Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:12213

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
18-10-2016
Zaaknummer
C/09/491189 / HA ZA 15-734
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Merkenrecht - Procesvolmachten - Decoderen en toestand wijzigen (beschadigen) verpakkingen luxe parfums - artikel 2.23 lid 3 BVIE en artikel 13 lid 2 UMVo

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Zittingsplaats Den Haag

zaaknummer / rolnummer: C/09/491189 / HA ZA 15-734

Vonnis van 12 oktober 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

L'ORÉAL NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Hoofddorp,

eiseres,

advocaat mr. L.Ph.J. baron van Utenhove te Den Haag,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. T.F.W. Overdijk te Amsterdam.

Partijen zullen hierna L’Oréal en [gedaagde] genoemd worden. De zaak is voor L’Oréal
behandeld door mr. H.J. Koenraad en mr. P.L. Tjiam, advocaten te Amsterdam. De zaak is voor [gedaagde] behandeld door de advocaat voornoemd en mr. N. Wiersma, advocaat te
Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 12 juni 2015 met producties 1 tot en met 8, inclusief een proceskostenspecificatie op de voet van artikel 1019h Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv);

  • -

    de rolvoeging op verzoek van partijen met de zaken met zaaknummers /rolnummers 493475 / HA ZA 15-866 en 493476 / HA ZA 15-867;

  • -

    de conclusie van antwoord van 23 september 2015, met producties 1 tot en met 4;

  • -

    het tussenvonnis van 28 oktober 2015 waarin een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    de op 5 januari 2016 ingekomen akte overlegging producties, tevens houdende wijziging eis van L’Oréal, met producties 9 en 10 (waaronder een aanvullend proceskostenoverzicht);

  • -

    de op 18 januari 2016 ingekomen nadere proceskostenspecificatie van L’Oréal;

  • -

    de op 18 januari 2016 ingekomen nadere proceskostenspecificatie van [gedaagde] ;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 19 januari 2016, met daaraan
    gehecht de pleitnotities van partijen, waarbij in de pleitnotities van L’Oréal de randnummers 4.5, 4.6, 4.8 en 4.11 zijn doorgehaald omdat zij niet zijn gepleit, alsmede door L’Oréal overgelegde procesvolmachten van de houders van de merken DIESEL, GUY LAROCHE, LANCÔME, RALPH LAUREN, VIKTOR & ROLF en YVES SAINT LAURENT;

  • -

    de brief van 3 februari 2016 van mr. Overdijk en de brief van 4 februari 2016 van
    mr. Tjiam waarin partijen vonnis vragen;

  • -

    de brief van 4 februari 2016 van mr. Tjiam met daarbij gevoegd een procesvolmacht van de houder van het merk GIORGIO ARMANI;

  • -

    de zowel door L’Oréal als door [gedaagde] bij brieven van 22 februari respectievelijk 23 februari 2016 geplaatste opmerkingen bij het met toestemming van partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakte proces-verbaal van de comparitie van partijen.

1.2.

De comparitie van partijen van 19 januari 2016 is aanvankelijk aangehouden in verband met schikkingsonderhandelingen tussen partijen. Afgesproken werd dat partijen zich uiterlijk op 29 januari 2016 zouden uitlaten over de resultaten van de onderhandelingen en dat alsdan om doorhaling of om vonnis kon worden verzocht. Ook is met instemming van [gedaagde] aan L’Oréal toegestaan om de procesvolmacht van de houder van het merk
GIORGIO ARMANI na te zenden. Nadat bij brief van 28 januari 2016 van mr. Tjiam om nadere aanhouding is verzocht, hebben partijen bij brieven van 3 februari en 4 februari 2016 aan de rechtbank bericht dat geen akkoord is bereikt en is om vonnis gevraagd. Eveneens bij brief van 4 februari 2016 heeft L’Oréal de procesvolmacht van de houder van het merk GIORGIO ARMANI nagezonden. Daarna heeft nog een briefwisseling tussen partijen plaatsgevonden over door mr. Overdijk bij brief van 3 februari 2016 gevoegde onthoudingsverklaringen en over de (nagezonden) procesvolmacht(en). Bij brief van 9 februari 2016 heeft de rechtbank partijen bericht dat voor zover na de comparitie van partijen nieuwe, niet ter zitting besproken stukken (onthoudingsverklaringen) zijn overgelegd en een nader inhoudelijk debat is gevoerd, dit niet in lijn is met de ter zitting gemaakte afspraken en dat die onthoudingsverklaringen alsmede de correspondentie in zoverre buiten beschouwing zullen worden gelaten. Daarbij heeft de rechtbank de comparitie van partijen gesloten en de zaak verwezen naar de rol van 13 april 2016 voor vonnis.

1.3.

Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

L’Oréal maakt onderdeel uit van L’Oréal S.A., een Frans beursgenoteerd bedrijf dat actief is op het gebied van cosmetica en schoonheidsverzorging. L’Oréal is houdster of gevolmachtigde van verschillende merken die zijn ingeschreven en worden gebruikt voor parfums en aanverwante schoonheidsproducten. In deze procedure beroept L’Oréal zich als procesgevolmachtigde op de volgende merkregistraties die alle zijn ingeschreven voor onder meer parfums (klasse 3) (hierna gezamenlijk ook: de L’Oréal-merken):

  1. het Uniewoordmerk CACHAREL met nummer 005636824, ingeschreven op 6 februari 2009;

  2. het internationale woordmerk met gelding in de Benelux CACHAREL met nummer 434926, ingeschreven op 16 december 1977;

  3. het Uniewoordmerk DIESEL met nummer 004848289, aangevraagd op 12 januari 2006;

  4. het internationale woordmerk met gelding in de Benelux DIESEL met nummer 608499, ingeschreven op 4 oktober 1993;

  5. het Uniewoordmerk GIORGIO ARMANI met nummer 000504258, ingeschreven op 8 maart 1999;

  6. het internationale woordmerk met gelding in de Benelux GIORGIO ARMANI met nummer 437479, ingeschreven op 20 april 1978;

  7. het internationale woordmerk met gelding in de Benelux GUY LAROCHE met nummer 261330, ingeschreven op 26 oktober 1962;

  8. het internationale woordmerk met gelding in de Benelux LANCÔME met nummer 157412, ingeschreven op 12 november 1951;

  9. het Uniewoordmerk RALPH LAUREN met nummer 004393013, ingeschreven op 18 mei 2006;

  10. het Uniebeeldmerk

met nummer 009177411, ingeschreven op 5 januari 2011;

11. het Uniewoordmerk YVES SAINT LAURENT met nummer 006036289, ingeschreven op 22 mei 2008.

2.2.

[gedaagde] houdt zich onder de handelsnamen “Turquoise Shop” en “Parfumlux”
bezig met de (online) verhandeling van parfums van - onder meer - de L’Oréal-merken (hierna: de L’Oréal-parfums). [gedaagde] verhandelt zijn producten via een website gekoppeld aan de domeinnaam parfumlux.nl. [gedaagde] is geen (door L’Oréal of de betrokken merkhouders) erkend wederverkoper van de L’Oréal-merken.

2.3.

