Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:12147

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
29-05-2017
Zaaknummer
C/09/491781 / HA ZA 15-766
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Twee tussenvonnissen en eindvonnis in erfzaak. Biologische zoon verzoekt vaststelling omvang legitieme. Enig erfgenaam (eveneens biologisch kind) blijkt geen afstammeling en verstrekt niet de benodigde gegevens

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/491781 / HA ZA 15-766

Vonnis van 12 oktober 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. V. Kortenbach te Den Haag,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. G.R. van der Plas te Katwijk Zh.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 30 juni 2015 met producties 1 tot en met 6;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties 1 en 2;

  • -

    het tussenvonnis van 30 september 2015, waarin een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de akte indiening producties van de zijde van [eiser] met producties 7 en 8;

  • -

    de akte uitlaten en indienen producties, tevens wijziging van eis van de zijde van [eiser] met producties 7 tot en met 10;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 11 april 2016 met de daarin genoemde stukken;

  • -

    de akte indiening producties van de zijde van [gedaagde] met producties 1 tot en met 9;

  • -

    de akte uitlaten van de zijde van [eiser] ;

  • -

    het tussenvonnis van 10 augustus 2016, waarin het verzoek van [gedaagde] tot het houden van pleidooi is afgewezen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

partijen en hun rechtsrelatie

2.1.

Op [dag-maand] 2012 is te [plaats 1] overleden [erflater] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna: erflater).

2.2.

Erflater heeft bij testament van 27 augustus 2008 over zijn nalatenschap beschikt. In zijn testament heeft erflater [gedaagde] benoemd tot zijn enige erfgenaam en executeur van zijn nalatenschap.

2.3.

[gedaagde] heeft de nalatenschap zuiver aanvaard.

2.4.

Bij beschikking van deze rechtbank van 22 april 2013 is, voor zover thans van belang, het juridisch vaderschap van erflater over [eiser] vastgesteld.

de loods

2.5.

[eiser] , [gedaagde] en erflater zijn gezamenlijk eigenaar geweest van een bedrijfsloods met erf en grond aan de [adres] te [plaats 2] . [eiser] en [gedaagde] waren samen eigenaar van 1/10e deel van de loods en erflater van 9/10e deel. In de loods waren opslagunits gevestigd, die werden verhuurd.

2.6.

Op 28 december 2011 heeft erflater zijn aandeel in de loods aan [gedaagde] geleverd. De door erflater en [gedaagde] overeengekomen koopprijs bedraagt € 499.500. De koopprijs is voldaan doordat erflater afstand heeft gedaan van zijn vorderingsrecht, onder schuldigerkenning door [gedaagde] van dit bedrag.

2.7.

De WOZ-waarde van de loods ten tijde van de verkoop bedroeg € 510.000.

2.8.

Bij notariële aktes van 28 december 2011 en 4 januari 2012 heeft erflater van het schuldig erkende bedrag aan [gedaagde] bedragen van € 118.708, respectievelijk € 120.738 kwijtgescholden.

2.9.

De loods is op 13 januari 2015 door brand verloren gegaan.

2.10.

Ten aanzien van de loods hebben verschillende taxaties plaatsgevonden. Het betreft hier:

  • -

    een taxatie op verzoek van erflater door Nadorp Makelaars, uitgevoerd op 29 maart 1999, getaxeerde waarde per die datum ƒ 355.000;

  • -

    een taxatie op verzoek van erflater door Nadorp Makelaars, uitgevoerd op 16 mei 2005, getaxeerde waarde per die datum € 378.000;

  • -

    een taxatie op verzoek van erflater door Nadorp Bedrijfsmakelaars, uitgevoerd op 3 juni 2009, getaxeerde waarde per 25 maart 1993 € 161.000, per 1 juli 1995 € 208.000 en per 31 december 2000 € 323.000;

  • -

    een taxatie op verzoek van erflater (in de aanloop naar de verkoop door erflater van zijn aandeel in de loods aan [gedaagde] ) door een onbekende taxateur, getaxeerde waarde per 1 januari 2012 € 567.000;

  • -

    een taxatie op verzoek van [eiser] door Taco Verbeek Makelaardij, uitgevoerd op 12 maart 2016, getaxeerde waarde € 900.000.

de vennootschap onder firma

2.11.

