Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:12351

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
01-11-2016
Zaaknummer
09/767084-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

(Gewoonte)witwassen: r.o. 3.4.1: witwassen van girale inkomsten uit een fictieve arbeidsovereenkomst

Valsheid in geschrift: r.o. 3.4.2: oplaten stellen van valse werkgeversverklaringen en loonstroken, en die gebruiken bij de aanvraag van hypotheken.

Verbeurdverklaring: r.o. 6.3: verbeurdverklaring mogelijk ook indien geen beslag op grond van art. 94 Sv. In casu geen verbeurdverklaring van niet in beslaggenomen geld, omdat uit het onderzoek niet volgt dat het uitgeleverd kan worden (art. 34 Sr, tweede lid). Wel verbeurdverklaring van twee woningen waarop geen beslag rust (art. 34 Sr), omdat de bewezen valsheid in geschrift heeft geleid tot afgifte van de hypotheken waarmee de woningen zijn gefinancierd.

Strafmaat: r.o. 6.3 en 8: gevangenisstraf van 6 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/767084-13

Datum uitspraak: 12 oktober 2016

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van:

  • -

    21 september 2016 (inhoudelijk) en

  • -

    28 september 2016 (inhoudelijk, sluiting onderzoek ter terechtzitting).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. P.P.E. van de Rivière en van hetgeen door de gemachtigde raadslieden van verdachte

mr. P.J. Hoogendam en D.J.G.J. Cornelissen, advocaten te Den Haag, naar voren is gebracht.

De verdachte is niet verschenen.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 21 september 2016 medegedeeld dat hij voornemens is een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 21 september 2016 - ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 maart 2012 tot en met 3 september 2013 te Leiden en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van (gewoonte) witwassen, immers heeft hij (telkens) (van) een of meer voorwerp(en), bestaande uit

- een of meer (gro(o)t(e) geldbedrag(en) met een totaal van (ongeveer) 37.440 euro (bestaande uit maandelijks 2080 euro giraal ontvangen op zijn bankrekening van onderneming [naam werkgever] met omschrijving loon en periode),

althans enig geldbedrag en/of goed,

- meermalen/eenmaal de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of

- meermalen/eenmaal (telkens) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat/die goed(eren) en/of geldbedrag(en) is/zijn en/of

- meermalen/eenmaal (telkens) een/meer van dat/die geldbedrag(en) en/of goed(eren) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van (een van) die geldbedragen en/of goederen gebruik gemaakt,

terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat/die voorwerp(en) - onmiddelijk of middelijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 30 juni 2014 te Leiden en/of te Wassenaar en/of te Rotterdam, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

a.één of meerdere werkgeversverklaring(en) van [naam werkgever] d.d. 30 mei 2013 en /of d.d. 5 december 2012 en/of een exemplaar zonder datum op naam van [verdachte] en/of

b.één of meerdere vals(e) of vervalste loonstro(o)k(en) van [naam werkgever] op naam van [verdachte] d.d. 6 mei 2013 en/of d.d. 30 augustus 2013 en/of d.d. 16 september 2013 en/of d.d. 17 oktober 2013,

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst en/of laten opmaken/vervalsen, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), toen en daar (telkens) valselijk - immers opzettelijk in strijd met de waarheid:

a.in/op voornoemde werkgeversverklaring(en) vermeld en/of laten vermelden dat verdachte een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd heeft en/of is aangesteld in vaste dienst sinds 27 februari 2012 bij [naam werkgever] tegen een bruto jaarsalaris van ruim 38.000 euro en/of

b.in/op voornoemde loonstro(o)k(en) opgenomen/ingevuld en/of laten opnemen/invullen dat [verdachte] op één of meer tijdstip(pen) in verschillende periodes via het bedrijf [naam werkgever] heeft gewerkt en/of loon heeft ontvangen en/of werkzaamheden heeft verricht,

zulks terwijl in werkelijkheid hij, verdachte geen werkzaamheden, althans veel minder werkzaamheden heeft verricht voor/via het bedrijf [naam werkgever] ,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (telkens) een, althans meerdere, medewerker(s) van de Coöperatieve Rabobank Leiden, Leiderdorp en Oegstgeest en/of de ABN AMRO bank N.V. te doen gebruiken ter verkrijging van een hypothecaire geldlening van (in totaal) 154.000 euro en/of 166.000 euro en/of tot (de) afgifte van (een) geldbedrag(en), in elk geval van enig goed, en/of het verlenen van een dienst;

en/of

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 30 juni 2014 te Leiden en/of te Wassenaar en/of te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van en/of heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad van één of meerdere valse en/of vervalste:

a.werkgeversverklaring(en) van [naam werkgever] d.d. 30 mei 2013 en /of d.d. 5 december 2012 en/of een exemplaar zonder datum op naam van [verdachte] en/of

b. loonstro(o)k(en) van [naam werkgever] op naam van [verdachte] d.d. 6 mei 2013 en/of d.d. 30 augustus 2013 en/of d.d. 16 september 2013 en/of d.d. 17 oktober 2013,

