Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:12360

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-07-2016
Datum publicatie
08-11-2016
Zaaknummer
C/09/502202 / HA ZA 15-1410
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling vermogen vof na ontbinding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3253
JERF 2018/104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/502202 / HA ZA 15-1410

Vonnis van 6 juli 2016

in de zaak van

[A] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. J.P. van Veenendaal te Den Haag,

tegen

[B] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. W.G.H. Janssen te Leiden.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 14 december 2015, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie van 3 februari 2016, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 17 februari 2016 waarin een comparitie na antwoord is gelast;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie van 23 mei 2016;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 23 mei 2016;

  • -

    de brief van mr. Van Veenendaal in reactie op het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 21 januari 2011 is [Q] (hierna: [Q] ) overleden. [Q] is de broer van [A] . [Q] dreef tezamen met [B] een onderneming, de vennootschap onder firma die handelde onder de namen [handelsnaam 1] , [handelsnaam 2] en [handelsnaam 3] (hierna: de vof). De domeinnaam [domeinnaam] is op 16 november 2009 geregistreerd door “ [handelsnaam 2] , [handelsnaam 1] ”.

2.2.

De wettige erfgenamen van [Q] zijn zijn vader, [Z ] , en zijn twee broers, waarvan [A] er één is. Uit de verklaring van erfrecht van 14 februari 2011 blijkt dat de erven van [Q] zijn nalatenschap hebben aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving.

2.3.

[A] is in 2012 door zijn vader en broer schriftelijk gevolmachtigd om namens hen beslissingen te nemen en handelingen te verrichten met betrekking tot de afwikkeling van de nalatenschap van [Q] . Na het overlijden van hun vader op 15 december 2014 is [A] door zijn broer [X] op 28 juli 2015 schriftelijk gevolmachtigd tot afwikkeling van de nalatenschap van hun vader.

2.4.

Na het overlijden van [Q] heeft [A] de huurwoning van [Q] ontruimd. In die woning bevonden zich, naast de privé inventaris van [Q] , zaken van de vof. Het gaat om twee bureaus, twee bureaustoelen, twee computers, reclamemateriaal, een versterker, een speaker, een printer en potten. [A] heeft de in woning aanwezige inventaris, zowel privé als van de vof, opgeslagen in een voor dat doel gehuurde garage.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[A] vordert − samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [B] tot:

  1. betaling van een bedrag van € 42.524 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 21 januari 2011, althans een door de rechtbank na verdeling vast te stellen bedrag;

  2. afgifte van de in onderdeel 10 van de dagvaarding opgesomde zaken, op straffe van een dwangsom;

  3. jaarlijkse betaling van 50 % van het winstaandeel van [handelsnaam 3] ;

  4. betaling van de helft van gemaakte en nog te maken opslagkosten;

  5. betaling van de proceskosten.

3.2.

[A] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de vof door het overlijden van [Q] is ontbonden en dat het vermogen van de vof dient te worden verdeeld tussen [B] en de erven van [Q] . [B] schiet tekort in de nakoming van zijn verplichting tot verdeling. [B] beschikt daarnaast over gereedschappen die eigendom waren van de (inmiddels overleden) vader van [A] . [B] maakt volgens [A] zonder toestemming van de erven van [Q] en aldus op onrechtmatige wijze gebruik van de handelsnaam [handelsnaam 3] . De omstandigheid dat de vof niet is verdeeld heeft tot gevolg dat de erven van [Q] genoodzaakt zijn de inventaris van de vof, voor zover deze zich in de woning van [Q] bevond ten tijde van zijn overlijden, op te slaan. [A] houdt [B] aansprakelijk voor de helft van de opslagkosten.

3.3.

[B] heeft de vordering gemotiveerd weersproken. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[B] vordert samengevat - veroordeling van [A] tot betaling van een bedrag van € 75.000.

3.5.

[B] legt aan de vordering ten grondslag dat de erven van [Q] hem hebben belet het bedrijf dat hij met [Q] dreef na diens overlijden voort te zetten en dat hij als gevolg daarvan schade ten bedrage van € 65.000 heeft geleden. Daarnaast wenst hij vergoeding van een bedrag van € 10.000 aan kosten.

3.6.