[eiser] en [gedaagde] hebben samen een vennootschap onder firma gedreven onder de naam [de vof] (hierna: de vof). [eiser] is in 2006 als vennoot uitgetreden en vanaf mei 2006 heeft [gedaagde] de onderneming feitelijk als eenmanszaak voortgezet.

2.12.

Bij vonnis van 22 juli 2015 heeft deze rechtbank beslist dat [gedaagde] op basis van de door partijen gemaakte afspraken over de afwikkeling van de vof gehouden is alle schulden en verplichtingen van de vof voor zijn rekening te nemen en [eiser] in dat verband te vrijwaren van alle vennootschapsschulden, daaronder begrepen een schuld aan ING.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat en na wijziging van eis – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van:

  • -

    een bedrag van € 570.548,50 uit hoofde van de aan [eiser] toekomende legitieme portie, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf [dag-maand] 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    een bedrag van € 52.342,01 uit hoofde van aan [eiser] toekomende huuropbrengsten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    een bedrag van € 5.096,45 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het datum van het in deze zaak te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente en de nakosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Nu vaststaat dat [eiser] een afstammeling is van erflater, kan hij op de voet van artikel 4:63 BW aanspraak maken op een legitieme portie. De legitieme portie wordt op grond van artikel 4:65 BW berekend over de zogenaamde legitimaire massa, te weten de waarde van de goederen van de nalatenschap, te vermeerderen met in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden, vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW.

4.2.

Partijen hebben in verband met de berekening van de legitimaire massa de navolgende bestanddelen opgevoerd:

  1. de woning van erflater aan de [adres 2] te [plaats 2] ;

  2. de banksaldi;

  3. de gift van erflater aan [gedaagde] met betrekking de verkoop aan [gedaagde] van het aandeel van erflater in de loods aan de [adres] te [plaats 2] ;

  4. e vordering van erflater op [gedaagde] uit hoofde van de verkoop van de loods;

  5. de vordering van erflater op [eiser] uit hoofde van door erflater ten behoeve van [eiser] gedane betalingen;

  6. de hypotheekschuld;

  7. de schuld aan [eiser] met betrekking tot huurinkomsten van de loods aan de [adres] te [plaats 2] .

4.3.

Ten aanzien van de omvang van de legitimaire massa overweegt de rechtbank als volgt, waarbij zij onder het kopje “huurinkomsten” ook zal oordelen over de vordering van [eiser] zoals hiervoor weergegeven onder 3.1, tweede gedachtestreepje.

ad a. de woning

4.4.

Tussen partijen is niet langer in geschil dat de woning ten tijde van het overlijden van erflater € 630.000,- waard was, zodat de rechtbank zal uitgaan van dit bedrag.

ad b. de banksaldi

4.5.

Tot op heden heeft [gedaagde] geen duidelijkheid verschaft over de omvang van de banksaldi van erflater ten tijde van zijn overlijden. Ter comparitie heeft de rechtbank [gedaagde] opgedragen de relevante bankafschriften in het geding te brengen, maar aan deze opdracht heeft [gedaagde] niet voldaan. Nu de omvang van het banktegoed van erflater van belang is voor het bepalen van de legitimaire aanspraak van [eiser] , zal de rechtbank [gedaagde] op de voet van artikel 22 Rv bevelen zijn standpunt ten aanzien van het banksaldo van erflater toe te lichten aan de hand van door hem in het geding te brengen bankafschriften, waaruit het banksaldo van erflater per sterfdatum blijkt.

4.6.

Bij akte na comparitie heeft [eiser] de rechtbank verzocht aan dit bevel een dwangsom te verbinden. Nu het thans aan [gedaagde] gerichte bevel niet een vorderingsrecht van [eiser] betreft, maar een opdracht om de rechtbank van informatie te voorzien, kan aan dit bevel geen dwangsom ten behoeve van [eiser] worden verbonden (MvT, Parlementaire Geschiedenis Herziening Rv, p. 154). De daartoe strekkende vordering zal daarom worden afgewezen. Een en ander laat onverlet dat het [eiser] vrijstaat om – zo nodig – in kort geding naleving van dit bevel op verbeurte van een dwangsom te vorderen.

ad c en d. de loods

4.7.

Partijen strijden over de vraag of de verkoop door erflater van zijn aandeel in de loods aan [gedaagde] , evenals de daarop volgende kwijtscheldingen van delen van de koopprijs, moeten worden aangemerkt als schenkingen die mede bepalend zijn voor de omvang van de legitimaire massa.

4.8.

