Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:1228

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
22-04-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 6372
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Door de betreffende hulpverlener is geen zorg in de zin van de AWBZ verleend. Daarnaast is niet voldaan aan de in de Regeling subsidies AWBZ gestelde verplichtingen. Gelet hierop was verweerder bevoegd het verleende persoonsgebonden budget (pgb) terug te vorderen. De verantwoording van de besteding van het pgb is eisers eigen verantwoordelijkheid. Dit uitgangspunt blijft ook overeind, als eiser het beheer van het pgb door een derde laat verrichten. Dat de betreffende hulpverlener geen, althans een onvolledige, administratie heeft bijgehouden, komt dan ook voor rekening en risico van eiser. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan tot het oordeel moet worden gekomen dat de terugvordering van dat bedrag niet in stand kan blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/6372

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2016 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. M. Spek),

en

CZ Zorgkantoren, Zorgkantoor Haaglanden, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Baytemir).

Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2015 (primair besluit I) heeft verweerder de verantwoording van het aan eiser toegekende persoonsgebonden budget op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten voor zorg over de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013 afgekeurd.

Bij besluit van 26 februari 2015 (primair besluit II) heeft verweerder het pgb van eiser voor het zorgjaar 2013 vastgesteld op € 24.902,08 en het uitbetaalde voorschot waarover onvoldoende verantwoording is afgelegd teruggevorderd tot een bedrag van € 24.902,08.

Bij besluit van 21 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Aan eiser wordt een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Over 2013 heeft eiser bij besluit van 18 februari 2015 (toekenningsbeschikking 2013) een gewijzigd pgb toegekend gekregen van € 24.902,08 netto. In het besluit is aan eiser medegedeeld welke verplichtingen zijn verbonden aan de verlening van een pgb.

1.2.

In het kader van een landelijke controle bij pgb-houders is eiser geselecteerd voor een administratief vooronderzoek met daarop volgend een huisbezoek. Bij brief van
2 augustus 2013 heeft verweerder eiser verzocht om gegevens te verstrekken met betrekking tot de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013. Het gaat om actuele zorgovereenkomst(en), declaratieformulieren en/of facturen, loonstroken van de Sociale Verzekeringsbank (indien van toepassing), betalingsbewijzen (bankafschriften) en de inhoudsbeschrijving van de zorginkoop voor de functie Begeleiding.

1.3.

Op 19 augustus 2013 heeft eiser de overeenkomst tot thuiszorg, het zorgplan, de bankafschriften en de facturen van stichting [X] ([stichting X]) over de periode 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013 overgelegd. Bij brieven van 16 september en 30 september 2013 heeft verweerder eiser verzocht om nadere uitleg over het feit dat de betalingen op de bankafschriften afwijken van de maandelijkse facturen. Bij brief van 20 september 2013 heeft eiser verklaard met zijn zorgverlener te zijn overeengekomen om een vast bedrag per maand te betalen. Eens per zes maanden wordt dit verrekend met de daadwerkelijk geleverde zorg. Naar aanleiding van het huisbezoek en het administratief vooronderzoek heeft verweerder bij brieven van 9 december 2013 en 13 januari 2014 nadere vragen gesteld over de besteding van het pgb.

1.4.

Op basis van de resultaten van het administratief vooronderzoek en het huisbezoek heeft verweerder bij primair besluit I de verantwoording over de eerste zes maanden van 2013 voor een bedrag van € 13.532,- afgewezen. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat het zorgplan niet voldoet aan de gestelde regels en dus wordt afgekeurd. Daarnaast is vooruitbetaling uit het budget aan de zorgverlener niet toegestaan. Bovendien komen de betalingen niet overeen met de gemaakte afspraken in de zorgovereenkomst noch met de facturen. Bij primair besluit II heeft verweerder het pgb van eiser voor het zorgjaar 2013 vastgesteld op € 24.902,08. Hierbij stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser een bedrag van € 24.528,55 niet correct heeft verantwoord, zodat een bedrag van € 24.902,08 van eiser wordt teruggevorderd.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Hierbij stelt verweerder zich op het standpunt dat de door eiser opgevoerde uit het pgb betaalde activiteiten geen AWBZ-zorg betreffen. Vrijetijdsactiviteiten, het overnemen van taken en het voeren van gesprekken kunnen daarom niet uit het pgb worden betaald. Daarnaast heeft eiser niet voldaan aan de verplichtingen die bij een pgb horen nu zijn administratie niet in orde is. Zo was er geen individueel zorgplan aanwezig en heeft eiser zijn zorgverlener [stichting X] vooruit betaald, in afwijking van de op hem rustende verplichting om de zorg pas te betalen als deze is geleverd. Evenmin heeft eiser noch zijn zorgverlener een afdoende verklaring gegeven voor de verschillen tussen de betalingen en de facturen. Ook na afweging van de betrokken belangen is verweerder bij zijn standpunt gebleven.

3. Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Hiertoe voert hij aan dat het hem niet bekend was dat de administratie van [stichting X] niet op orde was. Eiser betoogt dat verweerder dit had behoren te weten en verwijst daartoe naar de uitspraak van het gerechtshof ’s Hertogenbosch van 26 augustus 2011 (ECLI:NL:GHSHE:2011:BZ3904). Bij het afwegen van de betrokken belangen had verweerder dit moeten meewegen. Tevens had verweerder bij deze afweging moeten betrekken dat eiser leeft van een arbeidsongeschiktheidsuitkering en hij nu de dupe wordt van de gebrekkige organisatie van [stichting X], aan wie eiser het pgb ter goeder trouw betaalbaar heeft gesteld.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Op 1 januari 2015 zijn de AWBZ en de daarop gebaseerde regelgeving komen te vervallen. Op dit geschil is het recht van toepassing zoals dat voor 1 januari 2015 ten tijde van belang gold.