L’Oréal heeft de anti-piraterijorganisatie REACT verzocht proefaankopen te doen bij parfumlux.nl. REACT heeft de volgende parfums aangeschaft: ‘FLOWERBOMB’ van het merk VIKTOR & ROLF, ‘DIAMONDS FOR MEN’ van het merk GIORGIO ARMANI en ‘HYPNOSE’ van het merk LANCÔME. REACT heeft de verpakkingen van deze parfums op 17 april 2015 geanalyseerd en van de analyse een rapport opgesteld. REACT heeft gerapporteerd dat bij het parfum ‘HYPNOSE’ van het merk LANCÔME het cellofaan was
opengemaakt en zeer slordig weer was terug geplakt, waarbij de volgende afbeelding werd gevoegd:

REACT heeft voorts gerapporteerd dat de kartonnen verpakking van datzelfde parfum was los gesneden en weer was dichtgeplakt, alsmede dat aan de binnenzijde van die kartonnen verpakking stukken karton waren uitgesneden, waarbij onder meer de volgende afbeelding werd gevoegd:

Ten aanzien van het parfum ‘FLOWERBOMB’ van het merk VIKTOR & ROLF is gerapporteerd dat dit parfum niet in cellofaan was verpakt maar in een doorzichtige, gekreukelde plastic zak, volgens de volgende daarbij gevoegde afbeelding:

2.4.

L’Oréal heeft [gedaagde] op 22 april 2015 en 18 mei 2015 gesommeerd de door haar gestelde merkinbreuken en het door haar gestelde onrechtmatig handelen te staken en
gestaakt te houden.

2.5.

Op 18 september 2015 heeft [gedaagde] een onthoudingsverklaring ondertekend. Op straffe van – voor zover thans van belang – een onmiddellijk opeisbare boete van € 1.000,- per overtreding heeft [gedaagde] zich aan het volgende verbonden:

“Hij zal zich met onmiddellijke ingang na ondertekening van deze verklaring

onthouden van inbreuk op de merkrechten van L’Oréal, voor zover die inbreuken bestaan in het binnen de Europese Economische Ruimte (doen) importeren, exporteren, distribueren, (online) aanbieden, promoten, (weder)verkopen, en/of leveren van producen waarop de L’Oréal Merken zijn aangebracht en waarvan:

- de oorspronkelijke codering en /of identificatienummers op voor haar kenbare wijze is/zijn verwijderd, onleesbaar gemaakt en/of vervangen; en/of

- waarvan de verpakking zodanig is beschadigd dat deze in het licht van de

uitputtingsdoctrine niet zonder toestemming van de merkhouder kunnen

worden doorverkocht.”

2.6.

Eind september 2015 heeft REACT andermaal in opdracht van L’Oréal via parfumlux.nl een proefaankoop gedaan, ditmaal van het parfum ‘LA NUIT DE L’HOMME’ van het merk YVES SAINT LAURENT. REACT heeft ook deze verpakking onderzocht en heeft gerapporteerd dat i) het cellofaan duidelijk van de verpakking af was gehaald en (daarna) opnieuw was dichtgeplakt, ii) dat de kartonnen verpakking was losgesneden en weer dichtgeplakt, waardoor scheuren aan de zijkant van de verpakking en uitgelekte lijmresten zichtbaar zijn, alsmede iii) dat de productcodes aan de binnenzijde van de kartonnen doos waren weggesneden, waardoor grote witte stroken zijn ontstaan en iv) dat aan de
buitenzijde de oorspronkelijke barcode was weggesneden en met een fantasiecode was overplakt. In het rapport van REACT zijn onder meer de volgende afbeeldingen opgenomen:

2.7.

In november 2015 heeft L’Oréal [gedaagde] verzocht de boete van € 1.000,- wegens overtreding van de onthoudingsverklaring te betalen. Daags voor de comparitie (van 19 januari 2016) heeft [gedaagde] deze boete betaald.

3 Het geschil

3.1.

L’Oréal vordert - na eiswijziging - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat [gedaagde]

  1. inbreuk heeft gemaakt op de L’Oréal-merken;

  2. inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijkheidsrechten van L’Oréal;

  3. onrechtmatig heeft gehandeld jegens L’Oréal;

  4. deswege tegenover L’Oréal schadeplichtig is geworden;

II. [gedaagde] beveelt binnen 24 uur na betekening van dit vonnis iedere inbreuk op de L’Oréal-merken te staken en gestaakt te houden;

III. [gedaagde] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis verbiedt van de verpakkingen van de producten van de L’Oréal-merken (in de vorderingen door L’Oréal verder genoemd: de “Parfumerieproducten”) de kartonnen verpakking en/of het cellofaan en/of de codering en/of identificatienummers te verwijderen en/of te beschadigen en/of daartoe aan derden opdracht te verlenen;

IV. [gedaagde] verbiedt Parfumerieproducten te verkopen, dan wel te koop aan te bieden of in voorraad te hebben, waarvan de verpakking is beschadigd en/of gewijzigd door verwijdering van de codering en/of identificatienummers en/of waarop deze nummers onleesbaar zijn gemaakt en/of waarvan de originele cellofaanverpakking is verwijderd, beschadigd of vervangen en/of waarvan de originele kartonverpakking is beschadigd (in de vorderingen door L’Oréal verder genoemd: de “Inbreukmakende Producten”);

V. [gedaagde] beveelt binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis op eigen kosten een verklaring te verstrekken aan de advocaat van L’Oréal, goedgekeurd door een registeraccountant, op grond van een onderzoek van de boeken van [gedaagde] gecontroleerde en van een goedkeurende accountantsverklaring voorziene, schriftelijke opgave te doen toekomen (met aangehecht relevante kopieën van facturen, (bank)afschriften en andere documenten) waaruit, voor zo ver mogelijk, het volgende blijkt:

a. de aantallen Inbreukmakende Producten die [gedaagde] van zijn toeleveranciers heeft gekocht en/of geleverd gekregen, dan wel voor derden onder zich heeft
(uitgesplitst per merk en per toeleverancier);

b. de aantallen Inbreukmakende Producten die [gedaagde] aan consumenten heeft verkocht en/of geleverd (uitgesplitst per merk);

c. de aantallen Inbreukmakende Producten die [gedaagde] aan professionele afnemers (niet zijnde consumenten) heeft verkocht en/of geleverd (uitgesplitst per merk en per handelaar, webwinkel en importeur);

d. de namen, adressen en alle contactgegevens van de leveranciers en wederverkopers van wie [gedaagde] in de afgelopen 36 maanden Parfumerieproducten heeft gekocht en/of geleverd gekregen inclusief alle bijbehorende facturen en
documenten ten aanzien van deze leveranciers en wederverkopers met betrekking tot de aankoop, betaling en levering van alle Parfumerieproducten in deze periode;

e. de namen, adressen en alle contactgegevens van de professionele afnemers (niet zijnde consumenten) aan wie [gedaagde] Inbreukmakende Producten heeft verkocht en/of heeft geleverd;

f. de periode waarin [gedaagde] de Inbreukmakende Producten heeft gekocht,
verkocht en geleverd (gekregen);

g. de aantallen Inbreukmakende Producten die [gedaagde] op de datum van deze opgave nog in voorraad heeft;

h. de in- en verkoopprijs van de Inbreukmakende Producten uitgesplitst per merk alsmede een gedetailleerde opgave van de door [gedaagde] als gevolg van de
inbreukmakende en onrechtmatige handelingen genoten winst, uitgesplitst per merk;

VI. [gedaagde] beveelt binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis al zijn professionele afnemers te benaderen en hen te verzoeken de Inbreukmakende Producten terug te sturen aan hem, onder verzending van kopieën van de relevante correspondentie aan de advocaat van L’Oréal;

VII. [gedaagde] beveelt om op zijn website gekoppeld aan de domeinnaam <parfumlux.nl>, centraal bovenaan op de homepage in lettertype Arial, twaalf punts, in zwarte letters op een witte achtergrond, ter grootte van ¼ van de homepage, met als titel “BELANGRIJKE MEDEDELING”, en daaronder uitsluitend de navolgende tekst, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen tekst, op te nemen en deze daar 3 maanden geplaatst te houden:

‘Parfumlux maakt inbreuk op rechten L’Oréal

Bij vonnis d.d. [datum] heeft de rechtbank Den Haag geoordeeld dat wij inbreuk hebben gemaakt op de (intellectuele eigendoms)rechten van L’Oréal, doordat wij diverse gedecodeerde en/of beschadigde parfumproducten van merken van L’Oréal hebben verhandeld. De rechtbank Den Haag heeft ons bevolen niet langer gedecodeerde en/of beschadigde parfumproducten aan u te verkopen.

Mocht u na 20 september 2015 een parfumproduct van één van de volgende merken: Cacharel, Diesel, Giorgio Armani, Guy Laroche, Lancôme, Ralph Lauren, Viktor & Rolf en Yves Saint Laurent bij ons hebben gekocht dan verzoeken wij u direct de binnenkant en buitenkant van de verpakking nauwkeurig na te kijken. Indien de originele streepjescodes aan de binnen- of buitenzijde van de verpakking zijn weggesneden of zijn overgeplakt met een streepjescodesticker, dan zal er sprake zijn van een gedecodeerd product. U kunt dit parfum met verpakking en aankoopbewijs aan ons retourneren. Wij vergoeden vanzelfsprekend het volledige aankoopbedrag en de verzendkosten.

Onze excuses voor het eventuele ongemak. Wij zullen vanaf heden geen gedecodeerde en beschadigde parfumproducten van L’Oréal verkopen.

De directie.’

VIII. [gedaagde] beveelt de Inbreukmakende Producten die hij nog op voorraad heeft, alsmede de Inbreukmakende Producten die hij heeft ontvangen als gevolg van de recall zoals bedoeld onder VI en VII hierboven, binnen 30 dagen en daarna nogmaals binnen 3 maanden dagen na betekening van dit vonnis onder toezicht van een gerechtsdeurwaarder te laten vernietigen en van beide vernietigingen een proces-verbaal van constatering (met foto’s) te laten opstellen dat binnen 3 dagen aan de advocaten van L’Oréal zal worden gestuurd;

IX. [gedaagde] veroordeelt tot het betalen van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van
€ 5.000,- per overtreding van het hiervoor onder I t/m VIII bepaalde, waarbij de verkoop van één Inbreukmakend Product heeft te gelden als één overtreding, alsmede
€ 1.000,- voor iedere dag (een gedeelte van een dag daaronder begrepen) dat deze overtreding voortduurt;

X. [gedaagde] beveelt binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis de boete van € 1.000,- met wettelijke rente aan L’Oréal te betalen op grond van schending van het bepaalde onder 1 van de door [gedaagde] afgegeven onthoudingsverklaring d.d. 20 september 2015;

XI. [gedaagde] veroordeelt aan L’Oréal de schade te vergoeden die zij geleden heeft en nog zal lijden als gevolg van de merk- en auteursrechtinbreuken door [gedaagde] en het onrechtmatige handelen, dit alles op te maken bij staat en te betalen overeenkomstig de wet, verhoogd met wettelijke rente vanaf de dag van betekening van deze dagvaarding tot de dag van volledige betaling en/of, naar keuze van L’Oréal, afdracht van de winst die [gedaagde] gemaakt heeft als gevolg van de betreffende handelingen, eveneens verhoogd met wettelijke rente vanaf de dag van betekening van deze dagvaarding, in ieder geval vanaf een nader door uw rechtbank te bepalen datum, tot aan de dag van volledige betaling;

XII. [gedaagde] beveelt binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis de kosten van € 900,- te vergoeden die L’Oréal heeft moeten maken in verband met het inschakelen van externe partijen (zijnde twee onderzoeksrapporten van REACT) voor het uitvoeren en onderzoeken van de testaankopen om de door [gedaagde] gepleegde inbreuken vast te stellen;

XIII. [gedaagde] op grond van artikel 1019h Rv veroordeelt de daadwerkelijk gemaakte proceskosten van L’Oréal te vergoeden, conform de overgelegde specificatie.

3.2.

Bij gelegenheid van de comparitie van partijen heeft L’Oréal uitdrukkelijk de in de dagvaarding ingenomen stelling dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door te
profiteren en bewust gebruik te maken van wanprestatie van (sub)afnemers uit het selectieve distributiestelsel van L’Oréal als grondslag voor de vorderingen laten vallen. L’Oréal voert thans nog het volgende aan.

3.3.

Voor zover [gedaagde] L’Oréal-parfums verkoopt, te koop aanbiedt, daartoe in
voorraad heeft of vervoert of laat vervoeren die buiten de Europese Economische Ruimte (EER) in het verkeer zijn gebracht, maakt hij inbreuk op de L’Oréal-merken in de zin van artikel 2.20 lid 1 onder a, b en c BVIE1 en artikel 9 lid 1 sub a, b en c GMVo2, nu hij daartoe geen toestemming heeft verkregen van L’Oréal. Voor zover de door [gedaagde] verhandelde L’Oréal-parfums door of met toestemming van L’Oréal in de EER in het verkeer zijn
gebracht, heeft L’Oréal op grond van artikel 2.23 lid 3 BVIE en 13 lid 2 GMVo gegronde reden zich daartegen te verzetten, nu de verpakkingen van de L’Oréal-parfums (vervolgens) ontdaan zijn van hun productcodes en daardoor zijn beschadigd, zodat de toestand van die luxueuze waren is gewijzigd of verslechterd nadat zij in het verkeer zijn gebracht, waardoor de kwaliteit van de producten is verslechterd en het sterke, luxueuze imago van de L’Oréal-merken wordt aangetast. Door de decodering en beschadiging van de L’Oréal-parfums wordt aldus afbreuk gedaan aan de herkomstgarantiefunctie en aan de kwaliteitsgarantiefunctie van de L’Oréal-merken. Daarnaast is het decoderen, althans het verkopen van
gedecodeerde producten onrechtmatig. [gedaagde] maakt door het aanbieden van aangetaste en gedecodeerde L’Oréal-producten ook inbreuk op persoonlijkheidsrechten van L’Oréal op de (verpakking van de) L’Oréal-parfums in de zin van artikel 25 lid 1 sub c en d van de
Auteurswet. Door de inbreuk en het onrechtmatig handelen lijdt L’Oréal schade, bestaande uit omzet- en winstderving, alsook reputatieschade, waarvoor [gedaagde] aansprakelijk is.

3.4.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer.

3.4.1.

