Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:12163

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-05-2016
Datum publicatie
11-10-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 295
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bestuurllijke boete opgelegd ivm niet onverwijld melden van beëindiging van de exploitatie van een voorziening voor gastouderopvang, 5:51 Awb, artikel 6 EVRM

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 5:51, geldigheid: 2009-07-01
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 6, geldigheid: 1998-11-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR AWB 16/295

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 mei 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. T. van der Weijde),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigden: mr. T.I.A. van Wilden en mr. S. van Gent).

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder een bestuurlijke boete van € 1900,- opgelegd aan eiseres in verband met het niet-onverwijld melden van een wijziging, te weten het beëindigen van de exploitatie van een voorziening voor gastouderopvang.

Bij besluit van 2 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen door eiseres ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2016.

Eiseres is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Verweerder heeft aan het boetebesluit ten grondslag gelegd dat eiseres niet onverwijld aan verweerder gemeld heeft dat gastouder [persoon] haar voorziening van gastouderopvang aan de [adres] niet langer exploiteerde en dat eiseres aldus in strijd heeft gehandeld met artikel 1:47, eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wko).

2 Ingevolge artikel 1.47, Wko – voor zover hier van belang – doet de houder van een gastouderbureau aan het college van burgemeester en wethouders onverwijld mededeling van een wijziging in de gegevens die daartoe bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden aangewezen. Ter uitvoering hiervan strekt het Besluit registers kinderopvang en peuterspeelzaalwerk (hierna: Brkp).

3 Op grond van artikel 1.72, eerste lid, van de Wko, kan het college van burgemeester en wethouders de houder van een gastouderbureau die een verplichting als bedoeld in artikel 1.47 van de Wko niet nakomt, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45.000,--.

4 Volgens de Beleidsregels handhaving kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen gemeente Den Haag 2013 (hierna: de Beleidsregels 2013) staat op overtreding van artikel 1.47, eerste lid, van de Wko in beginsel een bestuurlijke boete van € 2.000,-. In de beleidsregels zijn verder boeteverhogende en boeteverlagende omstandigheden geformuleerd. De rechtbank acht dit beleid in beginsel niet onredelijk.

5 Eiseres voert aan dat voor het opleggen van de boete geen bevoegdheid meer bestond omdat de boete niet binnen 13 weken na opmaking van het boeterapport is opgelegd. Eiseres verwijst daarbij naar artikel 5:51 van de Awb, artikel 6, eerste lid van het EVRM en het rechtszekerheidsbeginsel. Eiseres voert voorts aan dat haar niet kan worden verweten dat zij de wijziging niet tijdig heeft doorgegeven, omdat het wijzigingsformulier voor een melding pas bij verweerder kan worden ingediend indien dat is voorzien van een handtekening van de gastouder. Eiseres kon de handtekening van de gastouder echter niet eerder krijgen. Door gebrek aan medewerking van de gastouder heeft eiseres het formulier niet eerder kunnen indienen, zodat haar daarvan geen verwijt valt te maken. Voorts is de opgelegde boete volgens eiseres onevenredig hoog en zou deze minstens met de helft dienen te worden gematigd.

6.1

Niet in geschil is dat eiseres artikel 1:47, eerste lid, van de Wko heeft overtreden en verweerder dus in beginsel bevoegd was tot het opleggen van een boete.

6.2

De rechter toetst zonder terughoudendheid of boetebesluiten van verweerder dienen te worden beschouwd als een evenredige sanctie. Hierbij moet de vraag worden beantwoord of eiseres feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die dienen te leiden tot matiging van de opgelegde boetes dan wel dat wegens het ontbreken van verwijtbaarheid moet worden afgezien van het opleggen van een boete.

6.3

Op grond van artikel 5:51, eerste lid, van de Awb beslist het bestuursorgaan, indien van de overtreding een rapport is opgemaakt, omtrent het opleggen van de bestuurlijke boete binnen dertien weken na de dagtekening van het rapport.

Niet in geschil is dat de termijn van dertien weken als genoemd in artikel 5:51 van de Awb is overschreden. Dit betreft echter een termijn van orde, zodat aan het overschrijden daarvan geen consequenties behoeven te worden verbonden.

6.4

Van schending van artikel 6, eerste lid, van het EVRM is geen sprake. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 maart 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA0664) is de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM overschreden, indien de duur van de totale procedure onredelijk lang is. Voorts is, zoals volgt uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, waarbij de Afdeling zich aansluit, voor de beslechting van het geschil aangaande een punitieve sanctie in hoger beroep uitgangspunt dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de hogerberoepsrechter, behoudens bijzondere omstandigheden, niet binnen vier jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet en dat deze termijn aanvangt op het moment dat het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete een handeling verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting mag ontlenen dat het bestuursorgaan hem een boete zal opleggen (arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006).

In de gevallen waarin de redelijke termijn met niet meer dan zes maanden is overschreden, wordt de boete verminderd met 5% met een maximum van € 2.500,-. In geval van een overschrijding van meer dan zes maanden ligt een vermindering met 10% met een maximum van € 2.500,- in de rede (arrest van de Hoge Raad van 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191).

Voorts volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 9 december 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK5859) dat een bestuursorgaan in de regel eerst met de boetekennisgeving jegens de beboete een handeling verricht waaraan deze de verwachting mag ontlenen dat het bestuursorgaan hem een boete zal opleggen. In de grote meerderheid van de gevallen zal derhalve de dag waarop het bestuursorgaan deze kennisgeving doet, gelden als het tijdstip waarop de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM aanvangt.

6.5

De rechtbank acht de opgelegde boete in overeenstemming met de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan eiseres verweten kan worden.

Niet valt in te zien waarom eiseres geen contact met verweerder heeft opgenomen toen bleek dat zij er geruime tijd niet in slaagde in contact te komen met de gastouder voor de handtekening die nodig is om bij verweerder (‘onverwijld’) mededeling te doen van een wijziging in de gegevens.

De rechtbank acht de boete voorts niet onevenredig hoog. Daarbij is van belang dat verweerder eiseres een betalingsregeling heeft aangeboden waarbij eiseres negen termijnen van € 200,- en één termijn van € 100,- dient te betalen. Eiseres heeft hier niet op gereageerd.

7 Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit in beroep standhoudt.

8 Het beroep is ongegrond.

9 Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van As, rechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.