Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:12313

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-10-2016
Datum publicatie
17-10-2016
Zaaknummer
09/777061-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldheling van een snorfiets.

Heling is een verwerpelijk feit. De diefstal van goederen wordt bevorderd door het kennelijke gemak waarmee gestolen goederen worden geheeld. De verdachte heeft zich voorts samen met anderen schuldig gemaakt aan diefstal van een flatscreen televisie en een scootmobiel. Daarbij valt het op dat de verdachte en zijn mededaders kwetsbare personen hebben uitgezocht die zij vervolgens ernstig hebben gedupeerd.

Zij hebben geen respect getoond voor de eigendommen van anderen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/777061-16

Datum uitspraak: 7 oktober 2016

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,

[adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 23 september 2016.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R.P. Tuinenburg en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. F. Yildiz, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 08 juni 2016 te Zoetermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een goed te weten een brom-/snorfiets (merk Tomos, kleur zwart) hebben/heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den)

moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

art 417bis lid 1 ahf sub a Wetboek van Strafrecht

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 13 juni 2016 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit een woning aan de [adres 2] ) heeft weggenomen een televisie (flatscreen, merk LG), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Michael Yemane Welday, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

subsidiair:

hij op of omstreeks 13 juni 2016 te Zoetermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een goed te weten een televisie (LG, flatscreen) hebben/heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3.

hij op of omstreeks 31 mei 2016 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een scootmobiel (merk Sterling Elite RS, kleur blauw), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededaders;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan heling van een brom-/snorfiets, aan de diefstal c.q. heling van een televisie samen met een ander of anderen en aan de diefstal van een scootmobiel, eveneens in vereniging gepleegd.

De verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij samen met anderen de scootmobiel van [benadeelde 2] heeft weggenomen.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte feit 1, feit 2 primair en feit 3 heeft begaan.

De officier van justitie is daarbij ten aanzien van feit 1 de mening toegedaan dat de opzetheling bewezen kan worden verklaard. De verdachte had moeten weten dat de brom-/snorfiets door een misdrijf verkregen was, nu de brom-/snorfiets geen slot had en er geen papieren aanwezig waren. Ook de vage afspraak dat de verdachte de bromfiets in een andere wijk op slot moest zetten met het slot van zijn broer, had de verdachte aan het denken moeten zetten.

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie toegelicht dat er in zijn visie sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking in de zin van medeplegen, nu de verdachte samen met [medeverdachte 1] kort voor het feit ook al in de woning van aangever is geweest, hetgeen de officier van justitie ziet als een verkenning, de verdachte volgens zijn eigen verklaring had gezien dat daar een televisie stond, op de dag van de inbraak samen met de anderen naar de woning is gegaan, op de uitkijk heeft gestaan en is weggerend toen er mensen aan kwamen. Vervolgens heeft de verdachte geholpen om de televisie, die tijdelijk in de bosjes was gezet, op te halen en te vervoeren.

Nu de verdachte ter terechtzitting heeft bekend de scootmobiel samen met anderen te hebben weggenomen is de officier van justitie van mening dat ook feit 3, de diefstal door twee of meer verenigde personen, wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van feit 1 bepleit. Hij heeft daartoe betoogd dat voor heling wetenschap vereist is en dat de verdachte niet wist of had moeten weten dat de brom-/snorfiets door misdrijf verkregen was. De verdachte wilde gewoon een rondje rijden op de

brom-/snorfiets van [medeverdachte 2] , die hij ook al een aantal dagen op de Tomos had zien rijden. Dit komt ook overeen met de tijdspanne tussen de diefstal en de aanhouding, aangezien de brom-/snorfiets op 5 juni 2016 voor het laatst door de aangever is gezien en de aanhouding plaatsvond op 8 juni 2016.

Ten aanzien van feit 2 primair heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit, nu er geen sprake is van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking dat er sprake is van medeplegen, temeer ook nu de verdachte geen substantiële bijdrage heeft geleverd aan de diefstal van de televisie. Hij wist ervan en stond erbij en heeft meegeholpen de televisie te vervoeren. Ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 2 subsidiair heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank evenals ten aanzien van feit 3, nu de verdachte ter terechtzitting heeft bekend dit feit te hebben gepleegd.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af. 1

Ten aanzien van feit 1

Op 5 juni 2016, omstreeks 18.00 uur, heeft de aangever, [benadeelde 3] zijn

brom-/snorfiets (merk Tomos; kleur zwart) in het fietsenrek voor zijn flat aan [adres 3] te Zoetermeer afgesloten neergezet. Op 13 juni 2016 blijkt zijn brom-/snorfiets er niet meer te staan.2

Op 8 juni 2016 wordt de verdachte aangehouden op locatie Kadoelerbos te Zoetermeer op verdenking van overtreding van artikel 416 van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte wordt aangehouden omdat hij met de snorfiets op een wandelpad reed.