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware dat/die geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken en/of dat afleveren en/of dat voorhanden hebben (telkens) hierin dat één of meer van voornoemde geschriften (indirect en/of direct) is/zijn overgelegd en/of ingediend en/of toegezonden bij/aan (een) medewerker(s) van de Coöperatieve Rabobank Leiden, Leiderdorp en Oegstgeest en/of de ABN AMRO bank N.V. ter verkrijging van een hypothecaire geldlening van (in totaal) 154.000 euro en/of 166.000 euro en/of tot (de) afgifte van (een) geldbedrag(en), in elk geval van enig goed, en/of het verlenen van een dienst,

en bestaande die valsheid en/of vervalsing hierin dat:

a.in/op voornoemde werkgeversverklaring(en) vermeld is dat verdachte een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd heeft en/of is aangesteld in vaste dienst sinds 27 februari 2012 bij [naam werkgever] tegen een bruto jaarsalaris van ruim 38.000 euro en/of

b.in/op voornoemde loonstro(o)k(en) is opgenomen/ingevuld dat [verdachte] op één of meer tijdstip(pen) in verschillende periodes via het bedrijf [naam werkgever] heeft gewerkt en/of loon heeft ontvangen en/of werkzaamheden heeft verricht,

zulks terwijl in werkelijkheid hij, verdachte geen werkzaamheden, althans veel minder werkzaamheden heeft verricht voor/via het bedrijf [naam werkgever] ,

zulks terwijl hij verdachte en/of zijn mededaders (telkens) wist(en) althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat voornoemde geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware deze(n) echt en onvervalst;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 te Leiden en/of te Wassenaar, althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (telkens) een, althans meerdere, medewerker(s) van de Rabobank (Leiden, Leiderdorp en Oegstgeest) en/of de ABN AMRO bank N.V. heeft bewogen tot het aangaan van een hypothecaire geldlening van (in totaal) 154.000 euro en/of 166.000 euro en/of tot (de) afgifte van (een) geldbedrag(en), in elk geval van enig goed, en/of het verlenen van een dienst,

immers heeft verdachte telkens (onder meer) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- een aanvraag en/of een offerte tot het verstrekken van een hypothecaire lening ter zake van het/de pand(en) [pand verdachte] 104 A te Leiden en/of de Schutterstraat 7A te Leiden en/of

- één of meerdere (valse of vervalste) werkgeversverklaring(en) van [naam werkgever] d.d. 30 mei 2013 en/of d.d. 5 december 2012 en/of een exemplaar zonder datum op naam van [verdachte] en/of

- één of meerdere (valse of vervalste) loonstro(o)k(en) van [naam werkgever] op naam van [verdachte] d.d. 6 mei 2013 en/of d.d. 30 augustus 2013 en/of d.d. 16 september 2013 en/of d.d. 17 oktober 2013,

overhandigd en/of opgestuurd en/of ingezonden, althans heeft doen overhandigen en/of opsturen en/of inzenden aan/naar de Coöperatieve Rabobank Leiden, Leiderdorp en Oegstgeest en/of de ABN AMRO bank N.V. waardoor de Coöperatieve Rabobank Leiden, Leiderdorp en Oegstgeest en/of de ABN AMRO bank N.V. (telkens) werd(en) bewogen tot het aangaan van bovenomschreven hypothecaire geldlening(en) en/of tot voornoemde afgifte.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

