachtneming van de op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen, verplichtingen en rechtsbeginselen, alsmede de openbare orde en de goede zeden (artikel 3:2a BW). Voor verkrijging van de eigendom van een paard gelden dus – in beginsel – dezelfde regels als voor verkrijging van de eigendom van een (roerende) zaak. De eigendom van een roerende zaak gaat (onder andere) over door levering (bezitsverschaffing) op grond van een geldige titel (bijvoorbeeld koop). Verder bepaalt artikel 5:1 lid 3 BW dat de eigenaar van de zaak tevens eigenaar wordt van de afgescheiden vruchten van de zaak.

De man heeft gesteld waar, wanneer en hoe hij eigenaar is geworden van genoemde paarden en heeft deze stellingen met stukken onderbouwd.

De vrouw heeft niet gesteld waar, wanneer en hoe zij eigenaar is geworden van genoemde paarden.

Uit het enkele feit dat de paarden zijn geregistreerd op naam van de vrouw kan niet worden afgeleid dat de vrouw eigenaar is van de paarden. Partijen hebben allebei gesteld dat aan de tenaamstelling in een paspoort of stamboekpapier behorende bij een paard geen bewijs van eigendom kan worden ontleend.

Nu de vrouw haar stelling dat zij eigenaar is van de paarden verder op geen enkele wijze heeft onderbouwd en zij de onderbouwde stelling van de man omtrent het eigendom van genoemde paarden onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, gaat de rechtbank uit van de juistheid van de stelling van de man dat hij [paard 1] , [paard 2] en [paard 3] heeft gekocht en dat deze aan hem zijn geleverd. De man is toen dus op grond van koop en levering eigenaar van deze paarden geworden. Voorts gaat de rechtbank er – als onvoldoende door de vrouw weersproken – van uit dat de man het paard [paard 5] heeft gekocht, dat dit aan hem is geleverd, dat hij daardoor eigenaar van [paard 5] is geworden en dat [veulen 1] en [veulen 2] hieruit zijn geboren. De man is dus op grond van het bepaalde in artikel 5:1 lid 3 BW bij de geboorte van [veulen 1] en [veulen 2] tevens eigenaar van deze paarden geworden.

Gesteld noch gebleken is dat de man na deze eigendomsverkrijgingen de eigendom van deze paarden heeft overgedragen aan een ander (al dan niet de vrouw).

De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat is komen vast te staan dat de man eigenaar is van de paarden [paard 1] , [paard 2] , [paard 3] , [veulen 1] en [veulen 2] .

[paard 4]

De man heeft niet gesteld waar, wanneer en hoe hij eigenaar zou zijn geworden van dit paard. Ook de vrouw heeft niet gesteld waar, wanneer en hoe zij eigenaar zou zijn geworden. Om deze redenen kan de rechtbank niet vaststellen naar welk recht zij moet beoordelen of de eigendom aan de man of aan de vrouw is overgedragen (of aan een derde). Veronderstellenderwijs uitgaande van de toepasselijkheid van Nederlands recht overweegt de rechtbank over de toewijsbaarheid van het verzoek van de man het volgende.

Anders dan de man stelt levert de inhoud van het sms-bericht dat door de man is overgelegd, naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de betwisting door de vrouw, geen bewijs van erkenning van zijn eigendom door de vrouw. Nu de man onvoldoende heeft onderbouwd dat hij eigenaar is van [paard 4] , kan de rechtbank dit niet vaststellen.

Conclusie met betrekking tot het verzoek tot afgifte van de paarden

De rechtbank wijst het primaire verzoek van de man tot het ter beschikking stellen van de paarden [paard 1] , [paard 2] , [paard 3] , [veulen 1] en [veulen 2] door de vrouw aan de man toe. Aan de rechtbank is niet gebleken dat afgifte van deze paarden niet (meer) mogelijk is. Ook de hierbij door de man verzochte afgifte van de zadels, de hoofdstellen van deze paarden en de paspoorten van deze paarden met daarop vermelding van de entingen (up to date), alsmede het verzoek dat de vrouw haar medewerking dient te verlenen aan het verkrijgen van de benodigde vervoersdocumenten en in verband daarmee de paarden ter keuring dient aan te bieden aan de “Amtsartz” zal worden toegewezen, nu de vrouw daartegen geen uitdrukkelijk verweer heeft gevoerd. De rechtbank zal de termijn van het ter beschikking stellen van de paarden stellen op een redelijke termijn van een maand na deze beschikking in plaats van de door de man verzochte termijn van een week, mede gelet op de voorbereidingsmaatregelen die de vrouw nog moet treffen.

Het verzoek van de man tot het ter beschikking stellen van het paard [paard 4] met toebehoren zal worden afgewezen.

De rechtbank stelt vast dat de man niet heeft verzocht om de bepaling tot afgifte van de paarden uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om dit ambtshalve te doen. Gelet hierop komt de rechtbank dan ook niet toe aan de beoordeling van het verzoek van de vrouw om, bij toewijzing van het verzoek van de man, de bepaling tot afgifte van de paarden niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De op te leggen dwangsom zal worden gemaximeerd als na te melden. Voorts zal worden bepaald dat de op te leggen dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan.

Het door de man in zijn brief van 9 september 2016 gedane subsidiaire verzoek hoeft verder geen bespreking meer, nu het primaire verzoek van de man tot afgifte van zijn paarden zal worden toegewezen.

Vergoedingsrecht op grond van artikel 1:87 BW

De man heeft verzocht om een vergoedingsrecht op grond van 1:87 BW vast te stellen. De man voert daartoe aan dat hij een bedrag van € 711.949,34 uit zijn vermogen heeft aangewend ten behoeve van de vrouw. Dit bedrag is als volgt samengesteld.

Volgens de man blijkt uit het door hem als productie 15 overgelegde overzicht, met als bijlage de onderliggende bankafschriften van zijn privérekening, dat een bedrag van in totaal € 561.949,34 vanuit zijn privé vermogen ten goede is gekomen aan het privé vermogen van de vrouw.

De man heeft daarnaast gesteld dat hij voor een bedrag van in totaal € 150.000,-- contant vanuit zijn privé vermogen heeft gestort op de privérekening van de vrouw. Ten behoeve van het leveren van bewijs van deze stortingen heeft de man verzocht de vrouw te bevelen de bankafschriften van haar privérekening te overleggen.

De man heeft erop gewezen dat artikel 1:87 BW sinds 1 januari 2012 van kracht is en dat op grond van het overgangsrecht op vergoedingsrechten die voor die vóór 1 januari 2012 zijn ontstaan, het recht van toepassing is zoals dat gold onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van art. 1:87 BW. De man heeft gesteld dat hij ter voorkoming van discussie over de toepasselijkheid van de nominaliteitsleer dan wel de beleggingsleer, in deze slechts een nominaal vergoedingsrecht vordert.

De vrouw heeft het door de man als productie 15 overgelegde overzicht eveneens in het geding gebracht als productie 5 bij brief van 9 september 2016 en de afzonderlijke betalingen voorzien van groene, roze of gele arceringen en handgeschreven commentaar.

De rechtbank zal bij de bespreking van de vordering van de man uit hoofde van artikel 1:87 BW verwijzen naar deze arceringen van de vrouw op het overzicht van de man.

Groen gearceerde bedragen

De vrouw heeft erkend dat de groen gearceerde betalingen van de man als investeringen in de zin van artikel 1:87 BW hebben te gelden. Gelet op deze erkenning is in beginsel komen vast te staan dat de man deze investeringen heeft gedaan en dat de vrouw gehouden is deze aan de man te vergoeden. De vrouw heeft echter tevens gesteld dat de door de man gedane investeringen zijn gedaan met haar geld en dat zij feitelijk haar eigen geld terug heeft gekregen. Het is dan aan de vrouw om deze stelling te onderbouwen en – bij betwisting door de man – te bewijzen.

Ter onderbouwing van haar stelling heeft de vrouw – samengevat – het volgende aangevoerd. De man had volgens de vrouw een beperkt inkomen en geen vermogen, terwijl zij destijds wel vermogend was. Uit de door de man in het geding gebrachte bankafschriften kan ook niet worden afgeleid waar de man het geld, ruim € 700.000,--, vandaan heeft. Volgens de vrouw nam zij geld op van de bankrekening van [naam B.V. 2] en gaf zij dit in contanten aan de man. De man deed hiervan vervolgens deels zijn uitgaven en stortte het geld deels op de rekening van [naam B.V. 1] De vrouw heeft nog opgemerkt dat indien enkel op de in het geding gebrachte bankafschriften wordt afgegaan, er op de rekening van de man veel meer geld is uitgegaan dan binnengekomen. De man heeft volgens de vrouw met opzet geen inzage gegeven in al zijn bankafschriften om te verbergen dat zijn inkomen van de vrouw afkomstig was.