[eiser] stelt zich op het standpunt dat de overeengekomen koopprijs van € 499.500 zodanig laag is, dat de verkoop in feite een schenking betreft. Hij stelt de reële marktwaarde van de loods op € 900.000 en meent dat 9/10e deel van dat bedrag als schenking in aanmerking moet worden genomen. [gedaagde] voert aan dat de overeengekomen koopprijs alleszins reëel is en dat de door erflater aan hem kwijtgescholden bedragen niet gelden als schenking omdat deze kwijtscheldingen alleen om fiscale redenen hebben plaatsgevonden. Om die reden moet volgens [gedaagde] slechts een bedrag van € 260.054 (te weten de verkoopprijs minus de kwijtgescholden bedragen) in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de legitimaire massa.

4.9.

Nu vast staat dat [gedaagde] de met erflater overeengekomen koopprijs niet aan erflater heeft betaald, is de rechtbank van oordeel dat in ieder geval dat volledige bedrag in aanmerking moet worden genomen bij het bepalen van de omvang van de legitimaire massa. Voor zover de koopprijs aan [gedaagde] is kwijtgescholden, is dit een schenking die op de voet van artikel 4:67 aanhef en sub d BW (indien [gedaagde] geldt als afstammeling van erflater), dan wel artikel 4:67 aanhef en sub e BW (indien [gedaagde] geen afstammeling van erflater is, zie hierna onder 4.32 tot en met 4.34) bepalend is voor de omvang van de legitimaire massa. Het niet kwijtgescholden deel van de koopprijs betreft een vordering van erflater op [gedaagde] , die op grond van artikel 4:65 BW eveneens onderdeel uitmaakt van de legitimaire massa.

4.10.

Met [gedaagde] is de rechtbank van oordeel dat [eiser] zijn stelling dat de door erflater en [gedaagde] overeengekomen koopprijs niet overeenkomt met de reële marktwaarde van de loods, onvoldoende heeft onderbouwd. In dit verband geldt dat [eiser] ter adstructie van zijn stelling een in zijn opdracht verrichte waardebepaling heeft overgelegd, die is uitgevoerd nadat het pand is afgebrand. Blijkens het toelichtend rapport is de taxateur daarbij uitgegaan van de door [eiser] aan hem gegeven informatie over de huuropbrengsten en staat van onderhoud van het pand.

4.11.

Uit alle in opdracht van erflater uitgevoerde taxaties en waardebepalingen blijkt dat er sprake was van achterstallig onderhoud (wat door [eiser] ook is erkend, nu hij heeft betoogd dat nimmer onderhoud aan het pand heeft plaatsgevonden) en dat in de loods asbest was verwerkt. Deze twee omstandigheden hebben blijkens die taxaties een negatief effect gehad op de marktwaarde van de loods. Uit het door [eiser] overgelegde taxatieverslag blijkt niet dat ook de door hem ingeschakelde taxateur rekening heeft gehouden met achterstallig onderhoud en de aanwezigheid van asbest. Reeds om die reden kan niet zonder meer worden uitgegaan van de juistheid van de stellingname van [eiser] over de martkwaarde van de loods. Bovendien geldt dat de overeengekomen koopprijs overeenstemt met de in die periode door Nadorp Makelaars vastgestelde taxatiewaarde van (het aandeel van erflater in) de loods (zie onder 2.10), terwijl die verkoopprijs ook in lijn ligt met de op dat moment geldende WOZ-waarde (zie onder 2.7). Hoewel de rechtbank met [eiser] van oordeel is dat de WOZ-waarde niet per definitie richtinggevend is voor de waarde in het economisch verkeer, is gesteld noch gebleken dat de marktwaarde van de loods ten tijde van de verkoop aanzienlijk afweek van de WOZ-waarde. Bij die stand van zaken heeft [eiser] zijn stelling dat de verkoopprijs van de loods zodanig afwijkt van de marktwaarde dat sprake is van een materiële schenking, onvoldoende onderbouwd.

4.12.

De rechtbank zal daarom bij de bepaling van de legitimaire massa uitgaan van giften van erflater aan [gedaagde] van (€ 118.078 plus € 120.738 is) € 239.446 en van een vorderingsrecht van (€ 499.500 minus € 239.446 is) € 260.054.

ad e. de vordering van erflater op [eiser]

4.13.

[gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat erflater ten tijde van zijn overlijden een vordering had op [eiser] , omdat hij in de jaren 2005 en 2006 verschillende betalingen ten behoeve van [eiser] heeft gedaan die [eiser] nog aan hem terug moest betalen. Zo heeft erflater volgens [gedaagde] een schuld van [eiser] aan de belastingdienst betaald en heeft hij ook andere schulden afgelost. [gedaagde] heeft de vordering van erflater ten tijde van diens overlijden, inclusief de daarover verschuldigde rente, becijferd op € 126.385. [eiser] heeft de stelling van [gedaagde] gemotiveerd betwist.

4.14.

Tussen partijen staat vast dat erflater een aantal schulden heeft voldaan, en dat de door erflater betaalde bedragen nog niet aan hem zijn terugbetaald. Zij strijden echter over de vraag of erflater als gevolg van deze betalingen ten tijde van zijn overlijden een vorderingsrecht had op [eiser] .

4.15.

Blijkens de ter terechtzitting door [gedaagde] verstrekte toelichting, die door [eiser] is onderschreven, hebben de betalingen door erflater betrekking op het aandeel van [eiser] in de belastingschulden ten behoeve van de vof en op de betaling van crediteuren van de vof. Daarnaast heeft erflater een schuld van [eiser] aan ING afgelost, die het gevolg was van opnames van [eiser] uit de rekening-courantverhouding met de vof. De betalingen van erflater hadden derhalve alle betrekking op vennootschapsschulden.

4.16.

Met [eiser] is de rechtbank van oordeel dat deze betalingen niet hebben geleid tot een vordering van erflater op [eiser] . Bij (in kracht van gewijsde gegaan) vonnis van 22 juli 2015 heeft deze rechtbank immers geoordeeld dat [gedaagde] gehouden is [eiser] te vrijwaren van alle schulden van de vof (zie onder 2.12). Nu de door erflater betaalde schulden blijkens voormeld vonnis niet voor rekening van [eiser] kwamen, heeft erflater door deze betalingen geen vorderingsrecht op [eiser] verkregen, maar hoogstens op [gedaagde] .

4.17.

Nu beide partijen er blijkens hun stellingname op dit punt vanuit gaan dat voor de bepaling van de legitimaire massa alleen een eventuele vordering op [eiser] van belang is, zal de rechtbank in navolging van partijen de door [gedaagde] genoemde vordering in het geheel buiten beschouwing laten.

ad f. de hypotheekschuld

4.18.

Tussen partijen was aanvankelijk niet in geschil dat de hypotheekschuld van erflater ten tijde van zijn overlijden € 442.546 bedroeg. Ter zitting en bij akte na comparitie heeft [eiser] de hoogte van de schuld alsnog betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] evenwel, door de overlegging van het hypotheekoverzicht 2012 (productie 4 bij brief van 24 maart 2016), de door hem gestelde hypotheekschuld voldoende onderbouwd. De rechtbank acht de betwisting van [eiser] in dit verband onvoldoende, zodat zij zal uitgaan van een schuld van € 442.546.

ad g. de huurinkomsten

4.19.

Tot 28 december 2011 waren erflater, [eiser] en [gedaagde] tezamen eigenaar van de loods en deelden zij – naar rato van hun aandeel in die loods – de huurinkomsten. Sinds 28 december 2011 is de loods eigendom van [eiser] en [gedaagde] tezamen en vanaf die datum dienen zij de huurinkomsten naar rato van hun aandeel in de eigendom te verdelen.

4.20.

Niet in geschil is dat [eiser] zijn aandeel in de huurovereenkomsten sinds 2006 niet heeft ontvangen. Tussen partijen is evenmin in geschil dat het aandeel van [eiser] in die inkomsten over de periode tussen 2006 en 1 januari 2012 is behouden door erflater, zodat [eiser] over die periode een vordering heeft op de nalatenschap. Hij becijfert die vordering – na wijziging van eis – op € 32.261,89. Het aandeel van [eiser] in de huurinkomsten over de periode tussen 1 januari 2012 en 13 januari 2015 (het moment waarop de loods is afgebrand) is toegekomen aan [gedaagde] . [eiser] becijfert die vordering op € 20.080,12. In totaal vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de beide bedragen, te weten € 52.342,01. [gedaagde] heeft de hoogte van de door [eiser] gestelde vordering betwist.

4.21.

De rechtbank stelt voorop dat, als komt vast te staan dat [eiser] een vordering heeft op de nalatenschap uit hoofde van nog niet uitbetaalde huurinkomsten, deze vordering als schuld van de nalatenschap in mindering strekt op de omvang van de legitimaire massa.