In een (grootschalig) onderzoek in het kader van de Opiumwet (onderzoek 162Caen) is informatie opgevraagd over inkomensgegevens en de vermogenspositie van een aantal verdachten, onder wie onderhavige verdachte. Uit nader onderzoek volgde dat verdachte volgens diverse loonstroken en werkgeversverklaringen gewerkt zou hebben bij [naam werkgever] Rotterdam B.V. en dat hij daar loon zou hebben ontvangen. Voornoemde bescheiden zijn door verdachte voorts gebruikt bij het aanvragen van twee hypotheken bij twee verschillende banken. De verdenking ziet er – zakelijk weergegeven – op dat de verdachte niet voor dat bedrijf heeft gewerkt en het ontvangen loon al dan niet in vereniging heeft witgewassen (feit 1), dat de verdachte de genoemde bescheiden valselijk heeft/laten opgemaakt/opmaken (feit 2 primair - eerste cumulatief/alternatief) en dat de verdachte die valse bescheiden - met de wetenschap van die valsheid - heeft gebruikt bij die hypotheekaanvragen (feit 2 primair - tweede cumulatief/alternatief). Indien de valsheid in geschrift en het gebruik niet bewezen kunnen worden verklaard, is daarnaast ook oplichting van de twee banken tenlastegelegd (feit 2 subsidiair). De verdachte heeft zich vrijwel volledig beroepen op zijn zwijgrecht.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 primair (zowel het eerste als het tweede cumulatief/alternatief) ten laste gelegde.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat sprake was van een fictieve arbeidsverhouding bij [naam werkgever] , nu verdachte wel degelijk (betaalde) werkzaamheden heeft verricht voor dat bedrijf. Van (gewoonte)witwassen in het kader van een schijnconstructie kan dan ook geen sprake zijn. In het verlengde daarvan zijn de betreffende loonstroken en werkgeversverklaringen dan ook geen valselijk opgemaakte of vervalste stukken waarvan verdachte gebruik heeft gemaakt teneinde daarmee twee hypotheken bij banken te verkrijgen.

Mocht hierover anders worden geoordeeld dan heeft verdachte in ieder geval geen enkele betrokkenheid gehad bij het opstellen dan wel laten opmaken van die stukken.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

3.4.1

Feit 1: Witwassen van € 37.440 in periode 27 maart 2012 tot en met 3 september 2013.

Uit bankafschriften van een ING bankrekening met nummer [rekeningnummer] op naam van verdachte volgt dat deze rekening in de periode maart 2012-september is gevoed met 18 salarisbetalingen van € 2.080 per maand, in totaal € 37.440. Dit bedrag is afkomstig van [naam werkgever] (hierna: [naam werkgever] ).2

Getuige [getuige 1] , eigenaar van [naam werkgever] , heeft bij de politie verklaard dat verdachte bij hem in dienst is geweest en via zijn bedrijf heeft gewerkt bij de bedrijven: [naam werkgever] BV , [naam werkgever] . Verdachte had een nul urencontract en verdiende 1200 netto denkt hij. In een latere verklaring heeft [getuige 1] over een jaarcontract van 1600 per maand gesproken, hij bleef er dan bij dat verdachte bij de drie eerder genoemde bedrijven had gewerkt. Ook heeft hij verklaard dat hij voor verdachte de werkgeversverklaring zal hebben aangevraagd bij [naam werkgever] , waaraan de administratie was uitbesteed.3

Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 1] verklaard dat verdachte alleen bij [naam werkgever] heeft gewerkt, dat hij een vast contract had en geen nul urencontract.4 Het is zijn handtekening die staat op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd d.d. 27 februari 2012 waarbij verdachte bij [naam werkgever] vanaf 27 februari 2012 is aangenomen als servicemedewerker voor 40 uur per week voor € 520,- netto per week.5

Getuige [getuige 2] , eigenaar van [naam werkgever] BV uit Leiden, heeft verklaard dat verdachte in de periode van 11 maart t/m 6 september 2013 in totaal 674 uur heeft gewerkt bij [oude werkgever verdachte] , waarvoor aan [oude werkgever verdachte] is gefactureerd.

De getuigen [getuige 3] (eigenaar van [oude werkgever verdachte] ), [oude werkgever verdachte] (uitvoerder bij [oude werkgever verdachte] ) en [getuige 4] (administrateur bij [oude werkgever verdachte] ) hebben bij de politie allen verklaard dat verdachte niet voor [oude werkgever verdachte] heeft gewerkt en dat zij hem nog nooit hebben gezien. [getuige 4] heeft ook geen kopie legitimatie van verdachte kunnen vinden. [oude werkgever verdachte] heeft verklaard wel urenstaten te hebben gezien waarop de naam verdachte voorkomt, maar de verdachte zelf nog nooit te hebben gezien. Hij verklaart nader dat hij verdachte met een contract van 674 uur wel gezien zou moeten hebben.6

Volgens [oude werkgever verdachte] zou uit de manurenstaten in de administratie blijken dat verdachte op een klus in Wassenaar voor bouwbedrijf [oude werkgever verdachte 2] uit Voorschoten heeft gewerkt.

