Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:12341

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
01-11-2016
Zaaknummer
09/767082-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

162CAEN

Drugssmokkel. Twee transporten van honderden kilo’s hennep naar het Verenigd Koninkrijk. Chauffeur van de transporten (r.o. 6.3).

Verbeurdverklaring: r.o. 6.3: verbeurdverklaring mogelijk ook indien geen beslag op grond van art. 94 Sv. In casu geen verbeurdverklaring van niet in beslaggenomen geld, omdat uit het onderzoek niet volgt dat het uitgeleverd kan worden (art. 34 Sr, tweede lid).

Strafmaat: Gevangenisstraf van 15 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2016/225

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/767082-13

Datum uitspraak: 12 oktober 2016

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officieren van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van:

  • -

    20 februari 2014 (pro forma),

  • -

    23 september 2015 (pro forma),

  • -

    19 september 2016 (inhoudelijk) en

  • -

    28 september 2016 (inhoudelijk en sluiting onderzoek ter terechtzitting).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie

mrs. P.P.E. van de Rivière en C. Sam-Sin, en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. A.B. Baumgarten, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

De officieren van justitie hebben ter terechtzitting van 19 september 2016 medegedeeld dat zij voornemens zijn een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 4 oktober 2013 tot en met 5 oktober 2013 te Vlaardingen

en/of te Delfgauw en/of te Voorburg, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (te weten naar het Verenigd Koninkrijk) heeft gebracht ongeveer 540 kilogram, althans een partij van enkele honderden kilo's, in elk geval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 4 oktober 2013 tot en met 5 oktober 2013 te Vlaardingen

en/of te Delfgauw en/of te Voorburg, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 540 kilogram, althans een partij van enkele honderden kilo's, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 23 september 2013 tot en met 24 september 2013 te Vlaardingen en/of te Delfgauw en/of te Voorburg, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (te weten naar het Verenigd Koninkrijk) heeft gebracht ongeveer 160 kilogram tot 230 kilogram, althans een partij van enkele honderden kilo's, in elk geval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 23 september 2013 tot en met 24 september 2013 te Vlaardingen en/of te Delfgauw en/of te Voorburg, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 160 kilogram tot 230 kilogram, althans een partij van enkele honderden kilo's, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Op 4 oktober 2013 is in een vrachtwagen als gebruikt in de transport van bloemen 472 kilogram hennep getransporteerd van Vlaardingen (Nederland) naar Felixstowe (Verenigd Koninkrijk). Deze lading hennep werd door de Engelse douane onderschept. De politie had voor de onderschepping al een onderzoek lopen naar de betrokkenen bij dat transport en mogelijk eerdere transporten, waarbij gebruik werd gemaakt van observaties en taps (onderzoek 162Caen). Uit dat onderzoek kwam naar voren dat er ook op 24 september 2013 op gelijke wijze een lading hennep naar Engeland was getransporteerd. Vier van de meer dan tien verdachten in het onderzoek, te weten de twee chauffeurs van de beide transporten en twee organisatoren, hebben bekennende verklaringen afgelegd ter zake van beide transporten. De verdachte was één van die chauffeurs.

3.2

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Nu de verdachte hetgeen de rechtbank bewezen zal verklaren, heeft bekend en nadien niet anders heeft verklaard en hij noch zijn raadsman vrijspraak hebben bepleit, zal de rechtbank volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank bezigt de volgende bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 878 t/m 886 (Deel 1, ZD 472 kg hennep);

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 135 t/m 158 (Deel 1, ZD 472 kg hennep, AMB-041);

- het proces-verbaal van observeren vrijdag 4 oktober 2013, p. 255 t/m 262 (Deel 1, ZD 472 kg hennep);

- een getuigenverklaring van [getuige 1] , p. 547 t/m 549 (Deel 1, ZD 472 kg hennep, AMB-167);

- een getuigenverklaring van [getuige 2] , p. 539 t/m 543 (Deel 1, ZD 472 kg hennep, AMB-167);

- een getuigenverklaring van [getuige 3] , p. 569 t/m 572 (Deel 1, ZD 472 kg hennep, AMB-167);

- een getuigenverklaring van [getuige 4] , p. 521 t/m 526 (Deel 1, ZD 472 kg hennep, AMB-167);

- het proces-verbaal van observeren dinsdag 24 september 2013, p. 403 t/m 410 (Deel 1, ZD 472 kg hennep).

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

1 primair

hij in de periode van 4 oktober 2013 tot en met 5 oktober 2013 te Vlaardingen en te Delfgauw en te Voorburg tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (te weten naar het Verenigd Koninkrijk) heeft gebracht 472 kilogram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

2 primair

hij in de periode van 23 september 2013 tot en met 24 september 2013 te Vlaardingen en te Delfgauw en te Voorburg tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (te weten naar het Verenigd Koninkrijk) heeft gebracht een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van de feiten 1 primair en 2 primair, telkens:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot :

- een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en

- verbeurdverklaring van een geldbedrag van € 7.200,-.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er maximaal een gevangenisstraf dient te worden opgelegd gelijk aan de duur van het voorarrest, al dan niet in combinatie met een onvoorwaardelijke taakstraf. Daartoe heeft hij aangevoerd dat zijn cliënt een bekennende verdachte betreft die zijn verantwoordelijkheid heeft genomen, die heeft meegewerkt aan het onderzoek en wiens rol beperkt is gebleven tot enkel het uitvoeren van chauffeurswerkzaamheden. De verdachte is een first offender die zich gehouden heeft aan de schorsende voorwaarden van de voorlopige hechtenis en sinds de voorlopige hechtenis niet meer met justitie in aanraking is gekomen. Voorts is aangevoerd dat de verdachte met het lange verloop van het onderzoek lang in onzekerheid heeft gezeten over de afloop van de strafzaak, dat hij in de loop der jaren drie hartinfarcten heeft gehad en dat hij kostwinnaar is voor zijn gezin.

