Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:12146

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-10-2016
Datum publicatie
11-10-2016
Zaaknummer
AWB 16 / 20492, AWB 16 / 20497, AWB 16 / 20499, AWB 16 / 20501, AWB 16 / 20582, AWB 16 / 20584
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

- Servië

- veilig land van herkomst

- Roma

- onderzoeksplicht verweerder

- beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 16/20492, 16/20499, 16/20582 (beroepen)
AWB 16/20497, 16/20501, 16/20584 (verzoeken)

V-nummers: [nummers]

uitspraak van de voorzieningenrechter en de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 6 oktober 2016 in de zaken tussen

[eiser 1], eiser 1 en verzoeker 1, hierna eiser 1,

[eiseres] , eiseres en verzoekster, hierna eiseres,

mede namens hun minderjarige kinderen:
[naam kind],

[naam kind] ,

[naam kind] ,

[naam kind] ,

[naam kind] , en

[eiser 2] , eiser 2 en verzoeker 2, hierna: eiser 2,

gezamenlijk te noemen eisers,

gemachtigde mr. W.A. Derogee-Berghuis,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins.

Procesverloop

Bij drie afzonderlijke besluiten van 9 september 2016 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van eisers afgewezen.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Eisers hebben tevens voorlopige voorzieningen verzocht ter voorkoming van uitzetting hangende de beroepen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2016. Eisers en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser 1 en eiseres - de ouders - zijn geboren op [geboortedatum] respectievelijk op [geboortedatum]. De kinderen, te weten [eiser 2] (eiser 2), [naam kind], [naam kind], [naam kind], [naam kind] en [naam kind] zijn geboren op [geboortedatum] respectievelijk [geboortedatum], [geboortedatum], [geboortedatum], [geboortedatum] en [geboortedatum]. Allen bezitten de Servische nationaliteit en behoren tot de Roma bevolkingsgroep.

2. Op 2 september 2016 hebben eisers aanvragen ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Zij hebben aan hun aanvraag het volgende relaas ten grondslag gelegd. Eisers werden vanwege hun Roma afkomst ernstig gediscrimineerd. Eiser 1 kon nauwelijks werk vinden en leende geld tegen woekerrente om als marktkoopman spullen te gaan verkopen. Hij kon de lening niet terugbetalen en werd bedreigd door de schuldeiser. De kinderen werden op school gepest.

3. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit, herkomst en etniciteit van eisers geloofwaardig geacht, evenals het asielrelaas van eisers. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat niet gebleken is dat eisers als Roma met een dermate ernstige discriminatie te maken hebben gekregen dat hun leven onhoudbaar is geworden. Eisers hebben zich in verband met de gestelde bedreigingen van de geldschieter evenmin tot de (hogere) Servische autoriteiten gericht en hebben zich onvoldoende ingespannen om bescherming te verkrijgen. Niet is gebleken dat voornoemde autoriteiten hen niet zouden kunnen of willen beschermen. Servië is door verweerder aangemerkt als veilig land van herkomst. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat Servië jegens hen als Roma zijn verdragsverplichtingen niet nakomt en daardoor voor hen geen veilig land van herkomst is. Het beroep van eisers op de conclusie van Staatsraad Advocaat-Generaal mr. R.J.G.M. Widdershoven (Widdershoven) van 20 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2040) kan niet slagen, omdat dit ziet op asielzoekers met de Albanese nationaliteit. Tevens is aan eiser 1 en eiseres een vertrektermijn onthouden en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

4. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat verweerder hun aanvragen ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Onder verwijzing naar de conclusie van Widdershoven betogen eisers dat Servië ten onrechte op de lijst met veilige landen is geplaatst. Verweerder dient te bewijzen en deugdelijk te onderbouwen waarom Servië voor eisers als Roma als veilig land is te beschouwen als bedoeld in Richtlijn 2013/32/EU (de Procedurerichtlijn). Verweerder heeft daartoe geen (eigen) onderzoek verricht, maar verwijst naar recente rapporten, waaronder de voortgangsrapportage van de Europese Commissie van 10 november 2015. Eisers zijn van mening dat uit de door verweerder aangehaalde rapportages naar voren komt dat de sociaal-economische omstandigheden van de Roma slecht zijn en dat zij structureel gediscrimineerd worden vanwege hun afkomst. Roma hebben nauwelijks toegang tot werk, onderwijs, gezondheidszorg en huisvesting. Verweerder heeft volgens eisers ten slotte ten onrechte niet onderzocht of de Servische autoriteiten in het algemeen en in het bijzonder voor de Roma als minderheidsgroepering effectieve bescherming bieden.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling afkomstig is uit een veilig land van herkomst in de zin van de artikelen 36 en 37 van de Procedurerichtlijn.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