Hij was niet in het bezit van een geldig rijbewijs en kon ook geen kentekenpapieren behorende bij de snorfiets overhandigen. Bij controle van de snorfiets bleek bovendien dat het VIN-nummer onleesbaar was gemaakt doordat er diepe krassen waren aangebracht.3

De verdachte heeft bij de politie4 en ook ter terechtzitting5 verklaard dat hij dacht dat de snorfiets van [medeverdachte 2] ) was. Hij mocht er van [medeverdachte 2] een rondje op rijden. Na het rondje moest hij de snorfiets in de wijk De Leyens bij het fitness- en racketcentrum De Leyens op slot zetten. De verdachte had hiervoor een los kettingslot meegenomen, dat eigenlijk van zijn broer was, maar dat hij gebruikte. De verdachte had het reservesleuteltje van het slot aan [medeverdachte 2] gegeven.

Hoewel de rechtbank vraagtekens zet bij de verklaring van de verdachte, die overigens geheel wordt weersproken door [medeverdachte 2]6 en ook overigens geen steun vindt in het dossier, is het in ieder geval zo dat de verdachte omdat er geen slot op de snorfiets zat, hij van [medeverdachte 2] geen kentekenpapieren heeft gekregen en hij de snorfiets

– volgens zijn eigen verklaring – afgesloten op een plek in een andere wijk moest wegzetten, redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de snorfiets door een misdrijf is verkregen. De rechtbank acht schuldheling dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2

Op 13 juni 2016 tussen 15.30 uur en 17.00 uur is uit de woning van [benadeelde 4] aan de [adres 4] te Zoetermeer een flatscreen televisie, merk LG, weggenomen.7

De aangever heeft verklaard dat hij ongeveer drie dagen voor de diefstal van zijn televisie met een Marokkaans-Spaanse jongen die zich [verdachte] noemde en een meisje met lang blond haar in zijn woning een sigaretje heeft gerookt, thee heeft gedronken en iets heeft gegeten.8

[getuige] zag op 13 juni 2016 tussen 19.00 en 19.30 uur in het brandgangetje achter haar achtertuin twee jongens op de fiets langs komen. Het brandgangetje loopt dood. Na 2 à 3 minuten zag zij beide jongens met de fiets aan de hand terug komen lopen. Eén van de jongens had een flatscreen televisie onder zijn arm. De getuige heeft foto’s van de jongens genomen.9

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat op de foto die de getuige heeft gemaakt hij de jongen is die de televisie in zijn handen heeft. [medeverdachte 2] , is de jongen met de fiets.10

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wel vaker in de woning van aangever

kwam en dat hij wist dat er in de woning een televisie stond. Op 13 juni 2016 stond hij met [medeverdachte 1] (verder: [medeverdachte 1] ) een sigaretje te roken voor het huis van aangever. Aangever was niet thuis en [medeverdachte 2] kwam met een televisie het huis uit rennen. De verdachte is samen met [medeverdachte 1] mee gaan rennen. De verdachte heeft verklaard dat hij wist dat [medeverdachte 2] in de woning van aangever was, omdat [medeverdachte 1] hem dat onderweg naar de woning had verteld. [medeverdachte 2] was al binnen toen [medeverdachte 1] en de verdachte bij de woning aan kwamen.

Tevens heeft hij verklaard dat hij niet op de uitkijk stond, maar [medeverdachte 1] wel, en dat hij moest helpen tillen, hetgeen hij ook heeft gedaan.11

De rechtbank is gelet op de aangifte, de verklaring van de [getuige] en de eigen verklaring van de verdachte bij de politie en ter terechtzitting van oordeel dat de verdachte aanwezig was bij de voorverkenning van de woning van aangever, dat hij wist dat er een flatscreen televisie in de woning aanwezig was, dat hij op 13 juni 2016 voor de woning van aangever stond te wachten tot [medeverdachte 2] uit de woning kwam en dat hij vervolgens heeft meegeholpen om de televisie te dragen.