Uit de weekuren verantwoordingsstaten van [oude werkgever verdachte 2] blijkt dat de naam van verdachte vermeld staat over de periode 1 april tot en met 16 juni 2013. De naam van verdachte wordt uitsluitend gekoppeld aan een bouwproject onder de naam Nieuwbouw Appartementen plan [naam] . De naam van verdachte komt 11 weken voor op deze lijsten over voormelde periode. Het totaal aantal uren betreft 351.

Getuige [getuige 5] , hoofduitvoerder bij [oude werkgever verdachte 2] , heeft bij de politie verklaard dat hij verantwoordelijk is voor de identiteitscontroles op de bouwplaats. Het identiteitsbewijs van verdachte zat niet in zijn ordner. Na lang aandringen bij [naam werkgever] kreeg hij het identiteitsbewijs van verdachte per mail, maar hij herkende deze persoon niet, deze had niet bij hem gewerkt en hij heeft de man nooit gezien. De urenstaten waarop staat dat [verdachte] op een project in Wassenaar heeft gewerkt zijn onjuist.7

[getuige 5] is ook bij de rechter-commissaris gehoord. Hij heeft daar verklaard dat verdachte nooit bij hem op de bouwput is geweest. Hij controleert de mensen die namens [oude werkgever verdachte 2] in onderaanneming komen, iedereen die op de bouw is. Hij weet zeker dat verdachte er nooit is geweest en had van hem ook geen legitimatiebewijs. Toen hij dat wel had gekregen van [oude werkgever verdachte] heeft hij dit aan diverse mensen die op het betreffende project in Wassenaar gewerkt hebben laten zien. Dit betreft de personen [naam werkgever] [betrokkene] , [betrokkene] , [betrokkene] (die bij [naam werkgever] werkt en hem herkend zou moeten hebben) en [betrokkene] . Niemand kende deze man, alsdus [getuige 5] .8 [betrokkene] , [betrokkene] en [betrokkene] zijn ook door de politie gehoord. Zij hebben allen verklaard verdachte niet gezien te hebben op het project in Wassenaar in de periode april- juni 2013.9

De door [getuige 1] ( [naam werkgever] ) overgelegde urenstaten zijn door de politie vergeleken met de uit het onderzoek bekende verblijfsgegevens van verdachte op basis van zijn telefoonlocatie en observaties. Hieruit volgt dat de telefoon van verdachte op een aantal data (3, 5, 6, 7, 10, 17, 18 en 20 juni 2013) tijdens werkuren aanstraalde in andere plaatsen dan waar hij volgens de manurenstaten aan het werk zou zijn én in de week van 15-21 juli 2013 - waarin hij volgens de urenstaten 40 uur gewerkt zou hebben - de hele week in Spanje op vakantie was.10

Verdachte zelf heeft door gebruik te maken van zijn zwijgrecht in zijn verhoren bij de politie geen enkel inzicht gegeven over zijn feitelijke werkzaamheden. Uit een door de officier van justitie bij requisitoir overgelegde kopie van een ambtsedig proces-verbaal van de meervoudige raadkamer in strafzaken van deze rechtbank d.d. 20 januari 2015, in het kader van een klaagschrift van verdachte ex artikel 552a Sv, blijkt dat verachte aldaar o.a. heeft verklaard - na te zijn gewezen op de cautie -: “Vanaf mijn veertiende jaar ben ik gaan werken in het bedrijf van mijn ouders. In oktober 2012 is het bedrijf failliet gegaan en sindsdien heb ik geen inkomsten uit arbeid meer”.11