De beoordeling of een land een veilig land van herkomst is, dient ingevolge artikel 3.105ba, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) te stoelen op een reeks informatiebronnen, waaronder in het bijzonder informatie uit andere lidstaten, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), de UNHCR, de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties.

Ingevolge artikel 3.37f, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV) wordt een land als veilig land van herkomst beschouwd als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, onder b, van de Wet, wanneer op basis van de rechtstoestand, de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke omstandigheden kan worden aangetoond dat er algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging, noch van foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, noch van bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of intern gewapend conflict.

Ingevolge het tweede lid wordt bij de beoordeling of een land als veilig land van herkomst wordt beschouwd, onder meer rekening gehouden met de mate waarin bescherming wordt geboden tegen vervolging of mishandeling door middel van:

a. de desbetreffende wetten en andere voorschriften van het betrokken land en de wijze waarop die worden toegepast;

b. de naleving van de rechten en vrijheden die zijn neergelegd in het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en/of het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en/of het Verdrag van de Verenigde Naties tegen foltering, in het bijzonder de rechten waarop geen afwijkingen uit hoofde van artikel 15, lid 2, van het EVRM zijn toegestaan;

c. de naleving van het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag;

d. het beschikbaar zijn van een systeem van daadwerkelijke rechtsmiddelen tegen schendingen van voornoemde rechten en vrijheden.

Ingevolge het derde lid zijn met inachtneming van het eerste en het tweede lid als veilige landen van herkomst als bedoeld in artikel 3.105ba, eerste lid, van het Besluit aangewezen de landen die zijn opgenomen in bijlage 13 bij deze regeling.

6. In zijn brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 3 november 2015 (TK 2015-2016, 19 637, nr. 2076) heeft verweerder Servië aangemerkt als een veilig land van herkomst. Vervolgens is bij Regeling van verweerder van 10 november 2015, nummer 695431, houdende wijziging van het VV (Staatscourant 2015, nr. 40568), Servië opgenomen in bijlage 13.

7. Nu eisers de verbindendheid van de in een algemeen verbindend voorschrift neergelegde plaatsing van Servië op de lijst van veilige landen van herkomst in twijfel hebben getrokken, staat ter beoordeling of een zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden, de aanwijzing op een kenbare wijze is gemotiveerd en die motivering zodanig deugdelijk is dat zij die aanmerking als veilig land van herkomst kan dragen.

8. Volgens de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 14 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2474) moet verweerder aantonen dat aan de vereisten voor aanwijzing als veilig land van herkomst is voldaan. Voor die aanwijzing geldt als norm dat in het desbetreffende land algemeen gezien en op duurzame wijze geen vervolging of behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM plaatsvindt. Bij zijn beoordeling moet de staatssecretaris zowel de juridische als de feitelijke situatie in een land betrekken, en die beoordeling moet zijn gebaseerd op objectieve en recente informatie. De toetsing door de rechter of een land een veilig land van herkomst is moet zonder terughoudendheid plaatsvinden.

9. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder ter onderbouwing van de plaatsing van Servië op de lijst met veilige landen heeft gewezen op de omstandigheid dat inwoners van Servië zijn vrijgesteld van de visumplicht voor toelating tot de Europese Unie en dat een aantal andere lidstaten Servië ook heeft aangewezen als veilig land van herkomst. Gelet op de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling, alsmede op de wettelijk voorgeschreven vereisten, is de rechtbank van oordeel dat deze omstandigheden op zichzelf geen rol kunnen spelen bij de aanwijzing van een land als veilig land van herkomst. Hetzelfde geldt voor de status van Servië als kandidaat-lidstaat van de Europese Unie en het voorstel van de Europese Commissie (EC) om Servië op een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst te plaatsen. De rechtbank zal deze omstandigheden buiten beschouwing laten bij de toetsing of Servië terecht als veilig land van herkomst is aangemerkt.