Hij heeft tegen de gestelde merkinbreuk aangevoerd dat hij al zijn producten
betrekt bij Europese leveranciers en alleen die producten koopt die voor de Europese markt bestemd zijn, zodat hij er vanuit gaat dat de L’Oréal-parfums met toestemming van L’Oréal in de EER in het verkeer zijn gebracht. [gedaagde] heeft voorts niet zodanig zwaar beschadigde L’Oréal-parfums verhandeld dat L’Oréal een gegronde reden heeft zich daartegen te verzetten. Bij de door REACT onderzochte verpakkingen gaat het om lichte beschadigingen en om punten die geen beschadiging als zodanig opleveren, waardoor geen afbreuk wordt gedaan aan het imago of de reputatie van de L’Oréal-merken. Het is bovendien maar de vraag of de hoge maatstaf die voor luxeartikelen geldt nog steeds zou moeten gelden voor parfums, omdat inmiddels voor elke prijsklasse een parfum beschikbaar is. [gedaagde] had als kleine ondernemer geen idee dat hij geen gedecodeerde producten mocht verkopen en
bovendien was het voor hem niet duidelijk welke en hoeveel van de door hem aangekochte L’Oréal-parfums gedecodeerd waren. Om alle discussie kort te sluiten, heeft [gedaagde] een eenzijdige onthoudingsverklaring opgesteld, zodat L’Oréal geen zorgen meer behoefde te hebben over de verkoop door hem van gedecodeerde en/of beschadigde producten. Deze verklaring brengt mee dat L’Oréal geen belang meer heeft bij haar op dit punt ingestelde vorderingen, althans ontbreekt het haar aan een geldige reden zich te verzetten tegen de
verhandeling van de L’Oréal-parfums door [gedaagde] . Het enkele en ondanks de door
gedane inspanningen (om de gedecodeerde L’Oréal-parfums uit zijn voorraad te verwijderen en te mijden) daags na de getekende onthoudingsverklaring bij [gedaagde]
aangetroffen gedecodeerde L’Oréal-parfum rechtvaardigt toewijzing van de vorderingen niet.

3.4.2.

Verder heeft [gedaagde] betwist dat sprake is van auteursrechtinbreuk en heeft hij verweer gevoerd tegen een aantal specifieke vorderingen.

3.4.3.

Bij gelegenheid van de comparitie van partijen heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat L’Oréal niet de houdster of (proces)gevolmachtigde is van de door haar
ingeroepen merken, zodat haar de vorderingen die op de L’Oréal-merken zijn gebaseerd
dienen te worden ontzegd.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.

Voor zover de vorderingen zijn ingesteld ter zake van gestelde inbreuk op Gemeenschapsmerken (thans: Uniemerken), is de rechtbank bevoegd daarvan kennis te nemen op grond van artikel 95 lid 1, 96 aanhef en onder a en 97 lid 1 jo. 98 lid 1 aanhef en onder a van de Uniemerkenverordening (UMVo)3 in combinatie met artikel 3 van de Uitvoeringswet EG-verordening inzake het Gemeenschapsmerk. Voor zover de vorderingen zijn ingesteld ter zake van gestelde inbreuk op Internationale merken met gelding in de Benelux is deze rechtbank internationaal bevoegd daarvan kennis te nemen op grond van artikel 4.6 lid 1 BVIE. De rechtbank is op grond van laatstgenoemd artikel ook relatief bevoegd omdat de gestelde inbreuk (ook) in het arrondissement Den Haag plaatsvindt. Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op andere gronden is deze rechtbank bevoegd reeds omdat de bevoegdheid niet is bestreden.

Procesvolmachten

4.2.

In reactie op het voor het eerst ter comparitie van partijen door [gedaagde] gevoerde verweer dat L’Oréal geen houdster is van de door haar ingeroepen merken en ten aanzien van die merken ook geen (proces)volmacht heeft, heeft L’Oréal onder de stelling dat zij van alle merkhouders van de L’Oréal-merken een procesvolmacht heeft gekregen, van wie de houders van de merken CACHAREL, DIESEL, GUY LAROCHE, LANCÔME, RALPH LAUREN, VIKTOR & ROLF en YVES SAINT LAURENT dat ten aanzien van deze
procedure reeds schriftelijk zouden hebben bevestigd, een bundeltje op schrift gezette en door de betreffende merkhouders ondertekende procesvolmachten overgelegd. Daarbij
geven de merkhouders L’Oréal de bevoegdheid voor eigen rekening en risico al hetgeen te doen wat nodig is om in Nederland de L’Oréal-merken te handhaven onder meer jegens [gedaagde] . Met uitzondering van het merk CACHAREL is van alle gestelde procesvolmachten een schriftelijk exemplaar in het door L’Oréal overgelegde bundeltje aangetroffen.
Volgens afspraak is ter bevestiging van het bestaan van de procesvolmacht voor het merk GIORGIO ARMANI na de zitting een ondertekende procesvolmacht van die merkhouder overgelegd. L’Oréal heeft aldus het bestaan van de gestelde procesvolmachten voor nagenoeg alle L’Oréal-merken onderbouwd met een schriftelijke volmacht.

4.3.

Na de beslissing van de rechtbank van 9 februari 2016 (zie 1.2) om na de comparitie van partijen overgelegde stukken en een nadien in brieven gevoerd debat buiten beschouwing te laten voor zover die stukken en dat debat niet in lijn zijn met de ter comparitie van partijen gemaakte afspraken, hebben beide partijen nog schriftelijk gereageerd op het buiten hun aanwezigheid opgemaakte proces-verbaal van de zitting. [gedaagde] heeft bij die gelegenheid aandacht gevraagd voor zijn na de comparitie van partijen geleverde commentaar op de door L’Oréal overgelegde schriftelijke procesvolmachten, inhoudende dat deze schriftelijke volmachten vanwege de datum van ondertekening (na dagvaarding) en de inhoud daarvan geen onderbouwing vormen voor de stelling van L’Oréal dat zij reeds op de datum van
dagvaarding gevolmachtigd was. Met die schriftelijke procesvolmachten zou volgens
voor het eerst en dus te laat door de betreffende merkhouders aan L’Oréal een
procesvolmacht worden verleend. [gedaagde] wijst er daarbij ook op dat de Hoge Raad
herhaaldelijk heeft geoordeeld dat de hoedanigheid van een procespartij niet hangende de procedure kan worden gewijzigd. De rechtbank gaat aan dit betoog van [gedaagde] voorbij en wel om de volgende redenen.

4.4.

Al bij dagvaarding heeft L’Oréal gesteld dat zij als (houdster of) gevolmachtigde van de verschillende merkhouders optreedt, zodat niet gezegd kan worden dat met de na de datum van dagvaarding ondertekende volmachten haar hoedanigheid gedurende de procedure van kleur is verschoten. Het feit dat die schriftelijke procesvolmachten zo zijn
verwoord dat een letterlijke uitleg van de tekst daarvan zou kunnen zijn dat per datum van ondertekening van het betreffende stuk, dus na de datum van dagvaarding, of zelfs na de
datum van de comparitie van partijen, een volmacht aan L’Oréal wordt verstrekt, doet er niet aan af dat die als bevestiging kunnen dienen voor de al van meet af aan door L’Oréal ingenomen stelling dat zij voor de merkhouders als procesgevolmachtigde optreedt. Uit die ondertekende volmachten blijkt immers de wil van de merkhouders om de bevoegdheid voor het handhaven van de L’Oréal-merken in Nederland aan L’Oréal te laten, terwijl voor het bestaan van een procesvolmacht geen voorwaarde is dat die op schrift is gesteld.
[gedaagde] is ook zelf van het bestaan van die bevoegdheid van L’Oréal uitgegaan, nu hij
jegens haar een onthoudingsverklaring heeft ondertekend en zonder voorbehoud daags voor de comparitie van partijen aan haar de boete van € 1.000,- wegens overtreding van de onthoudingsverklaring heeft betaald.