Conclusie van de rechtbank

Op grond van voormelde bewijsmiddelen oordeelt de rechtbank dat genoegzaam is komen vast te staan dat verdachte feitelijk geen werkzaamheden heeft verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst met [naam werkgever] . De (wisselende) verklaringen van [getuige 1] en de verklaring van [getuige 2] , die zich uitsluitend beroept op de manurenstaten, kunnen aan dit oordeel niet afdoen. De rechtbank gaat er in onderling verband en samenhang bezien van uit dat verdachte over de gehele tenlastegelegde periode fictieve inkomsten van [naam werkgever] heeft genoten. Nu die betalingen verdachte zijn verstrekt uit hoofde van een valselijk opgemaakte arbeidsovereenkomst zijn deze van enig misdrijf afkomstig. Verdachte heeft dat, gelet op zijn rol bij deze arbeidsovereenkomst ook geweten. Door deze bedragen te ontvangen op zijn rekening en deze vervolgens uit te geven, heeft hij zich schuldig gemaakt aan het witwassen van deze geldbedragen. Gelet op de duur en frequentie waarmee deze betalingen hebben plaatsgevonden is sprake van gewoontewitwassen. Gelet op de rol van Van [getuige 1] , zoals die blijkt uit de hierboven weergegeven bewijsmiddelen, concludeert de rechtbank dat er sprake is van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking gericht op het plegen van het tenlastegelegde strafbare feit tussen hem en verdachte, dat gesproken kan worden van medeplegen. Dit deel van de tenlastelegging acht de rechtbank derhalve wettig en overtuigend bewezen.

3.4.2

Feit 2 Valsheid in geschrift/oplichting.

Verdachte heeft twee panden in Leiden op zijn naam:

[pand verdachte] :

Dit pand is per 2 september 2013 gekocht voor een bedrag van € 147.000, volledig gefinancierd door middel van een hypothecaire lening bij de Rabobank. Uit het opgevraagde hypotheekdossier blijkt dat ter verkrijging van deze lening door verdachte (onder meer) aan de Rabobank zijn overgelegd:

a. Een werkgeversverklaring van [naam werkgever] op naam van [verdachte] , d.d. 30 mei 2013. Hierop is vermeld dat verdachte een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft sinds 27 februari 2012 bij [naam werkgever] tegen een bruto jaarsalaris van € 38.581.12

Een loonstrook van [naam werkgever] d.d. 6 mei 2013, waarop is vermeld dat verdachte over de periode 04 2013 160 uur heeft gewerkt voor [naam werkgever] en daarvoor een netto salaris heeft ontvangen van € 2.080.13

Op 17 juni 2015 heeft de fraudecoördinator van de Rabobank aangifte gedaan van valsheid in geschrifte/oplichting/witwassen. De bank heeft na lezing van het bij de politie opgevraagde zaaksdossier geconcludeerd dat de bank is opgelicht door overlegging van een valse werkgeversverklaring en loonstrook.14

[pand 2 verdachte]

Dit pand heeft verdachte per 31 december 2013 gekocht voor een bedrag van € 175.000, volledig gefinancierd door middel van een hypothecaire lening bij de ABN-Amrobank. Uit het opgevraagde hypotheekdossier blijkt dat ter verkrijging van deze lening door verdachte (onder meer) aan de ABN-Amrobank zijn overgelegd:

a. Twee werkgeversverklaringen op naam van [verdachte] . Eén werkgeversverklaring is gedateerd op 5 december 2012. Hierop is vermeld dat verdachte in deinst is bij [naam werkgever] , sinds 27 februari 2012 en een brutosalaris heeft van € 38.571,-. Daarnaast bevindt zich een ongedateerde werkgeversverklaring waarop is vermeld dat verdachte in dienst is bij [naam werkgever] , tegen hetzelfde brutosalaris. Beide documenten zijn ondertekend door [getuige 6] van [naam werkgever] Administraties.15

Drie loonstroken, d.d. 30 augustus 2013, 16 september 2013 en 17 oktober 2013, waarop is vermeld dat verdacht over de voorafgaande periode werkzaamheden heeft verricht voor [naam werkgever] en daarvoor over de maanden augustus en september € 1.040 netto salaris heeft genoten en over de maand oktober 2013 € 2.080.16 Op 17 juli 2015 heeft de fraudespecialist van de ABM-Amrobank namens de ABN AMRO Bank N.V. aangifte gedaan. De bank heeft informatie van de officier van justitie gekregen dat een valse werkgeversverklaring zou zijn overgelegd. Deze verdenking wordt bevestigd door de inkomens gegevens over het jaar 2013 die niet in overeenstemming zijn met de inkomensgegevens op de werknemersverklaring. De bank doet daarom aangifte van oplichting en valsheid in geschrifte.17

Getuige [getuige 6] , van administratiekantoor [naam werkgever] , heeft verklaard dat hij de loonadministratie deed voor [naam werkgever] en daarbij contact had met [getuige 1] . De facturen maakte [getuige 1] zelf. De werkgeversverklaringen en loonstroken zijn door hem en zijn collega opgemaakt, hij weet niet meer wie hem verzocht heeft dat te doen. Wel heeft hij verklaard geen verzoeken van werknemers in behandeling te nemen omdat de werkgever degene is die zijn uren betaalt.18 De getuige [getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat hij de werkgeversverklaringen wel voor verdachte zal hebben aangevraagd bij [naam werkgever] .19

De verdachte heeft ten aanzien van de panden bij de politie verklaard dat alles officieel is gegaan met goede papieren en heeft zich overigens in zijn verhoren bij de politie beroepen op zijn zwijgrecht.