Aldus heeft de verdachte, naar het oordeel van de rechtbank, een voldoende significante bijdrage geleverd aan de diefstal van de televisie en was er sprake van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking dat gesproken kan worden van medeplegen.

De rechtbank acht feit 2 primair dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte ter terechtzitting het bewezenverklaarde heeft bekend en de raadsman geen vrijspraak heeft bepleit.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring door de verdachte afgelegd ter terechtzitting van

23 september 2016;

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, d.d. 2 juni 2016,

opgenomen in het dossier met het nummer PL1500-2016153817-1, inhoudende de

verklaring van [benadeelde 2] (pagina 276/279).

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

1.

hij op 8 juni 2016 te Zoetermeer, een goed te weten een brom-/snorfiets (merk Tomos, kleur zwart) heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2.

hij op 13 juni 2016 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning aan de [adres 2] heeft weggenomen een televisie (flatscreen, merk LG), toebehorende aan [benadeelde 4] ;

3.

hij op 31 mei 2016 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een scootmobiel (merk Sterling Elite RS, kleur blauw), toebehorende aan [benadeelde 2] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De straf/maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot de

leerstraf So Cool voor de duur van 40 uren, tot een werkstraf van 40 uren alsook tot jeugddetentie voor de duur van 40 dagen, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 24 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als (bijzondere) voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering inclusief huisbezoeken en de meldplicht en het volgen van onderwijs zolang de verdachte leerplichtig is dan wel het hebben en uitvoeren van een andere dagbesteding, zoals met de jeugdreclassering afgesproken.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht bij de strafoplegging rekening te houden

met de leeftijd van de verdachte ten opzichte van zijn medeverdachten. De verdachte was minderjarig en zijn medeverdachten volwassen. De verdachte was niet de initiator.

Voorts heeft de raadsman bepleit dat de rechtbank het strafadvies van de Raad voor de Kinderbescherming moet volgen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldheling van een snorfiets.

Heling is een verwerpelijk feit. De diefstal van goederen wordt bevorderd door het kennelijke gemak waarmee gestolen goederen worden geheeld.

De verdachte heeft zich voorts samen met anderen schuldig gemaakt aan diefstal van een flatscreen televisie en een scootmobiel. Daarbij valt het op dat de verdachte en zijn mededaders kwetsbare personen hebben uitgezocht die zij vervolgens ernstig hebben gedupeerd. [benadeelde 4] verblijft als vluchteling in Nederland. De verdachte en zijn medededaders hebben een van de weinige goederen van waarde in de woning van aangever, te weten zijn flatscreen televisie, weggenomen. [benadeelde 2] is gezien haar fysieke gesteldheid aangewezen op haar scootmobiel om zich te kunnen verplaatsen. Door de diefstal van de scootmobiel raakte zij erg beperkt in haar vrijheid. De rechtbank rekent de verdachte en zijn mededaders deze feiten zwaar aan.

De persoon van de verdachte

Bij de bepaling van de strafmaat weegt de rechtbank mee dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het uittreksel Justitiële Documentatie, in het verleden reeds eerder is veroordeeld voor soortgelijke en andere feiten. Van deze eerdere, (deels) voorwaardelijke

veroordelingen, is kennelijk geen preventieve werking uitgegaan, nu de verdachte zich gedurende de proeftijd van deze veroordelingen schuldig heeft gemaakt aan de thans bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 29 augustus 2016.

Blijkens dit rapport zijn er veel zorgen over de opgroei- en opvoedsituatie van de verdachte. Hij heeft al jarenlang gedragsproblemen en is gediagnosticeerd met ADHD en ODD en een benedengemiddeld IQ. Door zijn gedragsproblemen heeft de verdachte op alle leefgebieden problemen gehad. Sinds december 2015 laat de verdachte een positieve ontwikkeling zien en lijken de zorgen in relatie tot de recidivekans voornamelijk in de sociale beïnvloeding en de omgang met antisociale contacten te liggen.

De verdachte heeft gedurende langere tijd meerdere gedragsinterventies aangeboden gekregen en deze lijken thans effect te sorteren. Om een en ander te doen beklijven is het raadzaam het geleerde te blijven herhalen bij de verdachte zijn ouders. Een gedragsinterventie gericht op vaardigheden en beïnvloeding is van meerwaarde. De variant So Cool, specifiek gericht op jongeren met een lagere intelligentie, is geïndiceerd. Bij deze leerstraf zal de verdachte begeleid worden door een buddy en worden ook de ouders betrokken. De korte variant wordt geadviseerd om een en ander overzichtelijk te houden voor de verdachte in combinatie met zijn overige hulpverlening.