4.5.

Hoewel geen schriftelijke bevestiging van de gestelde (mondelinge) procesvolmacht ten aanzien van het merk CACHAREL in het ter zitting door L’Oréal overgelegde bundeltje is aangetroffen, is het bestaan van die procesvolmacht door [gedaagde] in hetgeen hij na de comparitie van partijen over de procesvolmachten heeft aangevoerd niet afzonderlijk bestreden. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het schriftelijke exemplaar daarvan per abuis niet is overgelegd of bij de rechtbank zoek is geraakt en dat L’Oréal op dezelfde wijze als bij de andere L’Oréal-merken ook door CACHAREL is gevolmachtigd.

4.6.

Nu de rechtbank in zoverre nog acht heeft geslagen op de na de comparitie van
partijen tussen partijen gevoerde correspondentie, in elk geval wat het de standpunten van [gedaagde] over de procesvolmachten betreft, komt zij niet toe aan het verzoek van [gedaagde] (bij brief van 23 februari 2016) tot het nemen van een nadere akte op dit punt.

Merkinbreuk

4.7.

L’Oréal heeft bij dagvaarding mede aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat [gedaagde] inbreuk maakt op haar merkrechten door de parallelimport van L’Oréal-parfums die buiten de EER in het verkeer zijn gebracht zonder toestemming van L’Oréal, dus los van het decoderen of beschadigen van die producten. Na betwisting hiervan door [gedaagde] , heeft L’Oréal zich daar echter niet meer op beroepen. Ter comparitie van partijen heeft L’Oréal alleen nog gesproken over gedecodeerde en beschadigde producten. Of hieruit moet worden geconcludeerd dat L’Oréal eerstgenoemde grondslag heeft prijsgegeven, kan in het midden blijven, nu L’Oréal – als er met [gedaagde] en volgens het alternatieve standpunt van L’Oréal vanuit wordt gegaan dat de merkrechten van L’Oréal ten aanzien van de betreffende originele L’Oréal-parfums (aanvankelijk) zijn uitgeput – op grond van artikel 2.23 lid 3 BVIE en 13 lid 2 GMVo een gegronde reden heeft zich tegen verdere verhandeling te verzetten, om de navolgende redenen.

4.8.

Vast staat dat de in opdracht van L’Oréal bij [gedaagde] verrichte proefaankopen hebben aangetoond dat [gedaagde] verpakkingen met L’Oréal-parfums heeft verkocht en
geleverd waarvan de productcodes zijn verwijderd, gewijzigd, vervangen of onzichtbaar
gemaakt (dat verwijderen, wijzigen, vervangen of onzichtbaar maken van die productcodes hierna ook: ‘decoderen’ genoemd), waardoor die verpakkingen in meer of mindere mate zijn beschadigd.

4.9.

De rechtbank verwerpt de stelling van L’Oréal voor zover die inhoudt dat het
enkele ontbreken van de productcodes op de verpakking de herkomstgarantiefunctie van de L’Oréal-merken aantast en daarom reeds een gegronde reden voor verzet tegen verdere
verhandeling oplevert in de zin van artikel 2.23 lid 3 BVIE en artikel 13 lid 2 UMVo.
Volgens vaste rechtspraak kan een merkhouder zich immers niet zonder meer met een
beroep op zijn merkrecht ertegen verzetten dat producten die door hem binnen de EER in het verkeer zijn gebracht en waarop door hemzelf zijn merk is aangebracht, door een derde worden gedecodeerd, nu daarmee niet in alle gevallen afbreuk wordt gedaan aan de functie van een merk dat aan de consument of eindverbruiker de identiteit van oorsprong van het merkproduct wordt gewaarborgd.4 L’Oréal heeft niet gemotiveerd gesteld dat in het
onderhavige geval het decoderen niet aan de door de rechtspraak ontwikkelde vereisten voor ompakking voldoet.

4.10.

Dat ligt anders voor de door het decoderen veroorzaakte beschadigingen aan de (verpakking – doosjes en cellofaanomhulsel – van de) L’Oréal-parfums. L’Oréal heeft te dien aanzien onder verwijzing naar de rapporten van REACT gemotiveerd gesteld dat die beschadigingen van dien aard zijn dat sprake is van wijzigingen die de kwaliteit van de luxueuze L’Oréal-parfums in negatieve zin beïnvloeden en waardoor het luxe/prestigieuze imago van de L’Oréal-merken wordt aangetast. De rechtbank verwerpt het daartegen
gerichte betoog van [gedaagde] .

4.11.

In de door [gedaagde] opgeworpen vraag of de hoge maatstaf die voor luxeartikelen geldt ( [gedaagde] wijst daarbij op een overweging van het Hof van Justitie EG in het arrest van 4 november 1997 in de zaak Dior v Evora) nog steeds zou moeten gelden voor parfums, omdat inmiddels voor elke prijsklasse een parfum beschikbaar is, leest de rechtbank geen betwisting van de stelling van L’Oréal dat de L’Oréal-parfums luxe producten zijn en de L’Oréal-merken in het bezit zijn van een luxe/prestigieus imago, zodat daarvan zal worden uitgegaan.

4.12.

De foto’s bij de rapporten van REACT tonen onder meer als beschadigingen van en wijzigingen aan de verpakking van L’Oréal-parfums gescheurd karton, uit de binnenzijde gesneden repen karton waardoor witte stroken overblijven, alsook geopend, beschadigd en slordig dichtgeplakt cellofaanomhulsel en geheel verwijderd (en door een plastic zak
vervangen) cellofaanomhulsel. Voorts is bij sommige producten zichtbaar dat de oorspronkelijke barcodestickers zijn afgeplakt met stickers voorzien van een andere code. L’Oréal heeft ook nog door haarzelf gemaakte afbeeldingen van het door REACT aangeschafte
parfum ‘LA NUIT DE L’HOMME’ van YVES SAINT LAURENT in de pleitnota gevoegd van beschadigingen aan het karton:

4.13.

Naar het oordeel van de rechtbank zal de consument met name beschadigingen en wijzigingen als uitsnijdingen, scheuren, alsmede beschadigd, verwijderd en slordig aangebracht cellofaan reeds bij ontvangst, en anders gelijk na aankoop (na het openen van de
verpakking) kunnen waarnemen. De rechtbank acht met name die beschadigingen en
wijzigingen van dien aard dat daarmee de toestand van de betreffende L’Oréal-parfums is gewijzigd en/of verslechterd zodanig dat voor de consument het luxe/prestigieus imago en daarmee de kwaliteitsgarantiefunctie van de L’Oréal-merken wordt aangetast.

4.14.

Nu [gedaagde] verder niet heeft weersproken dat het ontstaan van (één of meer van) dergelijke wijzigingen en/of beschadigingen inherent is aan het decoderen van dit soort
parfumverpakkingen (door de methode daarvan), zoals L’Oréal heeft gesteld, kan er in deze procedure vanuit worden gegaan dat L’Oréal een gegronde reden heeft zich te verzetten tegen verhandeling van de gedecodeerde L’Oréal-parfums. Dat niet bij elke
verpakking die beschadigingen/wijzigingen zonder (opnieuw) openen van het cellofaanomhulsel en/of het karton voor een handelaar als [gedaagde] (makkelijk) zichtbaar zouden zijn, maakt dat niet anders.

4.15.