Conclusie van de rechtbank

Mede in relatie tot het onder 1 bewezenverklaarde en daarbij gehanteerde bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte ook het onder 2 primair tenlastegelegde (zowel het eerste als het tweede cumulatief/alternatief) feit heeft begaan. Nu de arbeidsverhouding een fictieve was, zijn de documenten waarop staat dat verdachte werkelijk in dienst was dan wel gewerkt heeft immers ook vals. Verdachte heeft die stukken gebruikt om twee hypothecaire geldleningen te verkrijgen. Uit de verklaring van Van der Winden volgt voorts dat verdachte de werkgeversverklaring door zijn kantoor heeft laten opmaken door tussenkomst van Van [getuige 1] . Nu ook Van [getuige 1] heeft geweten dat dit geen op waarheid gebaseerde stukken waren, acht de rechtbank ten aanzien van het eerste cumulatief/alternatief (het valselijk doen opmaken) ook het medeplegen wettig en overtuigend bewezen.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

1.

hij in de periode van 27 maart 2012 tot en met 3 september 2013 te Leiden en Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van gewoonte witwassen, immers heeft hij van voorwerpen, bestaande uit geldbedragen met een totaal van 37.440 euro (bestaande uit maandelijks 2080 euro giraal ontvangen op zijn bankrekening van onderneming [naam werkgever] met omschrijving loon en periode), de werkelijke aard en de herkomst verhuld, terwijl hij wist dat die voorwerpen - middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

2.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2012 tot en met 30 juni 2014 te Leiden en te Rotterdam telkens tezamen en in vereniging met een ander,

a. meerdere werkgeversverklaringen van [naam werkgever] : d.d. 30 mei 2013 en d.d. 5 december 2012 en een exemplaar zonder datum op naam van [verdachte] en

b. meerdere loonstroken van [naam werkgever] op naam van [verdachte] : d.d. 6 mei 2013 en d.d. 30 augustus 2013 en d.d. 16 september 2013 en d.d. 17 oktober 2013,

elk zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens valselijk heeft laten opmaken, immers hebben hij, verdachte en zijn mededader, toen en daar telkens valselijk - immers opzettelijk in strijd met de waarheid:

a. in/op voornoemde werkgeversverklaringen laten vermelden dat verdachte een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd heeft en is aangesteld in vaste dienst sinds 27 februari 2012 bij [naam werkgever] tegen een bruto jaarsalaris van ruim 38.000 euro en

b. in/op voornoemde loonstroken laten opnemen/invullen dat [verdachte] op één of meer tijdstippen in verschillende periodes via het bedrijf [naam werkgever] heeft gewerkt en loon heeft ontvangen en werkzaamheden heeft verricht,

zulks terwijl in werkelijkheid hij, verdachte geen werkzaamheden heeft verricht voor het bedrijf [naam werkgever] ,

zulks telkens met het oogmerk om die geschrift(en als echt en onvervalst te gebruiken;

en

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2012 tot en met 30 juni 2014 te Leiden, althans in Nederland, telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van meerdere valse:

a. werkgeversverklaringen van [naam werkgever] : d.d. 30 mei 2013 en d.d. 5 december 2012 en een exemplaar zonder datum op naam van [verdachte] en

b. loonstroken van [naam werkgever] op naam van [verdachte] : d.d. 6 mei 2013 en d.d. 30 augustus 2013 en d.d. 16 september 2013 en d.d. 17 oktober 2013,

elk zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware dat geschrift telkens echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken telkens hierin dat voornoemde geschriften zijn overgelegd en/of ingediend en/of toegezonden bij/aan de Coöperatieve Rabobank Leiden, Leiderdorp en Oegstgeest en de ABN AMRO bank N.V. ter verkrijging van hypothecaire geldleningen van 154.000 euro en 166.000 euro en tot de afgifte van geldbedragen,