Ten aanzien van de gevorderde verbeurdverklaring heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verbeurdverklaring mogelijk niet kan. Daartoe is aangevoerd dat - zelfs als geld al een voorwerp is in de zin van artikel 33 van het Wetboek van Strafrecht - dat beslag (de rechtbank begrijpt ex artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering) mogelijk een vereiste is voordat een goed verbeurd kan worden verklaard.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van export van twee grote hoeveelheden hennep naar het Verenigd Koninkrijk. Hij heeft daarbij de rol gespeeld van chauffeur. Hoewel deze rol inderdaad een uitvoerende is geweest, is deze wel cruciaal voor het voltooien van het delict geweest. Voorts valt uit het dossier af te leiden dat verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] ook in de voorbereiding van de transporten een rol hebben gespeeld door proefoversteken te maken en die vervolgens te evalueren met de organisatoren [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . De uit hennepplanten verkregen stof is bij regelmatig gebruik schadelijk voor de (vaak jeugdige) gebruikers. Bovendien is handel in hennep maatschappelijk onaanvaardbaar omdat deze direct en indirect de oorzaak is van vele vormen van vermogens- en geweldscriminaliteit. De verdachte heeft daaraan door zijn handelen bijgedragen en zich kennelijk om deze gevolgen niet bekommerd, doch slechts uit geldelijk gewin deelgenomen aan deze criminele activiteiten.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële documentatie van 29 augustus 2016 ten name van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank heeft tevens acht geslagen op het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van de Reclassering Nederland van 25 maart 2014, opgemaakt door

S. Steijger, reclasseringsmedewerker. De reclassering ziet aanleiding voor de inzet van (gedrags)interventies, omdat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan uit geldnood en de financiële situatie niet beter is geworden. Het recidiverisico wordt als laag ingeschat. Geadviseerd wordt een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen met een proeftijd van één jaar, met als bijzondere voorwaarde een meldplicht om een traject in te zetten om de schuldenproblematiek van de verdachte aan te pakken.

De rechtbank stelt vast dat verdachte ter terechtzitting vragen omtrent zijn huidige financiële situatie niet heeft willen beantwoorden. Bij deze stand van zaken ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om de geadviseerde bijzondere voorwaarde opleggen.

De rechtbank is zich bewust van de grote gevolgen die een vrijheidsstraf voor verdachte met zich meebrengt. Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten twee exporten van grote hoeveelheden hennep is zij echter van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of kortere straf dan een gevangenisstraf van na te melden duur. De rechtbank heeft hierbij mede gelet op straffen die in een aantal soortgelijke zaken door andere rechtbanken zijn opgelegd en de oriëntatiepunten voor de straftoemeting van het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht).

Bij gebrek aan gronden zal de rechtbank de voorlopige hechtenis van verdachte opheffen.

De vordering tot verbeurdverklaring

De officier van justitie heeft de verbeurdverklaring gevorderd van loon dat de verdachte heeft gekregen voor de gepleegde feiten (€ 2.200,- als basisloon en € 5.000,- voor het gelukte transport). Dit betreft geld dat door het Openbaar Ministerie niet in beslag is genomen.

Uit de wet noch uit de jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2015:3689 onder 3.4.2) volgt dat verbeurdverklaring slechts mogelijk is ten aanzien van een voorwerp dat reeds in beslag is genomen (op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Integendeel, gelet op artikel 34 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) dat juist ziet op verbeurdverklaring van een niet inbeslaggenomen voorwerp. Voorts is geld (contant of giraal) volgens vaste jurisprudentie een voorwerp in de zin van artikel 33a Sr dat voor verbeurdverklaring vatbaar is.

Desalniettemin is de rechtbank van oordeel dat verbeurdverklaring in onderhavige zaak niet mogelijk is. Uit de wet en uit de (voormelde) jurisprudentie volgt namelijk dat verbeurdverklaring slechts mogelijk is ten aanzien van een voorwerp waarop hetzij beslag ex artikel 94 Sv rust, hetzij dat door de verdachte kan worden uitgeleverd als er geen beslag op rust (tweede lid van artikel 34 Sr). Kort gezegd, het voorwerp moet “fysiek” (elektronisch inbegrepen) nog aanwezig zijn. Voor die gevallen waarin dat niet mogelijk is – bijvoorbeeld omdat een voorwerp is vervreemd of omdat geld is uitgegeven – heeft de wetgever de ontnemingsprocedure in het leven geroepen.

In het onderhavige geval volgt uit het dossier noch uit de verklaring van de verdachte dat hij het betreffende geld thans nog contant of giraal voorhanden heeft, zodat geen uitlevering ex artikel 34 Sv kan worden gevorderd. De rechtbank concludeert dan ook dat dit geldbedrag niet voor verbeurdverklaring vatbaar is.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

- 3 en 11 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst II.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van de feiten 1 primair en 2 primair, telkens:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden;

met aftrek van de tijd die verdachte in preventieve hechtenis heeft doorgebracht;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.J. Milius, voorzitter,

mr. M. van Seventer, rechter,

mr. S.L.M. Staals, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.J. van Zelst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 oktober 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van de processen-verbaal inzake onderzoek “162Caen”, van de politie eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche.