Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:12366

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
15-12-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 254
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2017:1563, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij de ontbinding van de Holding is eisers pensioenaanspraak verrekend met zijn schuld in rekening-courant aan de Holding. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank sprake van het afkopen of vervreemden van eisers pensioenaanspraak als bedoeld in artikel 19b, onder b, van de Wet LB. Verweerder heeft dan ook terecht de pensioenaanspraak van eiser aangemerkt als loon uit vroegere arbeid in het jaar 2012.

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964 19b, geldigheid: 2014-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-3090
V-N Vandaag 2016/2814
mr. M.E. Kastelein annotatie in NTFR 2017/185

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 16/254

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: B. de Bruijn),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [kantoorplaats] , verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2012 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd. In de aanslag is begrepen een beschikking revisierente en heffingsrente.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 7 december 2015 de navorderingsaanslag, de revisierente en de heffingsrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2016.

Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden [persoon 1] en [persoon 2] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser was directeur groot aandeelhouder (DGA) van [bedrijf 1] (de Holding). De Holding participeerde in de werkmaatschappij [bedrijf 2] B.V.

De werkmaatschappij is medio 2012 gefailleerd.

2. De Holding heeft vanaf 2006 bedragen voor een pensioenvoorziening op de balans geboekt. Op 21 december 2012 bedroeg de pensioenvoorziening € 51.546.

3. De Holding heeft een (rekening-courant) vordering op eiser. Op 21 december 2012 bedroeg die vordering € 264.020.

4. De algemene vergadering van aandeelhouders (ava) van de Holding heeft op 21 december 2012 besloten tot ontbinding van de vennootschap. Daarbij is tevens bepaald dat de vordering van de vennootschap op eiser ten laste van het resultaat wordt afgeboekt en dat de pensioenverplichting ten gunste van het resultaat wordt geboekt.

5. Eiser heeft aangifte IB/PVV 2012 gedaan naar een verzamelinkomen van € 22.152

6. Met dagtekening 13 september 2013 is de primitieve aanslag conform de aangifte opgelegd.

7. Met dagtekening 22 augustus 2015 is de navorderingsaanslag aan eiser opgelegd. Daarbij is een correctie aangebracht van € 80.438 aan waarde pensioenaanspraak. Het vastgesteld verzamelinkomen is € 102.118. Over het bedrag van de correctie is 20% revisierente berekend.

Geschil
8. In geschil is of de navorderingsaanslag terecht aan eiser is opgelegd. Meer specifiek in geschil is verweerder terecht de waarde van de pensioenaanspraak tot het inkomen uit werk en woning heeft gerekend.

8.1.

Eiser stelt zich primair op het standpunt dat er geen rechtmatige pensioenvoorziening is afgesloten omdat er geen pensioenbrief of -overeenkomst gevonden is. Subsidiair stelt eiser dat de pensioenaanspraken niet belast zijn, omdat er aan het afzien van deze aanspraken geen financiële transactie ten grondslag ligt en er geen voordeel is genoten. Eiser stelt voorts dat onzuiver handelen door faillissement en ontbinding niet valt onder de beschrijvingen in artikel 19b van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB). Eiser stelt dat de navorderings- aanslag ten onrechte is opgelegd en verminderd dient te worden naar nihil.

8.2.

Verweerder neemt primair het standpunt in dat de pensioenaanspraak in 2012 door eiser is afgekocht of vervreemd en met toepassing van artikel 19b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet LB terecht tot het loon is gerekend. Subsidiair neemt verweerder het standpunt in dat de pensioenaanspraak met toepassing van artikel 19b, eerste lid, aanhef en onder c tot het loon moet worden gerekend. Meer subsidiair neemt verweerder het standpunt in dat de pensioenaanspraak tot het loon moet worden gerekend op grond van artikel 19b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet LB. Ten slotte beroept verweerder zich op interne compensatie omdat bij de ontbinding van de BV de vordering op eiser is kwijtgescholden zonder dat dit tot heffing in box 2 heeft geleid.

Beoordeling van het geschil

9. Artikel 19b van de Wet LB bepaalt, voor zover hier van belang:

“1. Ingeval op enig tijdstip:

a. een aanspraak ingevolge een pensioenregeling niet langer als zodanig is aan te merken;

b. een aanspraak ingevolge een pensioenregeling wordt afgekocht of vervreemd dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid, anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990, wordt;

c. een aanspraak ingevolge een pensioenregeling waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen d of e, dan wel een lichaam als bedoeld in artikel 36b, wordt prijsgegeven, behoudens voor zover de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar is;

d. (…)

wordt op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip de aanspraak aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer of gewezen werknemer dan wel, indien deze is overleden, van de gerechtigde tot de aanspraak. “

10. Uit het verslag van de buitengewone ava van De Holding gehouden op 21 december 2012, waarbij aanwezig waren eiser en zijn gemachtigde, blijkt dat aldaar is besloten dat de Holding in verband met het teniet gaan van de deelneming in [bedrijf 2] BV per 31 december 2012 zal worden ontbonden. De opgebouwde voorzieningen (pensioen en deelnemingsvoorziening) worden ten gunste van het resultaat afgeboekt. De vordering van de Holding op eiser wordt ten laste van het resultaat afgeboekt.

11. Niet in geschil is dat de Holding in de jaren 2006 tot en met 2011 bedragen ten behoeve van een pensioenvoorziening heeft gedoteerd. Gelet op de positie van eiser in de Holding kan het niet anders zijn dan dat deze voorziening is getroffen teneinde voor eiser een pensioenvoorziening te treffen. Eiser had derhalve eind 2012 een aanspraak ingevolge een pensioenregeling op de Holding. Dat er geen formele overeenkomst of pensioenbrief is aangetroffen, maakt dit niet anders. Verweerder heeft de waarde in het economisch verkeer van de aanspraak berekend op een overdrachtswaarde van € 80.438. Namens eiser is erkend dat dit bedrag juist is. Bij de ontbinding op 31 december 2012 is eisers pensioenaanspraak verrekend met zijn schuld in rekening-courant aan de Holding. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank sprake van het afkopen of vervreemden van eisers pensioenaanspraak als bedoeld in artikel 19b, onder b, van de Wet LB. Verweerder heeft dan ook terecht de pensioenaanspraak van eiser aangemerkt als loon uit vroegere arbeid in het jaar 2012.

12. De stelling van eiser dat aan het afzien van deze aanspraken geen financiële transactie ten grondslag ligt en er geen voordeel is genoten miskent de feitelijke gang van zaken. Naast het afkopen van eisers pensioenaanspraak is immers ook zijn schuld aan de Holding afgeboekt. Eiser heeft tegen de in rekening gebrachte revisie- en heffingsrente geen afzonderlijke grieven aangevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze bedragen overeenkomstig de wettelijke bepalingen en op juiste wijze berekend. Hetgeen voorts nog door of namens eiser is aangevoerd behoeft verder geen bespreking.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. van Rij, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C. Stroebel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.