De man heeft al deze stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist. De man heeft gesteld dat hij al jarenlang werkt als consultant en dat hij diverse ondernemingen had, waarvan [naam B.V. 1] er één was. De man heeft voorts gesteld dat hij in België heeft gewoond en dat hij daar twee huizen bezat. Deze huizen zijn volgens de man executoriaal verkocht. Na betaling van de schuldeisers resteerde een aardig bedrag van de verkoopopbrengst. Volgens de man was het juist de vrouw die niets bezat, behoudens de panden in Wenen. Deze waren echter aan haar door haar moeder geschonken met de restrictie dat deze niet mochten worden beleend of anderszins tot zekerheid mochten strekken, zodat de vrouw hieruit geen liquiditeiten kon halen.

De vrouw heeft tegen deze betwisting van de man niets ingebracht. Zij heeft enkel gesteld dat zij in bewijsnood verkeert, omdat zij niet kan aantonen hoe de man aan zijn geld is gekomen. Zij meent dat het aan de man is om dit zichtbaar te maken, en stelt dat hij daartoe de jaarstukken van [naam B.V. 1] over 2010 tot en met 2015, alsmede alle volgnummers van de in het geding gebrachte bankafschriften van zijn privérekening, alsmede alle afschriften van de bankrekeningen van [naam B.V. 1] over 2010 tot en met 2015 in het geding dient te brengen.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat het door de man geïnvesteerde geld van haar afkomstig is. Na de gemotiveerde betwisting van deze stelling door de man, lag het op de weg van de vrouw om te onderbouwen dat zij het geld aan de man had gegeven. De vrouw heeft dit nagelaten. De rechtbank ziet niet in waarom de vrouw dit enkel zou kunnen onderbouwen met stukken die in het bezit van de man zijn. Nu de vrouw nog geen begin van een onderbouwing van haar stellingen heeft gegeven, ziet de rechtbank geen aanleiding de man op te dragen de door de vrouw genoemde stukken in het geding te brengen.

Het voorgaande betekent dat de man in ieder geval een vergoedingsrecht heeft ten laste van de vrouw ten bedrage van € 442.770,09, zijnde de groen gearceerde bedragen bij elkaar opgeteld. In zoverre zal het verzoek van de man worden toegewezen, waarbij de rechtbank het redelijk acht een betalingstermijn aan te houden van één maand in plaats van de door de man verzochte twee dagen.

Roze gearceerde bedragen

De vrouw heeft betwist dat de roze gearceerde betalingen van de man als investeringen in de zin van artikel 1:87 BW hebben te gelden, nu de roze gearceerde betalingen onder andere energiekosten, deurwaarderskosten, een boete, de dierenarts en paardrijlaarzen betreffen. Volgens de vrouw is er geen sprake van vermogensoverheveling als bedoeld in artikel 1:87 BW.

De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van de man had gelegen, gezien de betwisting door de vrouw, nader te onderbouwen waarop de roze gearceerde bedragen zien. Weliswaar heeft de man erop gewezen dat in artikel 1:87 lid 3 sub b BW ook vergoedingsrechten worden toegekend voor verbruiksartikelen, maar hierbij dient het wel te gaan om investering in een verbruiksgoed (zoals bijvoorbeeld een auto) en niet om kosten van de huishouding. Een enkele summiere beschrijving achter de bedragen is, mede gezien de betwisting door de vrouw, onvoldoende om te kunnen beoordelen of het hier investeringen in de zin van artikel 1:87 BW betreffen. Zonder nadere onderbouwing is het evenzeer mogelijk dat de betreffende bedragen zien op kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Deze kosten komen op grond van artikel 6, eerste lid, van de huwelijkse voorwaarden van partijen (productie 2 van de man) geheel ten laste van de man en leiden niet tot vergoedingsrechten.

De rechtbank gaat er derhalve niet van uit dat op grond van de roze gearceerde betalingen een vergoedingsrecht is ontstaan ten laste van de vrouw. In zoverre zal het verzoek van de man worden afgewezen.

Geel gearceerde bedragen

De vrouw heeft betwist dat de geel gearceerde betalingen van de man als investeringen in goederen van haar hebben te gelden, nu het hier gaat om betalingen ten behoeve van [naam B.V. 3] GmbH en [naam B.V. 2] GmbH en derhalve niet om betalingen aan de vrouw in privé.

Ten aanzien van [naam B.V. 3] GmbH heeft de man opgemerkt dat deze GmbH slechts een vehikel was, door de vrouw in het leven geroepen in verband met het verkrijgen van belastingvoordeel. De man heeft gesteld dat, waar verwezen wordt naar betalingen voor een paardenkliniek, paardenvoer en supplementen dit geen kosten van [naam B.V. 3] GmbH waren, maar van de vrouw zelf. Waar het betalingen aan [naam B.V. 2] GmbH betreft, heeft de man erop gewezen dat die betalingen zijn gedaan voor EJW (de vrouw zelf) aan de GmbH. Dit betroffen betalingen die zij als directeur-grootaandeelhouder diende te voldoen. Ter terechtzitting heeft de man voorts gesteld dat de betalingen tevens zien op een privéschuld van de vrouw aan de GmbH.