[A] heeft de vordering gemotiveerd weersproken. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat het bepaalde in artikel 7A:1683 sub 4 Burgerlijk Wetboek (BW) met zich brengt dat de vof door het overlijden van [Q] van rechtswege is ontbonden. Evenmin is tussen partijen in geschil dat het vermogen van de vof vereffend moet worden en, indien na vereffening vermogen overblijft, verdeeld. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag wat het resultaat van de verdeling zal zijn. [A] stelt dat verdeling van het vennootschapsvermogen leidt tot een vordering van hem op [B] van € 42.524, het bedrag dat volgens hem het kapitaal van [Q] in de vof vertegenwoordigt. [B] heeft dit weersproken en stelt zich, zo begrijpt de rechtbank, op het standpunt dat [A] niets van hem te vorderen heeft.

4.2.

[A] heeft ter onderbouwing van zijn vordering een jaarrekening van de vof van 2010 overgelegd. Ook [B] heeft een jaarrekening van de vof van 2010 overgelegd. De jaarrekeningen vertonen onderling verschillen en partijen betwisten over en weer de juistheid van de jaarrekeningen. Volgens de verklaringen van partijen ter comparitie beschikt [A] over de administratie van de vof over de eerste negen maanden van 2010 en is de administratie van de vof over de laatste drie maanden van 2010 in handen van [B] . De rechtbank leidt hieruit af dat beide jaarrekeningen gebaseerd zijn op onvolledige informatie, nog daargelaten dat een jaarrekening tot doel heeft het resultaat van een onderneming in enig jaar vast te stellen en niet zonder meer het instrument is op grond waarvan de verdeling van een ontbonden vof kan worden vastgesteld. [B] heeft verder ter comparitie meegedeeld dat hij na het overlijden van [Q] en de ontbinding van de vof een schuld van de vof aan een derde van € 12.000 heeft voldaan. Deze schuld staat volgens de verklaring van [B] niet op de door [A] overgelegde jaarrekening. Deze stellingen zijn in essentie door [A] niet betwist.

4.3.

Het is aan de rechtbank om te beoordelen of op basis van de door partijen verstrekte gegevens, voor zover de juistheid van deze gegevens al kan worden vastgesteld, de conclusie kan worden getrokken dat verdeling van het vennootschapsvermogen leidt tot een betalingsplicht van [B] aan [A] . De rechtbank overweegt in dat verband het volgende.

4.4.

Zoals hiervoor is overwogen, gaat aan verdeling van het vermogen van een ontbonden vennootschap vereffening vooraf. Vereffening houdt in dat de schuldeisers van de vof worden betaald, dat uitstaande vorderingen worden geïnd en dat activa te gelde worden gemaakt of, in plaats daarvan, worden gewaardeerd. Hiervoor geldt als peildatum de datum van ontbinding van de vof, in dit geval de sterfdatum van [Q] . Betaling aan de schuldeisers van de vof geschiedt vanuit het vermogen van de vof. Mocht sprake zijn van een tekort, dan moeten de vennoten daarvoor instaan. Artikel 32 van het Wetboek van Koophandel bepaalt in dit verband dat de vennoten de vennootschap in haar naam moeten vereffenen, tenzij de vennootschapsovereenkomst anders bepaalt. Gesteld noch gebleken is dat tussen partijen een (schriftelijke) vennootschapsovereenkomst bestaat waarin afspraken zijn gemaakt ten aanzien van de gevolgen van ontbinding van de vof. Gewezen vennoten kunnen ook samen een derde als vereffenaar benoemen. Wanneer zij daar samen niet uitkomen, kan de rechter op verzoek van de vennoten een vereffenaar benoemen. [A] en [B] hebben echter geen vereffenaar benoemd en hebben de rechtbank ook niet verzocht een vereffenaar te benoemen. Het voorgaande betekent dat [A] en [B] de vof in haar naam moeten vereffenen.

4.5.

Na vereffening dient recht te worden gedaan aan de inbreng van de vennoten. Uitgangspunt bij de afwikkeling van een vof is dat de vennoten hun inbreng (of de tegenwaarde daarvan) terugkrijgen, zo nodig met verrekening. De rechtbank wijst erop dat de inbreng van vennoten in een vof geen schuld vormt van het vermogen van de vof jegens de inbrengende vennoot. De inbreng van de vennoten is daarom geen vordering die in het kader van de vereffening van de ontbonden vof dient te worden voldaan. Teruggave van de inbreng gebeurt vanuit, voor zover aanwezig, het na vereffening resterende vermogen van de vof. Indien er na vereffening en vervolgens teruggave van de inbreng nog vermogen over is, dan wordt dit verdeeld aan de hand van de tussen de vennoten overeengekomen verdeelsleutel. Tussen partijen is niet in geschil dat tussen hen bij helfte zal worden verdeeld.

4.6.

Uit het dossier blijkt niet of, en zo ja door wie, de op de peildatum bestaande schulden van de vof aan derden zijn voldaan. Evenmin blijkt of, en zo ja door wie, de op de peildatum bestaande vorderingen van de vof zijn geïnd. De omstandigheid dat [B] onweersproken heeft verklaard dat hij een schuld van de vof van € 12.000 heeft voldaan en dat uitsluitend hij volgens de onweersproken verklaring van [A] na het overlijden van [Q] toegang had tot de bankrekening(en) van de vof is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om conclusies te trekken over de vereffening van de vof.

4.7.

Door partijen is niets gesteld over de inbreng van [Q] enerzijds en [B] anderzijds in de vof. Van de inbreng blijkt ook niet (ondubbelzinnig) uit de door partijen overgelegde stukken. In de door [A] overgelegde jaarrekening blijkt weliswaar van “stortingen” van de beide vennoten, maar zonder uitleg, die heeft [A] niet gegeven, kan de rechtbank niet vaststellen of de inbreng van de vennoten gelijk is te stellen met deze stortingen. Wat betreft de verdeling merkt de rechtbank nog op dat daarbij naar billijkheid rekening gehouden moet worden met de belangen van partijen en met het algemeen belang (artikel 3:185 BW). Nu onder de belangen waarmee naar billijkheid rekening gehouden behoort te worden (ook) wordt begrepen het belang van continuering van de onderneming en het behoud van werkgelegenheid, kan de omstandigheid dat [B] de onderneming heeft voortgezet en, bijvoorbeeld, gebruik is blijven maken van de bedrijfsauto van betekenis zijn.

4.8.

In artikel 3:185 BW is bepaald dat de rechter, wanneer deelgenoten het niet eens zijn over de verdeling van de gemeenschap, de wijze van verdeling kan vaststellen op vordering van de partij die daar belang bij heeft. De rechter kan de verdeling ook zelf vaststellen. De rechtbank begrijpt de vordering van [A] aldus dat hij (subsidiair) vaststelling van de wijze van verdeling heeft gevorderd. De rechter die de verdeling van de gemeenschap moet vaststellen is voor zijn inzicht in de omvang van de tot de gemeenschap behorende goederen en schulden in beginsel aangewezen op de gegevens die partijen hebben verschaft.

4.9.

De rechter is niet onder alle omstandigheden verplicht de verdeling vast te stellen. De rechter moet daarvoor over voldoende, hem door partijen aan te reiken gegevens beschikken om tot verdeling over te gaan. Zoals in het voorgaande uiteengezet, hebben partijen onvoldoende gegevens aangedragen om tot verdeling van het vermogen van de ontbonden vof te komen. De rechtbank heeft geen informatie over de inbreng van beide vennoten in de vof, onvoldoende informatie over de vereffening van de vof en geen eenduidige informatie over het vermogen van de vof.

4.10.

De rechtbank ziet geen aanleiding tot het benoemen van een deskundige. Hiervoor is redengevend dat de vordering van [A] niet strekt tot medewerking van [B] aan de verdeling, tot het benoemen van een vereffenaar zoals bedoeld in artikel 32 lid 2 Wetboek van Koophandel of tot het benoemen van een onzijdig persoon als bedoeld in artikel 3:181 BW. Daar komt bij dat een deskundige in beginsel wordt benoemd in het kader van bewijslevering door een van de procespartijen, terwijl van bewijslevering bij de huidige stand van zaken geen sprake is.

4.11.

Dat de rechtbank bij de huidige stand van zaken de verdeling niet (zelf) kan vaststellen, laat onverlet dat partijen jegens elkaar gehouden zijn tot vereffening en verdeling van de vof en dat zij niet gedwongen kunnen worden om in een onverdeelde gemeenschap te blijven. Teneinde het ertoe te leiden dat partijen komen tot verdeling van het vermogen van de ontbonden vof, zal de rechtbank partijen toelaten zich bij akte uit te laten over – in ieder geval – de inbreng van de vennoten in de vof, voor zover mogelijk onderbouwd met documenten die hun stellingen staven. De rechtbank draagt partijen verder op om inzichtelijk te maken waaruit de gemeenschap op de datum van ontbinding bestond. Zo nodig zal daarna een comparitie worden bepaald. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen partijen alleen aan het voorgaande voldoen, als zij elkaar over en weer inzage geven in het deel van de administratie dat ieder van hen onder zich heeft. De rechtbank geeft partijen dan ook in overweging (een kopie van) de administratie die zich onder hen bevindt, aan de ander af te geven, en op basis van die volledige administratie (bij voorkeur in overleg) een jaarrekening over het jaar 2010 te laten opmaken. De rechtbank draagt partijen, in het bijzonder [B] , verder op om inzichtelijk te maken welke handelingen in het kader van de vereffening van de vof zijn verricht na de datum van ontbinding van de vof.

4.12.

De rechtbank begrijpt dat de slechte verstandhouding tussen partijen hun samenwerking belet. Om te komen tot verdeling van het vennootschapsvermogen is samenwerking echter wel noodzakelijk. Indien partijen niet tot een constructief overleg kunnen komen, zouden partijen een vereffenaar kunnen benoemen zoals bedoeld in artikel 32 lid 2 Wetboek van Koophandel en/of een onzijdige persoon in de zin van artikel 3:181 BW die op basis van de gegevens berustend bij beide partijen, de verdeling van het vermogen van de vof kan (helpen) vaststellen. Gelet op de kosten die zijn verbonden aan de werkzaamheden van een dergelijke vereffenaar en/of onzijdige persoon, afgezet tegen de beperkte omvang van het vennootschapsvermogen zoals dat blijkt uit de stukken die wél voorhanden zijn, geeft de rechtbank partijen echter (nogmaals) dringend in overweging te komen tot een minnelijke regeling. Nu tussen partijen klaarblijkelijk niet in geschil is dat het aandeel van [Q] in de vof per de datum van diens overleden moet worden bepaald aan de hand van zijn kapitaal in de vof, terwijl de vof kort na 31 december 2010 is ontbonden, zou een regeling kunnen worden vormgegeven door in gezamenlijk overleg een jaarrekening te laten opstellen. In die jaarrekening wordt het kapitaal van [Q] in de vennootschap vastgesteld per 31 december 2010, evenals de vorderingen en schulden van de vennootschap per die datum. Vervolgens kan de omvang van de verplichting van [B] worden vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in rov. 4.4 en 4.5.

4.13.

De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over hetgeen zij in 4.1 tot en met 4.12, doch in het bijzonder in 4.11 en 4.12, heeft overwogen. De rechtbank zal de zaak daartoe verwijzen naar de rol. Na de aktewisseling zal, voor zover nodig, een comparitie van partijen worden gelast.

4.14.

Ten aanzien van de verdeling van de vof zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

4.15.

[A] vordert verder afgifte van gereedschappen (opgesomd in onderdeel 10 van de dagvaarding). Volgens [A] waren deze gereedschappen eigendom van zijn vader en zijn de gereedschappen thans in bezit van [B] . Volgens [A] lagen de gereedschappen in de berging behorend bij de woning van [Q] . In deze berging is na het overlijden van [Q] ingebroken. [A] verdenkt [B] van de inbraak, maar de inbraak is niet opgehelderd door politie en justitie. Er is niemand voor de inbraak veroordeeld. [B] heeft verklaard dat hij en [Q] de gereedschappen aanvankelijk hebben gebruikt voor hun werkzaamheden. Later, toen hun bedrijfsactiviteiten wijzigden, hadden zij de gereedschappen niet meer nodig. [B] heeft verklaard dat hij de gereedschappen niet in zijn bezit heeft en dat hij ook niet weet waar ze zijn.

4.16.

De rechtbank is van oordeel dat [A] zijn stelling dat [B] de gereedschappen in zijn bezit heeft, in het licht van de verklaring van [B] , onvoldoende heeft onderbouwd. De vordering tot afgifte zoals bedoeld in 3.1. onder b zal worden afgewezen. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.

4.17.

[A] vordert een aandeel van 50 % in de winst die [B] heeft gegenereerd met [handelsnaam 3] . De rechtbank stelt voorop dat de handelsnaam [handelsnaam 3] eigendom is van de ontbonden vof. Voorzover deze handelsnaam enige waarde vertegenwoordigt, hetgeen tussen partijen in geschil is, zal deze waarde tot uitdrukking moeten komen bij de afwikkeling van het vermogen van de ontbonden vof.

4.18.