en bestaande die valsheid hierin dat:

a. in voornoemde werkgeversverklaringen vermeld is dat verdachte een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd heeft en is aangesteld in vaste dienst sinds 27 februari 2012 bij [naam werkgever] tegen een bruto jaarsalaris van ruim 38.000 euro en/of

b. op voornoemde loonstroken is opgenomen dat [verdachte] op één of meer tijdstippen in verschillende periodes via het bedrijf [naam werkgever] heeft gewerkt en loon heeft ontvangen en werkzaamheden heeft verricht,

zulks terwijl in werkelijkheid hij, verdachte geen werkzaamheden heeft verricht voor het bedrijf [naam werkgever] ,

zulks terwijl hij verdachte telkens wist dat voornoemde geschriften bestemd waren voor gebruik als ware dezen echt en onvervalst.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van gewoontewitwassen;

ten aanzien van feit 2 primair, eerste cumulatief/alternatief:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2 primair, tweede cumulatief/alternatief:

opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot :

- een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en

- verbeurdverklaring van een geldbedrag van € 37.440,- en

- verbeurdverklaring van de woning gelegen aan de [adres] en

- verbeurdverklaring van de woning gelegen aan de [pand 2 verdachte] .

6.2

Het standpunt van de verdediging

Nu de verdediging vrijspraak van het tenlastegelegde heeft bepleit is niet nader ingegaan op een mogelijke strafoplegging

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich via een fictieve dienstbetrekking schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen van een totaalbedrag van € 37.440. Witwassen vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Bovendien worden de opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie onttrokken, waardoor witwassen kan worden gezien als een misdrijf dat weer andere misdrijven faciliteert, zoals ook in onderhavige zaak is gebleken.

Verdachte heeft zich immers in relatie tot voormelde fictieve dienstbetrekking schuldig gemaakt aan het medeplegen van het valselijk (laten) opmaken van werkgeversverklaringen en loonstroken, door daarop valselijk en strijd met de waarheid te (laten) vermelden dat hij een betaalde arbeidsrelatie had met [naam werkgever] . Met behulp van die verklaringen en loonstroken heeft hij twee banken bewogen tot het verstrekken van hypothecaire geldleningen. Hiermee heeft verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat hypotheekverstrekkers in de juistheid van dergelijke documenten mogen stellen.

Ten aanzien van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 7 september 2016. Hieruit volgt dat de verdachte in het verleden meermalen voor geweldsmisdrijven is veroordeeld. Voor het overige heeft de rechtbank, door de proceshouding van verdachte, weinig tot geen inzicht verkregen in zijn persoonlijke omstandigheden.

De rechtbank heeft met betrekking tot de bewezenverklaarde feiten rekening gehouden met de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) ter zake van fraude

Ten aanzien van de op te leggen straf is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf van na te melden duur.

De vordering tot verbeurdverklaring van € 37.440,-

De officier van justitie heeft de verbeurdverklaring gevorderd van loon dat de verdachte heeft gekregen van [naam werkgever] in het kader van feit 1. Dit betreft geld dat door het Openbaar Ministerie niet op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in beslag is genomen.

Uit de wet noch uit de jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2015:3689 onder 3.4.2) volgt dat verbeurdverklaring slechts mogelijk is ten aanzien van een voorwerp dat reeds in beslag is genomen (op grond van artikel 94 Sv). Integendeel, gelet op artikel 34 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) dat juist ziet op verbeurdverklaring van een niet inbeslaggenomen voorwerp. Voorts is geld (contant of giraal) volgens vaste jurisprudentie een voorwerp in de zin van artikel 33a Sr dat voor verbeurdverklaring vatbaar is.

Desalniettemin is de rechtbank van oordeel dat verbeurdverklaring in onderhavige zaak niet mogelijk is. Uit de wet en uit de (voormelde) jurisprudentie volgt namelijk dat verbeurdverklaring slechts mogelijk is ten aanzien van een voorwerp waarop hetzij beslag ex artikel 94 Sv rust, hetzij dat door de verdachte kan worden uitgeleverd als er geen beslag op rust (tweede lid van artikel 34 Sr). Kort gezegd, het voorwerp moet “fysiek” (elektronisch inbegrepen) nog aanwezig zijn. Voor die gevallen waarin dat niet mogelijk is – bijvoorbeeld omdat een voorwerp is vervreemd of omdat geld is uitgegeven – heeft de wetgever de ontnemingsprocedure in het leven geroepen.