De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van de man had gelegen, gezien de betwisting door de vrouw, nader te onderbouwen dat de betalingen aan beide vennootschappen in feite betalingen waren aan of ten behoeve van de vrouw in privé. Ook hier acht de rechtbank een enkele summiere beschrijving achter de bedragen onvoldoende, mede gezien de betwisting door de vrouw, om te kunnen beoordelen of het hier investeringen in de zin van artikel 1:87 BW betreffen. Ook de stelling van de man dat de betalingen tevens zien op een privéschuld van de vrouw aan haar vennootschap is niet nader door hem onderbouwd. Nu de man onvoldoende heeft onderbouwd dat op grond van de geel gearceerde betalingen een vergoedingsrecht is ontstaan ten laste van de vrouw, zal het verzoek van de man in zoverre worden afgewezen.

€ 150.000,-- stortingen in contanten

De vrouw heeft betwist dat de man € 150.000,-- contant heeft gestort op de privérekening van de vrouw. Zij heeft voorts gesteld dat, voor zover de man al contanten zou hebben gestort, dit geld was dat de man contant van de rekening van de vrouw had opgenomen. De vrouw heeft erop gewezen dat producties met betrekking tot de door de man beweerde stortingen ontbreken.

Ter terechtzitting heeft de man gesteld dat genoemde € 150.000,-- afkomstig was van de verkoop van een paard. Hij haalde dit geld van zijn rekening af om voor de vrouw bijvoorbeeld kosten van een deurwaarder te voldoen.

De rechtbank overweegt dat de man met betrekking tot genoemde € 150.000, geen enkel bewijs heeft overgelegd. Na de gemotiveerde betwisting van deze stortingen door de vrouw, lag het op de weg van de man om te onderbouwen dat hij het geld aan de vrouw heeft verstrekt. De man heeft dit nagelaten. De rechtbank ziet niet in waarom de man dit enkel aannemelijk kan maken met de stukken in het bezit van de vrouw. Nu de man nog geen begin van een onderbouwing van zijn stellingen heeft gegeven, ziet de rechtbank geen aanleiding de vrouw te bevelen de bankafschriften van haar privérekening te overleggen. Dit verzoek van de man zal dan ook worden afgewezen.

Het voorgaande betekent dat de man naar het oordeel van de rechtbank geen vergoedingsrecht heeft ten laste van de vrouw ten bedrage van genoemde € 150.000,--. In zoverre zal het verzoek van de man eveneens worden afgewezen.

Dwangsom Imac Retina 27”

De rechtbank zal het verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw thans een dwangsom is verschuldigd van € 1.500,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 december 2015, zijnde 4 weken na datum beschikking voorlopige voorziening, afwijzen.

De beschikking voorlopige voorziening verschaft de man immers reeds een titel om een bedrag van € 1.500,-- aan verbeurde dwangsom te innen voor zover de vrouw heeft nagelaten de Imac Retina 27'' tijdig aan de man beschikbaar te stellen. De man heeft dus geen belang bij zijn verzoek. Voor wat betreft de wettelijke rente wijst de rechtbank op artikel 611a, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Hierin is bepaald dat de dwangsom niet kan worden verbeurd vóór de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld. Nu niet is gesteld, noch is gebleken dat de uitspraak aan de vrouw is betekend, kan de rechtbank niet vaststellen of de vrouw in gebreke is gebleven en of wettelijke rente verschuldigd is.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de vrouw aan de man ter beschikking zal stellen de paarden van de man, te weten [paard 1] , [paard 2] , [paard 3] , [veulen 1] en [veulen 2] , inclusief zadels en hoofdstellen van de paarden, vergezeld van de paspoorten van de betreffende paarden met daarop vermelding van de entingen (up to date), alsmede dat de vrouw haar medewerking dient te verlenen aan het verkrijgen van de benodigde vervoersdocumenten en in verband daarmee de paarden ter keuring dient aan te bieden aan de “Amtsartz”, zulks binnen een maand na deze beschikking;

bepaalt dat de vrouw aan de man een dwangsom verbeurt van € 2.500,-- per paard, per dag, voor iedere dag dat zij voormelde terbeschikkingstelling van de paarden niet nakomt, met een maximum van € 150.000,-- per paard;

bepaalt dat de op te leggen dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan;

bepaalt dat de vrouw aan de man dient te betalen een bedrag van € 442.770,09 binnen een maand na deze beschikking en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.D Bellaart, O.F. Bouwman en L. van Hoppe, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 oktober 2016.