Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:12240

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
12-10-2016
Zaaknummer
C-09-503576-HA ZA 16-65
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen ADO-geld naar uitgever SMC voor Chinees contact

ADO Den Haag hoeft geen geld te betalen aan uitgever Sports Media Corporation (SMC) voor het contact leggen met de huidige Chinese eigenaar van de voetbalclub, United Vansen. SMC had om een dergelijke vergoeding gevraagd in een civiele bodemprocedure tegen ADO , omdat ze daar recht op zou hebben. De rechtbank Den Haag wees deze eis echter af.

Achtergrond van de zaak

SMC is de uitgever van onder meer het sportblad Elf voetbal. SMC en ADO hebben in november 2013 een overeenkomst gesloten op grond waarvan de uitgever een vergoeding krijgt als ADO dankzij SMC geld ontvangt. Begin 2015 zijn de aandelen in ADO in handen gekomen van een Chinese vennootschap, United Vansen. Sindsdien heeft ADO in ieder geval tweemaal geld ontvangen van United Vansen. Volgens SMC heeft zij United Vansen in contact gebracht met ADO en is ADO haar daarom op grond van de overeenkomst een vergoeding verschuldigd over de betalingen die zij van United Vansen heeft ontvangen.

Oordeel rechtbank

De rechtbank heeft de overeenkomst tussen partijen uitgelegd en is tot het oordeel gekomen dat de betalingen van United Vansen niet vallen onder de overeenkomst, zodat ADO daarover geen vergoeding is verschuldigd.

Daarvoor is in de eerste plaats van belang dat uit de bewoordingen van de overeenkomst niet volgt dat deze betalingen onder de overeenkomst vallen. Het moet namelijk gaan om betalingen van een partij die door SMC in contact met ADO is gebracht. SMC heeft United Vansen echter niet met ADO in contact gebracht, maar met de aandeelhouder van ADO: SSO.

Verder is de achtergrond van de overeenkomst van belang: de bedoeling van partijen was dat SMC in Nederland gevestigde Chinese bedrijven zou interesseren om ADO te sponsoren. Op het moment dat de overeenkomst werd gesloten werd niet gedacht aan of gesproken over een overname van de aandelen in ADO. Wat SMC eist van ADO wordt daarom door de rechtbank afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvS&R 2016, afl. 3-4, p. 83
AR 2016/2950

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/503576 / HA ZA 16-65

Vonnis van 12 oktober 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SPORTS MEDIA CORPORATION B.V.,

gevestigd te Den Haag,

eiseres,

advocaat mr. R. de Mooij te Den Haag,

tegen

de naamloze vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

N.V. ADO DEN HAAG,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. F.C. van Spengler te Voorburg.

Partijen zullen hierna SMC en ADO genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 6 januari 2016, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 30 maart 2016;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 17 mei 2016 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de brief van de zijde van SMC van 26 mei 2016 met opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal;

  • -

    de brief van de zijde van ADO van 26 mei 2016 met opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal;

1.2.

Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

SMC is een multimedia uitgeverij die voornamelijk actief is in de voetbalwereld. SMC houdt zich daarnaast bezig met onder meer bemiddeling, sponsoring en het organiseren en begeleiden van evenementen en projecten voor derden. [aandeelhouder 1] en (zijn vader) [aandeelhouder 2] zijn aandeelhouders van SMC. [aandeelhouder 1] is tevens algemeen directeur van SMC.

2.2.

ADO heeft als doelstelling: “exploitatie van een voetbalclub in de ruimste zin des woords”. Tot 17 juli 2014 is de Stichting Stadion Ontwikkeling (hierna: SSO) eigenaar geweest van alle gewone aandelen van ADO. [aandeelhouder 3] (hierna: [aandeelhouder 3] ) is aandeelhouder en bestuurder van SSO.

2.3.

[bestuurder] is bestuurder van Dong Dao B.V. (hierna: Dong Dao), een samenwerkingspartner van SMC.

2.4.

Vanaf augustus 2010 hebben SMC en ADO samengewerkt in een project “ADO Media”.

2.5.

Bij e-mail van 6 augustus 2013 heeft [bestuurder] onder meer het volgende geschreven aan [aandeelhouder 3] , en in kopie aan [aandeelhouder 2] :

“(…) Regarding the Chinese lounge subject, I am not able to organize it so soon, as most of Chinese companies are more attracted by the famous club such as Ajax. But I am sure we can still organize it later.

The better plan can be:

First to have a Chinese player, then I can encourage Chinese big companies to sponsor ADO, and then the Chinese lounge is just a natural thing.

(…)

How long contract of ADO shirt supplier? It might be a good idea to use Chinese famous sport brand in next contract, then they can give a lot of sponsor fee.

(…)”

2.6.

Bij e-mail van dezelfde dag heeft [aandeelhouder 2] het volgende geschreven aan [aandeelhouder 3] en [toenmalige directeur] (hierna: [toenmalige directeur] ), de toenmalige directeur van Ajax:

“(…) Tijdens de wedstrijd al (…) zaten [bestuurder] en de Consul – zoals gezegd voorzitter van een organisatie waarin alle in Nederland werkende Chinese organisaties zijn georganiseerd (…) – al te bepraten hoe ze al die Chinese bedrijven richting ADO kunnen duwen.

(…)

Nogmals. Zaterdag was echt een geweldig succes. De kansen zijn groot, maar iedereen moet zich goed realiseren dat alles wel stap-voor-stap zal gaan.

(…)”

2.7.

Bij e-mail van 8 augustus 2013 heeft [aandeelhouder 2] onder meer het volgende geschreven aan [bestuurder] , met een kopie aan onder meer [toenmalige directeur] :

“The same applys for the press conference you want to hold to tell the (Chinese and Dutch) press and interested companies about your coaching plan (Dutch coaches who will start working in China). (…) It is another indication of the growing cooperation between yourself, Chinese companies and ADO.”

2.8.

Een e-mail van 26 augustus 2013 van [aandeelhouder 2] aan [bestuurder] en in kopie aan onder meer [toenmalige directeur] , houdt in dat de Chinese voetballer [betrokkene] voor een periode naar ADO zal komen.

2.9.

Bij e-mail van 3 september 2013 heeft [aandeelhouder 1] het volgende geschreven aan [aandeelhouder 2] , [toenmalige directeur] , [werknemer 1] en [werknemer 2] (beiden werkzaam bij ADO).

“Hartelijk dank voor het goede gesprek van vanmiddag. Afspraken globaal, later formeel op papier uit te werken, 4 punten:

(…)

(3) Oud-zeer over de afgelopen 2 seizoen en wat hier nog open staat wordt allemaal geschrapt en er wordt direct een streep onder gezet. Finale kwijting over en weer. Tevens einde contract over “ADO Media”.

(4) Nieuwe afspraak, voor de toekomst, onder goede zakelijke voorwaarden, te specificeren door [toenmalige directeur] , voor commissie regeling als via ELF/JH sponsoren c.q. commerciële inkomsten bij ADO binnenkomen.

(…)”

2.10.

Bij e-mail van 8 oktober 2013 heeft [aandeelhouder 2] het volgende geschreven aan [toenmalige directeur] :

“(…) De kans bestaat dat – als [betrokkene] goed genoeg is – eea kan gaan leiden tot een deal / mogelijke deals. Een aantal weken stelde je voor om de afwikkeling van ADO Media te compenseren met een ‘provisiedeal’ inzake China. (…) Het lijkt me juist dat je een voorstel doet VOORDAT eind van de week [bestuurder] en [aandeelhouder 3] weer om de tafel gaan. Je zou je daarbij laten inspireren door bedrijf dat mogelijk nieuwe hoofdsponsor zou aanbrengen. Denk dat simpel kan: behalve de punten due [aandeelhouder 1] schreef hoeven we alleen maar een provisiepercentage overeen te komen over deals die via [bestuurder]/mij tot stand komen.”

2.11.

Daarop heeft [toenmalige directeur] als volgt geantwoord bij e-mail van dezelfde dag:

“Voorstel is commissie over afgesloten sponsorcontract 1e jaar 7,5 %, 2e jaar 5% en 3e jaar 2,5 %. Laat je zoon dit met andere punten nu vastleggen in een document.”

2.12.

Bij e-mail van 9 oktober 2013 heeft [aandeelhouder 2] een door [aandeelhouder 1] gemaakte conceptovereenkomst gestuurd naar [toenmalige directeur] . [toenmalige directeur] heeft daarop bij e-mail van 20 november 2013 onder meer het volgende geantwoord:

“(…) Opmerkingen:

1e. Punt 6 onder direct aanbrengen van etc.

Toevoegen dat direct bij het begin vastgesteld moet worden dat er sprake is van inbreng. Dit dient schriftelijk vastgelegd te worden alvorens er resultaat geboekt gaat worden.

Toelichting: wij moeten voorkomen dat er discussie ontstaat over wie de lead heeft. Succes kent namelijk altijd meerdere vaders, maar wie ontvangt nu de kinderbijslag.”

2.13.

Op 25 november 2013 hebben SMC en ADO een overeenkomst gesloten (hierna: de overeenkomst), die – voor zover hier van belang – als volgt luidt:

“(…)

(6) SMC is gerechtigd aan ADO in rekening te brengen een commissie vergoeding, welke ADO accepteert, voor baten en/of die ADO zal hebben, via directe aanbreng van SMC of via haar werknemer de persoon Jan-Hermen de Bruijn. Onder baten zal worden verstaan sponsorinkomsten of andere omzetten die ADO geniet in geld of andere middelen. Onder directe aanbreng zal worden verstaan het direct aanbrengen, het zijn van intermediate, het assisteren in een onderhandeling of het inbrengen van een lead bij ADO van een contact, zakenrelatie, partner, gelieerde onderneming of anderzijds gelieerde partij van SMC, vanaf het begin van de onderhandelingen van deze partij met ADO. In het begin stadium van de onderhandelingen zullen afspraken hierover schriftelijk bevestigd worden.

(7) Over afspraken die ADO Den Haag maakt met de firma Dong Dao of een andere onderneming van de heer [bestuurder] , bevestigen partijen in navolging van hetgeen bepaalde in artikel 6, dat deze is aangebracht door SMC.

(8) SMC is gerechtigd een vergoeding in rekening te brengen van 7,5% van de totale baten voor ADO in het eerste jaar dat ADO deze baten geniet, 5% in het tweede jaar (indien er een tweede jaar is) en 2,5% voor het derde jaar (indien er een derde jaar is). In het vierde jaar (indien er een vierde jaar is), zullen alle baten volledig toevallen aan ADO. Een jaar wordt als tweede of derde jaar gezien, ook als er in de tussentijd een onderbreking van maximaal 1,5 jaar zit.

(9) Deze Overeenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd en loopt automatisch af op 31-12-2014, waarna hij telkens met een jaar zal worden verlengt. In het laatste kwartaal van ieder jaar, startende in 2014, zal de samenwerking geëvalueerd worden. Indien een der partijen de overeenkomst niet wenst te verlengen, kan de overeenkomst worden opgezegd door een aangetekend schrijven te sturen naar de andere partij. Echter de opzegtermijn bedraagt minimaal een maand.

(…)”

2.14.

Begin 2014 zijn SMC en Dong Dao een onderzoek gestart naar de mogelijkheid van verkoop van de aandelen van SSO in ADO aan een Chinese partij.

2.15.

Op 26 maart 2014 heeft SSO met SMC en Dong Dao een bemiddelingsovereenkomst gesloten, die kort gezegd inhield dat SMC en Dong Dao recht zouden hebben op een provisie indien zij een koper voor de aandelen van SSO zouden vinden.

2.16.

Op 17 juni 2014 is een Heads of Agreement getekend tussen SSO en United Vansen International Sports Co. Ltd (hierna: UVS), een vennootschap naar Chinees recht, met betrekking tot de verkoop en levering van de aandelen tegen een koopprijs van

€ 7.000.000. Op 17 juli 2014 is de koopovereenkomst gesloten.

2.17.

Bij brief van 5 augustus 2014 heeft ADO de overeenkomst opgezegd per 31 december 2014.

2.18.

Op of omstreeks 27 januari 2015 heeft UVS de koopprijs voldaan en heeft SSO de aandelen geleverd aan UVS.

2.19.

SMC en Dong Dao hebben in kort geding op grond van de bemiddelingsovereenkomst betaling van een bedrag van € 990.000,-, subsidiair € 700.000,- gevorderd van SSO. Bij vonnis van 9 april 2015 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag de vorderingen afgewezen. Enige tijd later hebben SMC, Dong Dao en SSO alsnog een minnelijke regeling gesloten.

2.20.

Op 1 april 2015 heeft ADO een agiostorting van € 1.500.000,- van UVS ontvangen.

2.21.

Op 6 april 2016 heeft ADO een agiostorting van € 2.000.000,- van UVS ontvangen.

3 Het geschil

provisionele vordering:

3.1.

SMC vordert – samengevat – dat de rechtbank ADO beveelt op grond van de artikelen 22 en 162 Rv de voor de behandeling van de zaak relevante bescheiden over te leggen, die zijn opgesomd in de dagvaarding onder het kopje “provisionele vordering”, subsidiair ADO op grond van artikel 843a Rv te veroordelen afschriften te verstrekken van die bescheiden.

in de hoofdzaak:

SMC vordert, na vermeerdering van eis, samengevat, dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

I. ADO veroordeelt om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis een bedrag van € 212.500,- aan SMC te betalen, met de wettelijke handelsrente over het bedrag van € 112.500,- vanaf 1 juni 2015 en over het bedrag van € 100.000,- vanaf 1 april 2016, tot de dag der algehele voldoening, met kosten.

II. ADO veroordeelt om binnen drie dagen nadat zij in 2016 betalingen van UVS zal hebben ontvangen, tegen bewijs van kwijting 5% van die bedragen aan SMC te betalen;

III. ADO veroordeelt om binnen drie dagen nadat zij in 2017 betalingen van UVS zal hebben ontvangen, tegen bewijs van kwijting 2,5% van die bedragen aan SMC te betalen;

IV. ADO veroordeelt in de (na)kosten, met rente indien de kosten niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis worden voldaan.

3.2.

SMC legt kort gezegd het volgende ten grondslag aan haar vorderingen. Op grond van (artikel 6 en 8 van) de overeenkomst is ADO een commissie verschuldigd aan SMC indien zij baten ontvangt door inspanningen van SMC. SMC heeft UVS bij ADO aangebracht als aandeelhouder. Vaststaat dat ADO baten heeft genoten in de vorm van twee agiostortingen door UVS. Daarnaast heeft ADO andere betalingen/bijdragen van UVS ontvangen die binnen het bereik van de overeenkomst vallen. Om te kunnen berekenen hoeveel commissie ADO over die andere betalingen/bijdragen verschuldigd is, dient ADO de door SMC in haar provisionele vordering omschreven bescheiden in het geding te brengen.

3.3.

Ado voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kern van deze zaak is hoe artikel 6 van de overeenkomst moet worden uitgelegd. Kort gezegd: vallen betalingen die ADO van UVS ontvangt daaronder (standpunt SMC), of niet (standpunt ADO)?

4.2.

Nu partijen van mening verschillen over de betekenis van artikel 6, dient de rechtbank deze clausule zelfstandig uit te leggen. Bij die uitleg komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan dit beding mochten en mogen toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten en mogen verwachten (het zogenoemde Haviltexcriterium). Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang en kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. Voor de vraag hoe een overeenkomst moet worden uitgelegd, kan tevens van belang zijn hoe partijen zich na het sluiten van die overeenkomst hebben gedragen.

4.3.

Met inachtneming van dit criterium overweegt de rechtbank als volgt. De letterlijke bewoordingen van artikel 6 bieden geen steun voor het standpunt van SMC. Immers, er is geen sprake van directe aanbreng bij ADO, nu SMC UVS heeft aangebracht bij de toenmalige aandeelhouder van ADO: SSO. Dat onder directe aanbreng ook indirecte aanbreng (via SSO) moet worden begrepen ligt niet voor de hand, nu artikel 6 er vanuit gaat dat na aanbreng van een partij door SMC onderhandelingen met ADO plaatsvinden. Vaststaat echter dat geen sprake is geweest van onderhandelingen tussen UVS en ADO. Sterker nog: vaststaat dat de toenmalige directeur van ADO, [toenmalige directeur] , niet eens op de hoogte mocht zijn van de onderhandelingen tussen UVS en SSO, en dat ook niet was. De stelling van SMC dat de onderhandelingen tussen UVS en SSO (mede) moeten worden aangemerkt als onderhandelingen tussen UVS en ADO, omdat [aandeelhouder 3] twee petten op had (aandeelhouder van en feitelijk leidinggevende bij ADO), verwerpt de rechtbank. Dat [aandeelhouder 3] zich mede de belangen van ADO aantrok betekent niet dat hij namens ADO heeft onderhandeld. Tegen de stelling van SMC dat [aandeelhouder 3] mede namens ADO optrad pleit het feit dat de directeur van ADO niet op de hoogte mocht zijn (en ook niet was) van die onderhandelingen. Voor zover [aandeelhouder 3] twee petten op had kan – nu nadere feiten en omstandigheden niet zijn gesteld – op grond hiervan niet worden aangenomen dat [aandeelhouder 3] ADO heeft kunnen binden.