Dat de beschadigingen niet aan [gedaagde] kunnen worden toegerekend nu [gedaagde] de producten in (niet altijd direct/gemakkelijk zichtbaar) gedecodeerde toestand van zijn
leveranciers zou ontvangen, zoals hij heeft gesteld, is – voor zover al juist – mogelijk van belang in verhouding tot zijn leveranciers, maar kan niet worden tegengeworpen aan L’Oréal nu toerekenbaarheid geen vereiste is voor merkinbreuk. Voor zover [gedaagde]
genoemd gebrek aan toerekenbaarheid als verweer voert in het kader van de vordering tot schadevergoeding zal dat verweer in een eventuele schadestaatprocedure aan de orde
kunnen komen. Overigens geldt dat de handeling van [gedaagde] die volgens L’Oréal onrechtmatig is (en schade veroorzaakt) niet het decoderen of beschadigen als zodanig is, maar het verder verhandelen van door decodering beschadigde producten. [gedaagde] heeft niet betwist dat die verdere verhandeling aan hem moet worden toegerekend.

4.16.

Het voorgaande brengt mee dat [gedaagde] zich ten aanzien van de door hem verhandelde gedecodeerde L’Oréal-parfums niet op uitputting kan beroepen, en dat hij daarom
inbreuk heeft gemaakt op de L’Oréal-merken. De vorderingen die daarop zijn gebaseerd zijn dus in beginsel toewijsbaar.

4.17.

Alle vorderingen van L’Oréal zijn gebaseerd op verhandeling van L’Oréal-parfums met een beschadigde/gewijzigde verpakking. Een dergelijke verhandeling levert volgens L’Oréal naast merkinbreuk ook auteursrechtinbreuk en een onrechtmatige daad op. De
gevorderde verboden, alsmede de nevenvorderingen V – IX kunnen echter alle worden
gebaseerd op de geconstateerde merkinbreuk. Wat betreft vordering XI (schadevergoeding/winstafdracht) geldt dat niet is gesteld of gebleken dat de geleden schade of gederfde winst in verband met de gestelde auteursrechtinbreuk meer of anders behelst dan de schade of winstafdracht in verband met de merkinbreuk. Hetzelfde geldt voor de schade als gevolg van de gestelde onrechtmatige daad. Gelet hierop valt niet in te zien welk separaat belang L’Oréal nog heeft bij onderzoek van de auteursrechtelijke grondslag en de onrechtmatige daad.

Onthoudingsverklaring

4.18.

Het verweer van [gedaagde] dat (een deel van) de vorderingen van L’Oréal al niet voor toewijzing in aanmerking kunnen komen omdat [gedaagde] een onthoudingsverklaring heeft ondertekend en L’Oréal daarom geen belang meer heeft bij die vorderingen, wordt verworpen. Vast staat dat na het ondertekenen van de onthoudingsverklaring door REACT bij [gedaagde] één L’Oréal-parfum is besteld dat net als twee van de drie eerder aangekochte L’Oréal-parfums gedecodeerd was en waarvan de verpakking beschadigd bleek te zijn (zie 2.6). Dat het daarbij zou gaan om een incident, zoals [gedaagde] heeft gesteld, blijkt nergens uit en doet er voorts niet aan af dat de onthoudingsverklaring niet is nageleefd. Nu [gedaagde] zich niet heeft gehouden aan zijn eigen onthoudingsverklaring, in combinatie met de stelling van [gedaagde] dat wijzigingen en/of beschadigingen voor hem zonder heropenen van de
verpakking moeilijk zichtbaar kunnen zijn, blijft een reële dreiging bestaan van herhaling van het inbreukmakende handelen, en behoudt L’Oréal dus in beginsel belang bij haar
vorderingen. In hoeverre die vorderingen toewijsbaar zijn, komt in het navolgende aan de orde.

Vorderingen

4.19.

Nu er vanuit is te gaan (zie hiervoor) dat bij alle L’Oréal-parfums waarvan de
verpakking is gedecodeerd, die verpakking (het karton en/of cellofaanomhulsel) in vorenbedoelde zin is beschadigd en/of gewijzigd, zal als “Inbreukmakend Product” volgens de
vorderingen worden beschouwd een L’Oréal-parfum in gedecodeerde verpakking, oftewel een “gedecodeerd L’Oréal-parfum”.

4.20.

L’Oréal heeft niet gesteld welk separaat belang zij heeft bij de gevorderde verklaringen voor recht (vordering I) naast toewijzing van de gevorderde verboden en nevenvorderingen. De gevorderde verklaringen zullen dus worden afgewezen.

4.21.

Gelet op r.o. 4.16 zal het onder II en IV gevorderde worden toegewezen als hierna te melden, met uitzondering van het in voorraad houden van gedecodeerde L’Oréal-parfums nu de artikelen 2.23 lid 3 BVIE /13 lid 2 UMVo slechts zien op het verder verhandelen van gewijzigde waren, en met dien verstande dat die vorderingen zullen worden samengevoegd tot één verbod. Dat [gedaagde] niet aan het verbod zou kunnen voldoen omdat zonder het
(opnieuw) verwijderen van het cellofaanomhulsel en/of de kartonnen verpakking niet of nauwelijks te zien (of te voelen) zou zijn of een product gedecodeerd is, zoals [gedaagde]
suggereert, wordt gelet op de aard en omvang van de bij de gedane aankopen geconstateerde wijzigingen/beschadigingen, alsook de stelling van [gedaagde] bij de comparitie van partijen, verworpen. Tijdens de zitting is van de zijde van [gedaagde] immers verklaard dat in elk geval aan de verdikking in de barcodesticker is vast te stellen dat een parfumverpakking gedecodeerd is.

4.22.

Verbodsvordering III wordt afgewezen nu het verweer van [gedaagde] dat hij die handelingen niet verricht niet door L’Oréal is bestreden.

4.23.

[gedaagde] heeft vordering V (opgave) bestreden met het argument dat een afweging van het belang van [gedaagde] om de namen van zijn leveranciers niet te verstrekken (onderdelen a. en d.) zwaarder moet wegen dan het belang van L’Oréal bij toewijzing hiervan nu L’Oréal over deze informatie al op andere wijze beschikt of kan beschikken. Ook verzet [gedaagde] zich tegen het bevel om de aantallen door hem verkochte gedecodeerde L’Oréal-parfums te verstrekken (onderdelen b. en c.) omdat in zijn administratie niet is aangegeven welke producten zijn gedecodeerd. Hij zou niet tot het onmogelijke kunnen worden veroordeeld.

4.24.

L’Oréal heeft ten aanzien van de namen van de leveranciers onweersproken gesteld dat zij van gedecodeerde producten niet zelf de leverancier kan achterhalen omdat daar nu juist de (verwijderde) productcodes op de verpakking voor nodig zijn. Nu [gedaagde] zijn
belang bij het niet verstrekken van genoemde informatie niet (nader) heeft onderbouwd, oordeelt de rechtbank dat het belang van L’Oréal aanleiding geeft tot toewijzing van de
vordering voor wat betreft dat onderdeel. L’Oréal heeft verder met argumenten weersproken dat het onmogelijk voor [gedaagde] zou zijn om gegevens betreffende gedecodeerde
producten uit zijn administratie te halen. [gedaagde] zou bijvoorbeeld op het woord ‘decoded’ (of vergelijkbare woorden) op facturen kunnen zoeken, hij zou zijn leveranciers om deze
informatie kunnen vragen, of via batch-nummers gedecodeerde partijen kunnen achterhalen. Nu dit door [gedaagde] niet is betwist, gaat de rechtbank ervan uit dat deze mogelijkheden door [gedaagde] kunnen worden benut om ook aan vordering V voor wat betreft die
onderdelen te voldoen. Omwille van de praktische uitvoerbaarheid wordt de termijn voor opgave bepaald op twee maanden.