In het onderhavige geval volgt uit het dossier noch uit de verklaring van de verdachte dat hij het betreffende geld thans nog contant of giraal voorhanden heeft, zodat geen uitlevering ex artikel 34 Sv kan worden gevorderd. De rechtbank concludeert dan ook dat dit geldbedrag niet voor verbeurdverklaring vatbaar is.

De vorderingen tot verbeurdverklaring van de twee woningen

De officier van justitie heeft de verbeurdverklaring gevorderd van twee woningen. Dit betreffen woningen die door het Openbaar Ministerie niet op grond van artikel 94 Sv in beslag zijn genomen.

De rechtbank heeft reeds ten aanzien van het loon overwogen dat voorwerpen waar geen beslag ex artikel 94 Sv op rust, verbeurdverklaard kunnen worden als zij voor verbeurdverklaring in aanmerking komen.

De rechtbank zal de twee woningen verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en deze voorwerpen geheel (middels de verkregen hypotheekgelden) door middel van het onder 2 primair, tweede cumulatief/alternatief, bewezenverklaarde strafbare feit zijn verkregen.

Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Nu er geen beslag ex artikel 94 Sv rust op de woningen schat de rechtbank - op grond van het eerste lid van artikel 34a Sv - de woningen op de volgende waardes:

- € 147.500,- voor de [adres] en

- € 175.000,- voor de [pand 2 verdachte] .

De rechtbank heeft zich bij de schatting van de waardes gebaseerd op de taxatiewaarden van de twee woningen die zich in het dossier bevinden.20

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen (bijkomende) straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 33, 33a, 34, 47, 57, 225 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 primair (eerste en tweede cumulatief/alternatief) tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van gewoontewitwassen;

ten aanzien van feit 2 primair, eerste cumulatief/alternatief:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2 primair, tweede cumulatief/alternatief:

opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

verklaart verbeurd de woning gelegen aan de [adres] en schat – op grond van artikel 34, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht – de waarde van die woning op € 147.500,- (honderdzevenenveertigduizend euro);

verklaart verbeurd de woning gelegen aan de [pand 2 verdachte] en schat – op grond van artikel 34, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht – de waarde van die woning op € 175.000,- (honderdvijfenzeventigduizend euro).

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.L.M. Staals, voorzitter,

mr. A.J. Milius, rechter,

mr. M. van Seventer, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.J. van Zelst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 oktober 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal 162 Caen Deel 2, Zaaksdossier oplichting banken, van de politie eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche, (doorgenummerd blz. 1 t/m 911).

2 Deel 2 AMB 134, Proces-verbaal van bevindingen, p. 326-328.

3 Deel 2 AMB, Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] ,p. 663.

4 Proces-verbaal van verhoor de rechter-commissaris d.d. 22 oktober 2015 nr. 23.

5 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris nr. 10.

6 Deel 2, Ambtshandeling 144, p. 355-395.

7 Deel 2, G. 053, Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 5] , p. 810-812.

8 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 5] bij de rechter-commissaris, nrs. 30 t/m36.

9 Deel 2 ,G 054, processen-verbaal verhoor getuigen [betrokkene] , [betrokkene] p. 830 t/m 834.

10 Deel 2, Ambtshandeling 141, Proces-verbaal van bevindingen met bijlagen, p. 329-349.

11 Proces-verbaal Rechtbank Den Haag, raadkamerzitting in zaak met nr. RK 14/5081, d.d. 20 januari 2015, houdende de verklaring van verdachte tijdens deze zitting.

12 Deel 2, AMB 106, een geschrift, p. 88.

13 Deel 2, AMB 106, een geschrift, p. 90.

14 Deel 2, Proces-verbaal van aangifte, p. 907-908.

15 Deel 2, AMB 132 een geschrift, p. 324-325.

16 Deel 2, AMB 132 een drietal geschriften, p. 214-216.

17 Deel 2, Een geschrift, p. 910-911.

18 Deel 2, Proces-verbaal verhoor van getuige [getuige 6] , met bijlagen, p. 651-659 en proces-verbaal verhoor getuige [getuige 6] bij de rechter-commissaris, nrs.19 en 26.

19 Deel 2 AMB proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] p. 666.

20 Deel 2, Geschriften te weten taxatierapporten betreffende [pand verdachte] en [pand 2 verdachte] , p. 74 en p. 317.