4.22.

[eiser] heeft ter onderbouwing van zijn stelling aangevoerd dat de loods bestond uit 12 units, die ieder werden verhuurd voor € 750 per maand. Uitgaande van een bedrag aan kosten en oninbare huur – van naar de rechtbank begrijpt € 1000 per maand – en zijn eigendomsaandeel van 5%, heeft [eiser] zijn aandeel in de huurinkomsten berekend op € 400 per maand.

4.23.

[gedaagde] heeft de berekening van [eiser] aanvankelijk betwist onder overlegging van een in zijn opdracht opgesteld overzicht van inkomsten uit en kosten van verhuur (bijlage 3, behorend bij productie 4 bij dagvaarding). In dit overzicht is de vordering van [eiser] over de periode 2006-2012 becijferd op € 6.080,10. Hierbij is uitgegaan van huurinkomsten van € 4500 per maand (te weten 6 units met een huurprijs van € 550 per maand en 2 units met een huurprijs van € 600 per maand) en lasten van € 2.941 per maand (welk bedrag bestaat uit zakelijke lasten, kosten voor energie, verzekeringen en onderhoud, inningskosten en hypotheeklasten). De huuropbrengsten zijn daarmee becijferd op € 1.559 per maand en het aandeel van [eiser] daarin op € 77,95 per maand.

4.24.

Ter terechtzitting heeft [eiser] de berekening van [gedaagde] op zijn beurt gemotiveerd betwist, daartoe stellend dat de loods niet bestond uit 8 maar 12 units, dat de huurprijs van de verschillende units gemiddeld € 750 bedroeg, dat er op de loods geen hypotheekrecht was gevestigd, dat van inningskosten geen sprake is en dat ook nooit onderhoud is gepleegd. [eiser] heeft ter onderbouwing van zijn betwisting van de opgevoerde hypotheeklasten een uittreksel uit het Kadaster overgelegd, waaruit blijkt dat op de loods geen hypotheekrecht was gevestigd ten behoeve van een financier. [eiser] heeft daarnaast informatie in het geding gebracht over het aantal units en huurders ten tijde van de brand en heeft stukken overgelegd over de hoogte van de huurbetalingen van twee van de huurders, waaruit tevens blijkt dat deze huurders hun eigen energiekosten betaalden.

4.25.

Naar aanleiding van de gemotiveerde stellingname van [eiser] is [gedaagde] ter comparitie in de gelegenheid gesteld een overzicht in het geding te brengen van de inkomsten uit en kosten van verhuur over de periode 2005-2011 en 2012-2015, onderbouwd met stukken. Ook is [gedaagde] opgedragen om stukken in het geding te brengen over de door hem gestelde hypothecaire lening. Bij akte na comparitie van partijen heeft [gedaagde] volstaan met het in het geding brengen van een door hemzelf opgesteld overzicht van huurinkomsten over de jaren 2013, 2014 en “vanaf half 2006”. De door de rechtbank verzochte onderbouwing van de overzichten ontbreekt.

4.26.

De rechtbank stelt vast dat op [eiser] de bewijslast rust van zijn stellingen ten aanzien van de hoogte van de hem nog toekomende huurpenningen. Tussen partijen is echter niet in geschil dat [eiser] al sinds 2006 niet betrokken is bij de verhuur van de loods en dat [gedaagde] beschikt over alle documentatie ter zake. Om die reden kunnen extra eisen worden gesteld aan de motiveringsplicht van [gedaagde] in het kader van zijn betwisting van de stellingen van [eiser] . Een en ander geldt te meer nu [gedaagde] op de voet van artikel 4:78 BW verplicht is om [eiser] inzage te geven in de omvang van de nalatenschap, om hem zodoende in de gelegenheid te stellen de omvang van zijn legitimaire portie vast te stellen, en hij op grond van artikel 3:173 BW gehouden is om jegens [eiser] rekening en verantwoording af te leggen over zijn beheer sinds 28 december 2011.

4.27.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] niet voldaan aan de hiervoor omschreven op hem rustende stelplicht. Hoewel [eiser] zijn stellingen voor zover mogelijk heeft onderbouwd met stukken, heeft [gedaagde] – ook na daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid te zijn gesteld – volstaan met overlegging van door hemzelf opgestelde overzichten, die niet zijn voorzien van enige onderbouwing. Bij die stand van zaken heeft [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank de stellingen van [eiser] onvoldoende weersproken, zodat de rechtbank zal uitgaan van de juistheid van de berekening van [eiser] .