4.25.

De door L’Oréal gevorderde certificatie van de opgave door een registeraccountant vormt een opdracht voor het geven van een vorm van assurance door een registeraccountant. De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat een registeraccountant, zeker als die
accountant niet de huisaccountant is, die assurance niet kan geven. Toewijzing van het
gevorderde leidt derhalve gemakkelijk tot executieproblemen (vergelijk arresten van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch in de zaak Stichting Pictoright / Art & Allposters International B.V.: onder meer ECLI:NL:GHSHE:2012:BX8701, ECLI:NL:GHSHE:2013:3019 en met name ECLI:NL:GHSHE:2014:809). Een minder ver strekkende opdracht tot het maken van een “rapport van feitelijke bevindingen”, zoals door gerechtshof ’s-Hertogenbosch voorgestaan (vergelijk ECLI:NL:GHSHE:2014:809 onder r.o. 13.10.5), biedt naar het
oordeel van de rechtbank de merkhouder geen extra zekerheid ten aanzien van de juistheid van de opgave, omdat de accountant daarin kennelijk volgens zijn gedragsregels geen
conclusies mag trekken. De accountant kan niet verklaren dat de opgave een getrouwe
weergave van de werkelijkheid vormt en/of dat er geen aanwijzingen zijn dat de opgave
onjuist of onvolledig is. Gelet op de beperkte zekerheid die een rapport van feitelijke bevindingen de merkhouder zal bieden naast de op te leggen dwangsom, rechtvaardigt dat niet de aanzienlijke kosten die daarmee gemoeid zijn, althans heeft L’Oréal zulks niet inzichtelijk gemaakt. Om die reden zal de rechtbank de gevorderde accountantsverklaring niet toewijzen (vergelijk rechtbank Den Haag 2 juli 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:8293, inzake Fleurop / Topbloemen).

4.26.

Het gevorderde terugroepbevel, de rectificatie en vernietiging (vorderingen VI, VII en VIII) worden toegewezen als hierna te bepalen. Ondanks dat de artikelen 2.23 lid 3 BVIE /13 lid 2 UMVo slechts zien op het verder verhandelen van gewijzigde waren, zal [gedaagde] de bij hem in voorraad zijnde gedecodeerde L’Oréal-parfums dienen te vernietigen, nu
aangenomen moet worden dat deze parfums bestemd zijn voor die verhandeling. De stelling van [gedaagde] dat deze maatregelen te ver gaan voor een eenmalige schending van de
onthoudingsverklaring miskent dat deze vorderingen gebaseerd zijn op de (voorafgaand aan de onthoudingsverklaring) geconstateerde inbreuken. Zijn stelling dat hij niet weet wie zijn professionele en particuliere afnemers zijn, heeft [gedaagde] op geen enkele manier concreet gemaakt. Daarbij ligt in de rede dat wanneer wordt gezocht op bedrijfsnamen, of afkortingen zoals “V.O.F.” of “B.V.” of op een KVK-inschrijvingsnummer wel degelijk een
selectie op professionele afnemers kan worden gemaakt.

4.27.

De dwangsommen (vordering IX) zullen mede in het licht van de bezwaren van [gedaagde] en gelet op mogelijke executieproblemen, worden gematigd en gemaximeerd als in het dictum te bepalen.

4.28.

Nu daaraan reeds is voldaan zal vordering X tot betaling van de boete van € 1.000,- wegens schending van de onthoudingsverklaring worden afgewezen.

4.29.

Dat L’Oréal door het handelen van [gedaagde] mogelijk enige schade heeft geleden, is door [gedaagde] niet gemotiveerd bestreden. Het verweer dat de eenmalig verbeurde boete van € 1.000,- (wegens een enkele inbreuk) de schade als gevolg van alle inbreuken zou
dekken, zoals [gedaagde] stelt, wordt verworpen, nu is geoordeeld dat het aantal inbreuken groter is. De vordering tot het vergoeden van de schade op te maken bij staat zal daarom worden toegewezen. [gedaagde] heeft de vordering tot afdracht van de met de inbreuk genoten winst niet afzonderlijk bestreden, zodat deze zal worden toegewezen. Winstafdracht en schadevergoeding kunnen slechts cumuleren voor zover de schadevergoeding geen betrekking heeft op de door L’Oréal gederfde winst.

Onderzoekskosten (vordering XII) en proceskosten (vordering XIII)

4.30.

L’Oréal heeft bij eiswijziging na conclusie van antwoord ervoor gekozen een
separate vordering in te stellen tot vergoeding van de kosten van opsporing van de inbreuk. Nu L’Oréal heeft verzuimd aan te geven wat de grondslag voor die (door [gedaagde] betwiste) vordering is, zal die vordering worden afgewezen.

4.31.

Als de in hoofdzaak in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] worden veroordeeld in de kosten van het geding. L’Oréal vordert ter zake een bedrag van € 12.405,50 (inclusief verschotten) waarvan € 11.792,20 honorarium (€ 5.920 + € 5.205, plus 6% kantoorkosten). [gedaagde] bestrijdt de hoogte van dit bedrag. Volgens [gedaagde] kunnen alleen de kosten gemaakt na de conclusie van antwoord voor vergoeding in aanmerking komen nu L’Oréal haar grondslag voor de eis daarna drastisch heeft gewijzigd zodat de kosten die vóór dat moment gemaakt zijn niet (langer) redelijk en evenredig zijn in de zin van artikel 1019h Rv. [gedaagde] heeft gesteld dat sprake is van een eenvoudige zaak in de zin van de Indicatietarieven. De rechtbank oordeelt daarover als volgt.

4.32.

L’Oréal heeft niet aangegeven welk deel van haar proceskosten is toe te schrijven aan de IE-grondslagen (merkinbreuk en auteursrechtinbreuk) en welk deel aan de onrechtmatige daad, waarvoor artikel 1019h Rv niet geldt. Afgaand op de dagvaarding schat de rechtbank het deel dat kan worden toegeschreven aan de IE-grondslagen in op 75%, terwijl 25% volgens het liquidatietarief zal worden begroot, waardoor van de gevorderde proceskosten een bedrag van € 9.304,13 (0,75 x € 12.405,50) zou resteren voor het IE-gedeelte van de zaak.

4.33.

Nu [gedaagde] bezwaar heeft gemaakt tegen de hoogte van de door L’Oréal opgevoerde kosten, zal de rechtbank de kosten aan de zijde van L’Oréal voor het IE-gedeelte van deze zaak met toepassing van de indicatietarieven voor IE-zaken begroten. Nu de zaak in wezen gaat om gedecodeerde en (daardoor) beschadigde parfums van een aantal L’Oréal-merken is de rechtbank met [gedaagde] van oordeel dat de voorliggende zaak (uiteindelijk) eenvoudig is in de zin van de IE-Indicatietarieven. De rechtbank zal het honorarium van het IE-gedeelte derhalve matigen tot een bedrag - conform de IE-Indicatietarieven - van € 8.000,-. Het salaris voor het deel van de proceskosten dat is gebaseerd op onrechtmatige daad wordt begroot op 0,25 x 2 punten à € 452,00 = € 226,00.

