Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:12182

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
17-10-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 5116
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2017:66, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser schenkt een aantal voorwerpen, waaronder een tas, gemaakt van luipaardvel aan het tassenmuseum, een Anbi. Handel en verkoop van luipaardvel en voorwerpen daarvan gemaakt is verboden.

Eiser wenst de maximale giftenaftrek in aanmerking te nemen. Verweerder weigert deze aftrek.

De rechtbank oordeelt dat nu de handel in luipaardvel en voorwerpen daarvan vervaardigd, verboden is, deze geen (reguliere) verkoopwaarde en dus geen waarde in het economische verkeer hebben. De vervangingswaarde van € 31.000 die eiser voorstaat waarbij met een jachtvergunning een luipaardvel wordt bemachtigd waarvan vervolgens de voorwerpen zouden kunnen worden gemaakt, kan niet worden aangemerkt als een reële waarde in het economische verkeer van reeds bestaande en al tientallen jaren oude voorwerpen. Daarbij komt dat als het al mogelijk is om vergelijkbare voorwerpen te vervaardigen, er toch geen waarde in het economische verkeer aan kan worden toegekend omdat het ten enenmale verboden blijft deze voorwerpen te verkopen.

Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 6.39a, geldigheid: 2013-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2204
Mr. P.T. van Arnhem annotatie in NTFR 2016/2832

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 16/5116

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [kantoorplaats] , verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2014 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 11 mei 2016 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2016.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden [persoon 1] en [persoon 2] .

Overwegingen

Feiten

1. Aan eiser is overeenkomstig zijn aangifte een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2014 opgelegd naar een verzamelinkomen van € 55.119. Het inkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek (pga) bedraagt € 59.919.

2. In zijn bezwaar tegen deze aanslag claimt eiser alsnog aftrek voor een gift aan het Tassenmuseum te [vestigingsplaats] . De gift bestaat uit een aantal van luipaardvel vervaardigde voorwerpen, waaronder een tas. Eiser claimt een aftrek van het maximum bedrag van 1% van zijn inkomen vóór de pga te weten € 5.992, verhoogd met € 1.250 = € 7.242.

Geschil
3. In geschil is of verweerder terecht aftrek ter zake van deze schenking heeft geweigerd.

4. Eiser stelt dat zijn gift moet worden gewaardeerd op basis van de vervangingswaarde nu er geen verkoop- of marktwaarde meer bestaat van voorwerpen gemaakt van luipaardvel, omdat het om een bedreigde diersoort gaat waarin sinds 1975 in geen enkele vorm meer mag worden gehandeld. Dit is in overeenstemming met de “international valuation standards” en meer specifiek met de Guidance Note 5. Hij begroot de kosten voor verkrijging van een luipaardvel op ruim € 31.000. Eiser klaagt voorts over de bejegening door medewerkers van de belastingdienst en stelt dat er sprake is van misbruik van bevoegdheden, schending van de geheimhoudingsplicht, het ambtsgeheim en inbreuk op zijn privacy.

5. Verweerder stelt dat eiser de giftenaftrek niet aannemelijk heeft gemaakt, omdat voor de waarde van de gift moet worden aangesloten bij de waarde in het economische verkeer. Vanwege het verbod op handel in luipaardvel en producten daarvan is deze nihil en heeft aldus bij eiser door de gift geen verarming plaatsgevonden. Subsidiair stelt verweerder dat eiser de waarde van de geschonken goederen niet aannemelijk heeft gemaakt. De opgave van de waarde door het Tassenmuseum is niet overgelegd. Voor de mogelijke waarde op de zwarte markt verwijst verweerder naar een aanbieding van een jas gemaakt uit drie huiden voor € 2.500. Omdat de schenking voor de helft door eiser is gedaan, leidt deze benadering niet tot overschrijding van de toepasselijke drempel. Eisers schatting van de vervangingswaarde heeft geen relatie met de geschonken goederen. Tot slot merkt verweerder op dat eiser bij de verkrijging van de goederen uit de nalatenschap van zijn moeder hieraan geen waarde heeft toegekend in de aangifte erfbelasting.

Beoordeling van het geschil

6. Niet in geschil is dat eiser en zijn broer in september 2014 de tas en andere voorwerpen van luipaardvel aan het Tassenmuseum hebben geschonken en dat dit museum is aangemerkt als culturele Anbi als bedoeld in artikel 6.39a van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). Partijen verschillen slechts van mening over de waarde van de schenking.

7. Van Dijck en Van Vijfeijken (Instellingen van algemeen nut, Fed fiscale brochures, Kluwer: Deventer 2005, p. 104) schrijven over de waardering van een gift in natura:

“Het object van de schenking kan bestaan in geld maar ook in goederen: elke waarde die uit het vermogen van de belastingplichtige verdwijnt. Behoudens in art. 6.36 met betrekking tot de waardering van autokosten op basis van een forfait van 18 eurocent per kilometer vindt men in de wet niet een uitdrukkelijke regeling met betrekking tot de bepaling van de waarde die aan een gift in natura moet worden toegekend. Een probleem dat zich hierbij kan voordoen is dat de waarde die de schenker afstaat (aanzienlijk) kan afwijken (zowel positief als negatief) van de waarde die het verkregen goed voor de begiftigde heeft. Hoezeer het eigenlijk gaat om de verrijking van de ANBI, zal de gift in natura voor de inkomstenbelasting toch gewaardeerd moeten worden op de verarming die bij de schenker optreedt. (…). Er is geen twijfel dat de regeling van art. 3.144 (overeenkomstig art. 34 Wet IB 1964) naar analogie moet worden toegepast: de waarde in het economische verkeer. In aanmerking komt de verkoopwaarde: het bedrag dat de schenker bij vervreemding redelijkerwijs zou hebben kunnen bedingen.”

8. Omdat de handel in luipaardvel en in voorwerpen die daarvan zijn vervaardigd, verboden is, hebben deze geen (reguliere) verkoopwaarde. Dat er geen marktwaarde hiervoor is blijkt ook uit de door eiser overgelegde email van de zaakvoerder [persoon 3] van 28 maart 2015, waarin dit met zoveel woorden wordt gezegd. Eiser op wie in deze de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat de voorwerpen wel een waarde in het economische verkeer hebben, is daar naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd. De vervangingswaarde die eiser voorstaat waarbij met een jachtvergunning een luipaardvel wordt bemachtigd waarvan vervolgens de voorwerpen zouden kunnen worden gemaakt, kan niet worden aangemerkt als een reële waarde in het economische verkeer van reeds bestaande en al tientallen jaren oude voorwerpen. Daarbij komt dat, voor zover dit al mogelijk zou zijn, aan deze voorwerpen toch geen waarde in het economische verkeer kan worden toegekend omdat het ten enenmale verboden blijft deze voorwerpen te verkopen. Zo de waarde voor de begiftigde al in aanmerking zou kunnen worden genomen, helpt dit eiser evenmin. Naar ter zitting is gesteld, heeft het Tassenmuseum aan de voorwerpen schattenderwijs een waarde toegekend van € 850. Omdat eiser de schenking samen met zijn broer heeft gedaan, zou bij een dergelijke waarde de van toepassing zijnde drempel voor giftenaftrek niet worden overschreden. De overige grieven van eiser zien op de door hem ingediende klacht die, naar de rechtbank begrijpt, inmiddels is afgehandeld en behoeven hier geen behandeling.

9. Nu er geen voldoende verarming bij eiser heeft plaatsgevonden, is het beroep ongegrond.

Proceskosten

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. van Rij, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C. Stroebel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.