4.28.

Voor het bepalen van de legitimaire massa is bepalend de hoogte van de schuld van erflater aan [eiser] ten tijde van zijn overlijden. [eiser] heeft deze schuld bij akte na comparitie becijferd op € 32.261,89. Omdat [gedaagde] niet in de gelegenheid is geweest op deze laatste berekening te reageren, heeft de rechtbank de vordering, inclusief de daarover verschuldigde rente tot het moment van overlijden van erflater, zelf nagerekend. De berekening van [eiser] komt de rechtbank juist voor, zodat zij bij het bepalen van de omvang van de legitimaire massa een schuld van € 32.261,89 in aanmerking neemt.

4.29.

Een en ander brengt met zich dat [eiser] op de nalatenschap een vordering heeft van € 32.261,89, welk bedrag moet worden betaald door [gedaagde] in zijn hoedanigheid van executeur. De vordering van [eiser] op [gedaagde] in privé bedraagt € 20.080,12, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2016.

Resumerend: omvang legitimaire massa

4.30.

In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, is de legitimaire massa als volgt samengesteld:

Activa:

woning [adres 2] [plaats 2] € 630.000

vordering op [gedaagde] m.b.t. loods [plaats 2] € 260.054

schenkingen aan [gedaagde] € 239.446

banksaldi p.m.

Passiva:

Hypotheekschuld € 442.546

Schuld aan [eiser] m.b.t. huurinkomsten € 32.261,89

-------------------

Totaal € 654.692,11 + p.m.

4.31.

Daarnaast zal [gedaagde] bij eindvonnis worden veroordeeld om in zijn hoedanigheid als executeur van de nalatenschap aan [eiser] te betalen een bedrag van € 32.261,89 en in privé een bedrag van € 20.080,12, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2016.

Erflater (ook) de juridische vader van [gedaagde] ?

4.32.

Tussen partijen is in geschil of erflater de juridische vader is van [gedaagde] . Voor de beoordeling van de omvang van de legitimaire portie van [eiser] is, gelet op het bepaalde in artikel 4:64 BW, van belang of erflater één of twee afstammelingen had.

4.33.

Hoewel dit hem ter comparitie uitdrukkelijk is opgedragen, heeft [gedaagde] nagelaten een kopie van zijn geboorteakte, inclusief de daarbij behorende latere vermeldingen in het geding te brengen. Weliswaar heeft [gedaagde] een kopie van een rapport verwantschapsonderzoek in het geding gebracht waaruit blijkt dat erflater zijn biologische vader is, maar of erflater ook geldt als juridisch vader kan daaruit niet worden afgeleid. De rechtbank kan daarom niet vaststellen of [gedaagde] , zoals hij stelt, een afstammeling van erflater is in de zin van artikel 4:10 lid 1 onder a BW. Anders dan door [eiser] betoogd, trekt de rechtbank daaruit niet de gevolgtrekking dat [eiser] de enige afstammeling is van erflater. In dit verband overweegt de rechtbank dat afstamming een rechtsfeit is dat niet ter vrije bepaling van partijen staat.

4.34.

Nu het voor de bepaling van de omvang van de legitimaire massa van belang is of [eiser] de enige afstammeling is van erflater, of dat [gedaagde] ook als legitimaris geldt, zal de rechtbank [gedaagde] op de voet van artikel 22 Rv bevelen zijn stelling dat hij ook een afstammeling van erflater is nader toe te lichten, meer in het bijzonder door middel van het in het geding brengen van zijn geboorteakte, inclusief de daarbij behorende latere vermeldingen waaruit zijn afstamming kan worden afgeleid. Indien [gedaagde] aan dit bevel niet voldoet, zal de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken dat [eiser] de enige afstammeling is van erflater en aldus aanspraak kan maken op de helft van de legitimaire massa.

4.35.

De zaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van een akte door [gedaagde] . Daarna zal [eiser] een antwoordakte kunnen nemen.

4.36.

In afwachting van de door [gedaagde] te verstrekken inlichtingen zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 16 november 2016 voor het nemen van een akte door [gedaagde] over hetgeen is vermeld onder de randnummers 4.5 en 4.34, waarna [eiser] op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Brandt en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2016.