4.34.

Een en ander brengt mee dat een bedrag van € 8.000,- + € 226,00 + € 613,00 (griffierecht) en € 84,47 (dagvaardingskosten), oftewel in totaal een bedrag van € 8.923,47, zal worden toegewezen aan proceskosten.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

beveelt [gedaagde] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis iedere inbreuk op de L’Oréal-merken te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder door het verhandelen van gedecodeerde L’Oréal-parfums;

5.2.

beveelt [gedaagde] binnen twee (2) maanden na betekening van dit vonnis op eigen kosten aan de advocaat van L’Oréal een schriftelijke opgave te doen toekomen (met aangehecht relevante kopieën van facturen, (bank)afschriften en andere documenten) waaruit, voor zo ver mogelijk, het volgende blijkt:

  1. het aantal gedecodeerde L’Oréal-parfums dat [gedaagde] van zijn toeleveranciers heeft gekocht en/of geleverd gekregen, dan wel voor derden onder zich heeft (uitgesplitst per merk en per toeleverancier);

  2. het aantal gedecodeerde L’Oréal-parfums dat [gedaagde] aan consumenten heeft verkocht en/of geleverd (uitgesplitst per L’Oréal-merk);

  3. het aantal gedecodeerde L’Oréal-parfums dat [gedaagde] aan professionele afnemers (niet zijnde consumenten) heeft verkocht en/of geleverd (uitgesplitst per L’Oréal-merk en per handelaar, webwinkel en importeur);

  4. e namen, adressen en alle contactgegevens van de leveranciers en wederverkopers van wie [gedaagde] in de afgelopen 36 maanden gedecodeerde L’Oréal-parfums heeft gekocht en/of geleverd gekregen inclusief alle bijbehorende facturen en documenten ten aanzien van deze leveranciers en wederverkopers met betrekking tot de aankoop, betaling en levering van die L’Oréal-parfums in deze periode;

  5. de namen, adressen en alle contactgegevens van de professionele afnemers (niet zijnde consumenten) aan wie [gedaagde] gedecodeerde L’Oréal-parfums heeft verkocht en/of heeft geleverd;

  6. de periode waarin [gedaagde] gedecodeerde L’Oréal-parfums heeft gekocht, verkocht en geleverd (gekregen);

  7. het aantal gedecodeerde L’Oréal-parfums die [gedaagde] op de datum van deze opgave nog in voorraad heeft;

  8. de in- en verkoopprijs van de gedecodeerde L’Oréal-parfums uitgesplitst per L’Oréal-merk alsmede een gedetailleerde opgave van de door [gedaagde] als gevolg van de inbreukmakende handelingen genoten winst, uitgesplitst per L’Oréal-merk;

5.3.

beveelt [gedaagde] binnen zeven (7) dagen na betekening van dit vonnis zijn professionele afnemers te benaderen en hen te verzoeken gedecodeerde L’Oréal-parfums terug te sturen aan [gedaagde] , onder verzending van kopieën van de relevante correspondentie aan de advocaat van L’Oréal;

5.4.

beveelt [gedaagde] om op zijn website gekoppeld aan de domeinnaam parfumlux.nl, centraal bovenaan op de homepage in lettertype Arial, twaalf punts, in zwarte letters op een witte achtergrond, ter grootte van ¼ van de homepage, met als titel “BELANGRIJKE MEDEDELING”, en daaronder uitsluitend de navolgende tekst op te nemen en deze daar drie (3) maanden geplaatst te houden:

‘Parfumlux maakt inbreuk op rechten L’Oréal

Bij vonnis d.d. 12 oktober 2016 heeft de rechtbank Den Haag geoordeeld dat wij inbreuk hebben gemaakt op de (intellectuele eigendoms)rechten van L’Oréal, doordat wij diverse door decodering beschadigde en/of gewijzigde parfumverpakkingen van een aantal merken van L’Oréal hebben verhandeld. De rechtbank Den Haag heeft ons bevolen niet langer parfums van die merken waarvan de verpakking (karton en/of cellofaanomhulsel) door decodering beschadigd en/of gewijzigd is geraakt aan u te verkopen.

Mocht u na 20 september 2015 een parfumproduct van één van de volgende merken: Cacharel, Diesel, Giorgio Armani, Guy Laroche, Lancôme, Ralph Lauren, Viktor & Rolf en Yves Saint Laurent, bij ons hebben gekocht dan verzoeken wij u direct de binnenkant en buitenkant van de verpakking nauwkeurig na te kijken. Indien de originele streepjescodes aan de binnen- of buitenzijde van de verpakking zijn weggesneden dan zal er sprake zijn van een beschadigd product. U kunt dit parfum met verpakking en aankoopbewijs aan ons retourneren. Wij vergoeden vanzelfsprekend het volledige aankoopbedrag en de verzendkosten.

Onze excuses voor het eventuele ongemak.

De directie.’

5.5.

beveelt [gedaagde] de gedecodeerde L’Oréal-parfums die hij nog op voorraad heeft, alsmede die hij heeft ontvangen als gevolg van de recall zoals bedoeld onder 5.3 en 5.4 hierboven, binnen 30 dagen en daarna nogmaals binnen drie (3) maanden na betekening van dit vonnis onder toezicht van een gerechtsdeurwaarder te laten vernietigen en van beide vernietigingen een proces-verbaal van constatering (met foto’s) te laten opstellen dat binnen drie (3) dagen aan de advocaten van L’Oréal zal worden gestuurd;

5.6.

veroordeelt [gedaagde] tot het betalen van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro) per overtreding van enig hiervoor gegeven bevel, waarbij de verkoop van één gedecodeerd L’Oréal-parfum heeft te gelden als één overtreding, alsmede € 1.000,- (zegge: duizend euro) voor iedere dag (een gedeelte van een dag daaronder begrepen) dat deze overtreding voortduurt, met een algeheel maximum van € 50.000,-;

5.7.

veroordeelt [gedaagde] aan L’Oréal de schade te vergoeden die zij geleden heeft en nog zal lijden als gevolg van de merkinbreuk door [gedaagde] , op te maken bij staat en te betalen overeenkomstig de wet, verhoogd met wettelijke rente vanaf de dag van betekening van de dagvaarding tot de dag van volledige betaling en/of, naar keuze van L’Oréal, afdracht van de winst die [gedaagde] gemaakt heeft als gevolg van de betreffende handelingen, eveneens verhoogd met wettelijke rente vanaf de dag van betekening van de dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling;

5.8.

veroordeelt [gedaagde] tot vergoeding van de proceskosten, aan de zijde van L’Oréal tot op heden begroot op € 8.923,47;

5.9.

verklaart de voorgaande bevelen en veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.10.

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Knijff en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2016.

1 Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen).

2 Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Gemeenschapsmerk.

3 Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Gemeenschapsmerk zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/2424 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015. De inhoudelijke beoordeling van de gestelde inbreuk op de merken, die per datum dagvaarding nog Gemeenschapsmerken heetten en inmiddels Uniemerken heten, vindt ex nunc plaats op basis van de gewijzigde verordening.

4 Zie onder meer HvJ 11 november 1997, zaak C-349/95, NJ 1999, 216 (Loendersloot) en Hof Amsterdam 14 oktober 2004, NJ 2005, 122.