Nu is gesteld noch gebleken dat de vennootschapsovereenkomst voorzag in de gevolgen van het overlijden van één van de vennoten, brengt artikel 7A:1688, tweede lid BW mee dat het recht van de erfgenamen van [Q] is beperkt tot de verdeling van de vof per de datum van het overlijden van [Q] . Ingevolge diezelfde bepaling heeft [B] de onderneming van de vof als eenmanszaak voortgezet (vgl. productie 4 bij dagvaarding). Dit betekent dat de onderneming van de vof vanaf 21 januari 2011 wordt gedreven door [B] en dat deze vanaf die datum voor zijn rekening en risico komt. Toestemming voor het gebruik van de handelsnaam was derhalve niet vereist, zodat van enig onrechtmatig handelen geen sprake is. Of het gebruik van die handelsnaam [B] ook maar iets heeft opgeleverd (hij heeft in dit verband immers onweersproken aangevoerd dat hij “nog nooit iets heeft verkocht” via de webshop met de naam [handelsnaam 3] ) kan daarom in het midden blijven. De vordering van [A] zoals weergegeven in 3.1 onder c zal gelet op het voorgaande worden afgewezen.

4.19.

[A] stelt dat hij de privéinventaris van [Q] en de inventaris van de ontbonden vof heeft opgeslagen in verband met de beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap van [Q] . De rechtbank begrijpt [A] aldus dat hij stelt dat [B] onrechtmatig jegens hem handelt door sinds het overlijden van [Q] niet mee te werken aan de vereffening en verdeling van het vermogen van de ontbonden vof. Als gevolg daarvan kan de nalatenschap van [Q] niet worden afgewikkeld en blijft [A] genoodzaakt de inventaris opgeslagen te houden. De schade die [A] als gevolg daarvan heeft geleden bestaat volgens zijn stelling uit (in ieder geval) de helft van de opslagkosten.

4.20.

De omstandigheid dat de inventaris is opgeslagen in een gehuurde garage berust naar het oordeel van de rechtbank op een keuze van [A] . Zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat de inventaris van de vof niet elders (kosteloos) opgeslagen had kunnen worden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het om een gering aantal zaken gaat, twee bureaus met bureaustoelen, apparatuur en wat huisraad. Daar komt bij dat aan [A] rechtsmiddelen ten dienste staan (zie hiervoor in 4.10) om verdeling van het vennootschapsvermogen te bewerkstelligen of te bespoedigen. [A] heeft echter bijna vijf jaar gewacht met het instellen van een vordering tegen [B] . Dit berust op een keuze van [A] waarvan de gevolgen voor zijn rekening komen. Gelet op een en ander ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank het causaal verband tussen de gestelde onrechtmatige gedraging – wat daar ook van zij – en de gestelde schade. Dit betekent dat het in 3.1 onder d weergegeven deel van de vordering zal worden afgewezen.

4.21.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden tot de einduitspraak in deze zaak.

in reconventie

4.22.

[B] vordert in reconventie een schadevergoeding van € 65.000 en een bedrag van € 10.000 aan kosten. [B] legt aan deze vordering ten grondslag dat [A] het [B] heeft bemoeilijkt om de onderneming voort te zetten door [B] de toegang tot bedrijfsgegevens en bedrijfsmiddelen van de vof te ontzeggen. Volgens de verklaring van de zijde van [B] ter comparitie is de geleden schade groot, maar is het gevorderde bedrag “een slag in de lucht”.

4.23.

Reeds op de grond dat het gevorderde bedrag (dat door [A] is betwist) niet is onderbouwd zal de vordering tot betaling van € 65.000 worden afgewezen. Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven of [A] jegens [B] onrechtmatig heeft gehandeld en of hij jegens hem schadeplichtig is.

4.24.

De vordering tot betaling van kosten ziet, zo begrijpt de rechtbank, op proceskosten. Daargelaten dat dit deel van de vordering niet is onderbouwd door [B] , geldt dat de vordering zal worden afgewezen op de grond dat niet is gebleken dat [A] jegens [B] schadeplichtig is zodat ook geen grond bestaat voor vergoeding van (proces)kosten van [B] .

4.25.

[B] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [A] .

4.26.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden tot de einduitspraak in deze zaak.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie:

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van 17 augustus 2016 voor akte uitlaten van beide partijen over hetgeen de rechtbank in 4.1 tot en met 4.12, doch in het bijzonder 4.11 en 4.12, heeft overwogen;

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan;

in reconventie:

5.3.

houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Brandt en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2016.1

1 type: 1820