Geadviseerd wordt aan de verdachte een deels voorwaardelijke taakstraf op te leggen, waarvan een onvoorwaardelijk deel in de vorm van een leerstraf, te weten de gedragsinterventie So Cool (reguliere variant), deel uitmaakt, met de maatregel toezicht en begeleiding inclusief huisbezoeken en de meldplicht alsook het volgen van onderwijs, zolang hij leerplichtig is, dan wel een andere dagbesteding zoals afgesproken met de jeugdreclassering.

De op te leggen straf

De rechtbank is, met name gelet op de ernst van de feiten, allereerst van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur een passende reactie vormt. Teneinde de verdachte in de toekomst van strafbare gedragingen te weerhouden en zijn begeleiding te waarborgen, ziet de rechtbank wel aanleiding een deel van deze straf voorwaardelijk op te leggen, met daarbij als algemene voorwaarde onder andere het meewerken aan toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering inclusief huisbezoeken en als bijzondere voorwaarden het zich melden bij de jeugdreclassering en het volgen van school dan wel een andere dagbesteding, zoals afgesproken.

De verdachte heeft het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen jeugddetentie reeds in voorarrest doorgebracht.

Daarnaast ziet de rechtbank reden aan de verdachte een werkstraf alsook de leerstraf

So Cool op te leggen.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde 2] heeft zich ten aanzien van feit 3 als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 186,63, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich niet verzet tegen toewijzing van de materiële kosten ad € 68,83, maar wel tegen de immateriële schade. Hij heeft afwijzing van dit deel van de vordering bepleit.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade ad € 68,83, is namens de verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank acht de vordering, voor zover deze betrekking heeft op een bedrag van € 100,- als vergoeding ter zake van immateriële schade genoegzaam onderbouwd en tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar.

De rechtbank zal de vordering hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van € 168,83. De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente hoofdelijk toewijzen met ingang van 31 mei 2016 , nu is komen vast te staan dat op die datum de schade is ontstaan.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 3 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 186,63, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 31 mei 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde 2].

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

36f, 77a, 77g, 77h, 77i, 7m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 311 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de hem bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

1:

SCHULDHELING

2 primair en 3:

DIEFSTAL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN, MEERMALEN GEPLEEGD

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;


veroordeelt de verdachte tot:

jeugddetentie voor de duur van 40 DAGEN

bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie groot 24 DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het

nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1

Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de (jeugd)reclassering te houden toezicht,

bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de

medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd en op door de reclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij

de (jeugd)reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd, zolang hij leerplichtig is, onderwijs zal volgen dan wel een andere

dagbesteding zal volgen, zoals afgesproken met de jeugdreclassering;

geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling, de Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een taakstraf, voor de tijd van 80 UREN:

bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 40 UREN alsmede uit een leerstraf, zijnde So Cool, voor de tijd van

40 UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van respectievelijk

20 DAGENvoor de werkstraf) en 20 DAGEN (voor de leerstraf);

ten aanzien van feit 3

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe ten laste van de verdachte en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde 2], een bedrag van € 168,83, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 31 mei 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededaders aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

legt aan verdachte hoofdelijk op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 168,83, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 31 mei 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde 2];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 3 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.J.J.M. Weijnen, kinderrechter, voorzitter,

mr. drs. S.M. Borkent, kinderrechter,

en mr. M.F.M. de Groot, kinderrechter-plv.,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 oktober 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal van Politie eenheid Den Haag, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 2016-202319 (z), doorgenummerd als pagina 1 tot en met 422.

2 Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 3] , met bijlagen, pagina 364/369.

3 Proces-verbaal van aanhouding van [verdachte] , met bijlagen, pagina 337/342.

4 Proces-verbaal van verhoor minderjarige [verdachte] , pagina 385.

5 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 23 september 2016.

6 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 2] , pagina 392/397.

7 Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 4] , met bijlagen, pagina 101/105.

8 Proces-verbaal van verhoor [benadeelde 4] , pagina 110.

9 Proces-verbaal van verhoor [getuige] , met bijlagen, pagina 117/124.

10 Proces-verbaal van verhoor minderjarige [verdachte] , pagina 198.

11 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 23 september 2016.