4.2.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, onder b, van de AWBZ kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat het College zorgverzekeringen overeenkomstig in die regeling gestelde regels subsidies verstrekt om verzekerden de mogelijkheid te geven om in plaats van het tot gelding brengen van een aanspraak op grond van deze wet zelf te voorzien in de zorg die zij behoeven.

4.3.

Deze ministeriële regeling is de Regeling subsidies AWBZ (Rsa). De Rsa is vervallen per 1 januari 2015. In paragraaf 2.6. van de Rsa zijn bepalingen opgenomen over het persoonsgebonden budget. In artikel 2.6.9, eerste lid, van de Rsa is bepaald welke verplichtingen verweerder de verzekerde bij het toekennen van het pgb dient op te leggen. Ingevolge artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rsa sluit de verzekerde een schriftelijke overeenkomst met de zorgverlener, waarin ten minste de onder 1, 2 en 3 van dat artikelonderdeel nader omschreven afspraken over de termijn van indiening van declaraties en de gegevens die een declaratie moet bevatten zijn opgenomen. Uit artikel 2.6.10, eerste lid, van de Rsa volgt dat de verzekerde wordt bevoorschot voor het verleende pgb. Ingevolge artikel 2.6.13, tweede lid, van de Rsa wordt na afloop van iedere subsidieperiode de subsidie voor de desbetreffende subsidieperiode vastgesteld.

4.4.

Artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de subsidie lager kan worden vastgesteld indien de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Ingevolge artikel 4:95, vierde lid, van de Awb kunnen betaalde voorschotten worden verrekend met de te betalen geldsom en kunnen onverschuldigd betaalde voorschotten worden teruggevorderd.

4.5.

De rechtbank stelt vast dat er geen beroepsgronden zijn gericht tegen het standpunt van verweerder dat er geen sprake is van zorg in de zin van de AWBZ. Evenmin zijn er beroepsgronden gericht tegen het standpunt van verweerder dat er sprake is van tekortkomingen in het zorgplan, de facturen en de bankafschriften. Ook is niet bestreden dat eiser [stichting X] niet vooraf had mogen betalen.

4.6.

De verantwoording van de besteding van het pgb is eisers eigen verantwoordelijkheid. Er is immers gekozen om de zorg in de vorm van een pgb geleverd te krijgen. De verplichtingen die daarbij horen zijn door verweerder bekend gemaakt en met de aanvaarding van het pgb is eiser gehouden die verplichtingen na te komen. Dit uitgangspunt blijft ook overeind, als eiser het beheer van het pgb door een derde laat verrichten, zoals hier door [stichting X] (zie onder andere 15 oktober 2014 ECLI:NL:CRVB:2014:3395). Eiser heeft ter zitting gesteld dat [stichting X] niet alleen misbruik heeft gemaakt van zijn vertrouwen, maar ook van dat van vijftien anderen. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat inmiddels na onderzoek is gebleken dat [stichting X] geen, althans een onvolledige, administratie heeft bijgehouden. Wat daar ook van zij, dat komt gelet op voornoemde jurisprudentie voor rekening en risico van eiser. De verwijzing naar de uitspraak van het gerechtshof ’s Hertogenbosch kan eiser niet helpen. Overigens ziet deze uitspraak op het al dan niet contracteren van [stichting X] voor zorg in natura en kan hieruit niet worden afgeleid dat verweerder had behoren te weten dat de administratie van [stichting X] niet op orde was.

4.7.

Volgens vaste rechtspraak (zie onder andere, CRvB 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635) dient verweerder de discretionaire bevoegdheid om de pgb’s lager vast te stellen uit te oefenen met inachtneming van het geschreven en het ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging. Daarbij zal een afweging moeten worden gemaakt tussen het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichting en de gevolgen van de verlaging voor de ontvanger, waarbij tevens de ernst van de tekortkoming en de mate waarin deze aan de ontvanger kan worden verweten van belang is (Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3 p. 74). De door eiser aangevoerde omstandigheden maken niet dat geoordeeld moet worden dat verweerder niet in redelijkheid tot zijn belangenafweging heeft kunnen komen. Niet in geschil is dat de door eiser opgevoerde uit het pgb betaalde activiteiten geen AWBZ-zorg betreffen en eiser niet heeft voldaan aan de verplichtingen die bij een pgb horen. Niet is gebleken dat de terugvordering bij eiser tot onaanvaardbare psychische gevolgen leidt. Ook kunnen de genoemde financiële gevolgen niet als onaanvaardbaar worden aangemerkt. Hierbij is van belang dat verweerder bij de terugvordering rekening moet houden met de bescherming van de beslagvrije voet. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan tot het oordeel moet worden gekomen dat de terugvordering van dat bedrag niet in stand kan blijven.

4.8.

Gelet hierop is ten aanzien van de verantwoording van de zorg niet voldaan aan de in artikel 2.6.9 van de Rsa gestelde verplichtingen en is het pgb niet daadwerkelijk besteed aan AWBZ-zorg. Verweerder was daarom op grond van artikel 4:95, vierde lid, van de Awb bevoegd het pgb terug te vorderen.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van mr. C.J.M. Manders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.