4.4.

Ook de omstandigheid dat SMC niet heeft verzocht om een schriftelijke bevestiging pleit niet voor het standpunt van SMC dat zij UVS bij ADO heeft aangebracht. Dat een schriftelijke bevestiging geen voorwaarde is voor het recht op provisie, zoals SMC stelt, is juist, maar neemt niet weg dat uit de reden waarom SMC geen schriftelijke bevestiging heeft verzocht kan worden afgeleid dat geen sprake is van directe aanbreng bij ADO. Immers, SMC heeft opgemerkt dat zij tijdens de onderhandelingen tussen UVS en SSO ADO niet heeft gevraagd om een schriftelijke bevestiging, omdat zij niet kon wijzen op de volgens haar (mogelijke) gevolgen van die onderhandelingen voor de overeenkomst, aangezien [aandeelhouder 3] had gezegd dat de directeur van ADO niet op de hoogte mocht worden gesteld van de onderhandelingen. Gelet daarop had het overigens op de weg van SMC gelegen [aandeelhouder 3] om een schriftelijke bevestiging te vragen, nu die volgens SMC mede namens ADO optrad. Dat SMC dat heeft gedaan is echter gesteld noch gebleken. Tot slot is de stelling van SMC dat in de e-mail van 8 oktober 2013 “de connectie met UVS” schriftelijk aan de orde is gesteld, onjuist. In die e-mail gaat het over de voetballer [betrokkene] en niet over de aandeelhouder van UVS, Wang Hui.

4.5.

Niet alleen de letterlijke bewoordingen van artikel 6 geven geen steun aan het standpunt van SMC, ook uit de omstandigheden voorafgaand aan het sluiten van overeenkomst valt niet af te leiden dat partijen beoogden dat daaronder betalingen van een nieuwe aandeelhouder zouden vallen. Evenmin volgt daaruit dat partijen dat hadden moeten begrijpen of verwachten. Daarvoor is het volgende redengevend. Uit de e-mails die zijn weergegeven onder 2.5-2.11 kan worden afgeleid dat in de periode voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst partijen beoogden Chinese sponsors te vinden. Ter zitting is toegelicht dat men zich richtte op Chinese bedrijven die een vestiging in Nederland hadden, vooral in Den Haag. De bedoeling was om die, in Nederland gevestigde Chinese bedrijven (in de woorden van SMC:) te koppelen aan ADO. Om de interesse van deze bedrijven op te wekken wilden partijen een Chinese lounge opzetten, werd een Chinese voetballer naar Nederland gehaald en bestond het voornemen om Nederlandse trainers in China voetballers te laten trainen. Partijen hoopten dat ADO hiervan in financieel opzicht zou profiteren, in welk geval SMC daarvoor een vergoeding zou ontvangen. Dat de achtergrond van de overeenkomst was dat SMC Chinese sponsors zou vinden, waarvoor zij een vergoeding zou ontvangen, kan worden afgeleid uit de bewoordingen die [aandeelhouder 1] hanteert in zijn e-mail van 3 september 2013 (zie onder 2.9), te weten een commissieregeling als ADO via haar “sponsoren c.q. commerciële inkomsten” ontvangt, en door de bewoordingen die [toenmalige directeur] gebruikt in zijn e-mail van 8 oktober 2013, te weten commissie over “afgesloten sponsorcontracten” (zie onder 2.11). Dat [aandeelhouder 1] in artikel 6 niet de term “sponsorcontracten” heeft overgenomen, maar het heeft over “sponsorinkomsten of andere omzetten die ADO geniet in geld of andere middelen”, betekent niet dat partijen daarmee iets wezenlijk anders hebben bedoeld dan inkomsten uit sponsoring, te meer nu van de zijde van SMC naar aanleiding van die e-mail van [toenmalige directeur] niet is opgemerkt dat het niet alleen om sponsorinkomsten zou gaan. Dat ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet werd gedacht aan of gesproken over een overname van de aandelen van SSO in ADO is overigens ter zitting door SMC bevestigd.

4.6.

De rechtbank verwerpt tevens het betoog van SMC dat onder “baten” agiostortingen moeten worden begrepen. Volgens SMC staat in artikel 6 niets over kapitaalverschaffing door een aandeelhouder omdat SSO, die op dat moment aandeelhouder was, dat niet door toedoen van SMC was. Anders had het er zeker in gestaan, omdat de bedoeling van SMC was om baten zo breed mogelijk te formuleren, aldus SMC. De rechtbank kan SMC niet volgen in haar betoog. Het argument dat SSO reeds aandeelhouder was overtuigt niet; partijen hebben immers beoogd afspraken voor de toekomst vast te leggen. Uit het feit dat zij het begrip baten hebben ingeperkt door een nadere definitie, en kapitaalstortingen door een aandeelhouder daarin niet hebben opgenomen, kan juist worden afgeleid dat zij niet hebben beoogd een regeling te treffen voor het geval SMC een nieuwe aandeelhouder zou aanbrengen. Overigens is juist voor die situatie de bemiddelingsovereenkomst van 24 maart 2014 gesloten. Bovendien ligt het niet in de rede dat betalingen van een aandeelhouder onder artikel 6 vallen, nu artikel 6 uitgaat van het genieten van baten na onderhandelingen tussen de door SMC aangebrachte partij en ADO, terwijl het hier gaat om een agiostorting door de eigen aandeelhouder. Voor zover SMC heeft beoogd dat het begrip “baten” zo ruim moet worden begrepen dat daaronder ook kapitaalstortingen door een nieuwe aandeelhouder vallen, is gesteld noch gebleken dat ADO dat wist of had moeten begrijpen. Uit niets kan dan ook worden afgeleid dat partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst hebben bedoeld onder “sponsorinkomsten of andere omzetten die ADO geniet in geld of andere middelen” tevens een agiostorting door een (nieuwe) aandeelhouder te verstaan. Voor zover de andere betalingen/bijdragen door UVS, die overigens door ADO worden betwist, wel onder baten kunnen vallen, geldt dat ADO daarover reeds geen vergoeding is verschuldigd omdat geen sprake is van directe aanbreng.

4.7.

Ook de gedragingen van SMC na het sluiten van de overeenkomst bieden geen steun voor haar standpunt. Indien SMC inderdaad (de directeur van) ADO niet op de hoogte mocht stellen van de onderhandelingen en ADO dus niet op grond van artikel 6 schriftelijk kon bevestigen dat volgens haar sprake was van directe aanbreng op grond waarvan commissie verschuldigd was, had van SMC mogen worden verwacht dit zo spoedig mogelijk te doen, te meer nu in het verleden bij ADO Media problemen tussen SMC en ADO waren ontstaan, ter voorkoming waarvan de laatste zinsnede in artikel 6 is opgenomen. Op grond van het besprekingsverslag van 30 juni 2014 staat vast dat in ieder geval op die dag (de directeur van) ADO op de hoogte was van de onderhandelingen met UVS. Gesteld noch gebleken is dat SMC op of rond die datum ADO schriftelijk heeft bevestigd dat volgens haar sprake was van een directe aanbreng op grond waarvan een vergoeding was verschuldigd, en evenmin dat zij dat op enige andere wijze heeft laten weten.

4.8.

Nu uit het voorgaande volgt dat de rechtbank van oordeel is dat artikel 6 van de overeenkomst niet ziet op betalingen die ADO van UVS ontvangt, zullen de vorderingen van SMC worden afgewezen. SMC zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van ADO tot op heden begroot op

€ 7.903,- (€ 3.903,- aan griffierecht en € 4.000,- aan salaris advocaat (2 punten x tarief VI ad € 2.000,-)).

4.9.

Uit het voorgaande volgt dat SMC geen belang meer heeft bij behandeling van de provisionele vordering. Die vordering zal eveneens worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen van SMC af;

5.2.

veroordeelt SMC in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van ADO begroot op € 7.903,-.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Voorwinden en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2016.