10. Daarnaast heeft verweerder in de toelichting op de regeling van 10 november 2015 en in zijn brief aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 3 november 2015 gewezen op het onderzoek van de EC, dat ten grondslag ligt aan het op 9 september 2015 bekend gemaakte Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst voor de toepassing van Richtlijn 2013/32/EU (COM (2015) 452 final). Verweerder heeft het onderzoek van de EC tot het zijne gemaakt. Verweerder blijft evenwel zelf verantwoordelijk voor een eigen zelfstandig onderzoek naar de beoordeling of Servië een veilig land van herkomst is. Gelet hierop, en nu niet is gebleken van een eigen, zelfstandig onderzoek van verweerder naar de juridische en feitelijke situatie, voldoet de aanwijzing van Servië als veilig land van herkomst in zoverre niet aan het bepaalde in artikel 3.105ba, tweede lid, van het Vb.

11. Verweerder heeft er daarnaast voor gekozen de motivering van de regeling van 10 november 2015 aan te vullen door de aanwijzing van Servië als veilig land van herkomst bij de toepassing ervan schriftelijk nader toe te lichten. In de voornemens, zoals herhaald en ingelast in de bestreden besluiten, heeft verweerder als aanvullende motivering verwezen naar het voortgangsrapport van de EC over Servië van 10 november 2015 (SWD (2015) 211 final) en naar het rapport van het EASO van mei 2015 ‘Asylum Applicants from the Western Balkans: comparative analysis of trends, push-pull factors and responses – Update’. Tot slot heeft verweerder gewezen op rapport van het US Department of State ‘Country report on human rights practices for 2014’ (hierna: het US-DOS-rapport), waarin staat dat de Servische autoriteiten stappen ondernemen om geweld en discriminatie tegen minderheden terug te dringen.

12. De rechtbank acht het rapport van het EASO voor de beoordeling niet relevant, nu daarin slechts statistieken staan, onder meer dat 2,1 % van de Servische asielaanvragen in de lidstaten in het tijdvak van juli 2013 tot en met september 2014 tot een inwilliging heeft geleid. De vraag of de Servische overheid aan haar burgers volgens de in artikel 3.37f van het VV neergelegde norm bescherming biedt, wordt daarmee niet beantwoord.

13. Het onderzoek van de EC van 10 november 2015 ziet op het tijdvak van oktober 2014 tot september 2015. Anders dan eisers hebben betoogd, acht de rechtbank deze informatie niet achterhaald. Tenzij er sprake is van relevante ontwikkelingen die toen nog niet bekend waren, kan uit dit rapport geput worden voor de beoordeling van de beschermingsvraag.

14. De rechtbank neemt met betrekking tot het onderzoek van de EC het volgende in aanmerking. In voetnoot 1 staat vermeld dat het rapport gebaseerd is op een aantal bronnen, waaronder de Servische regering, een aantal lidstaten van de Europese Unie, rapporten van het Europees Parlement en informatie van verschillende internationale en non-gouvernementele organisaties. Uit het rapport blijkt echter niet welke specifieke informatie uit welke bron afkomstig is. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting geen uitsluitsel kunnen geven over de vraag of hij zich ervan heeft vergewist welke informatie uit dit rapport uit welke bron afkomstig is.

Voorts staat onder meer het volgende in het rapport vermeld:

- The legal and institutional framework for the respect of fundamental rights is in place. Consistent implementation across the country needs to be ensured, including as regards protection of minorities. More needs to be done to ensure conditions for the full exercise of media freedom and the freedom of expression, where Serbia has achieved some level of preparation. Further sustained efforts are needed to improve the situation of Roma and of refugees and displaced persons. (p. 5)

- Serbia has achieved some level of preparation for the acquis and European standards in this area and has made some progress. In September 2015 the action plan required for the opening of rule of law Chapter 23 was successfully finalised. Improved rules for evaluating prosecutors and judges were adopted and steps were taken to reduce the sizeable backlog of cases. However, there is still scope for political influence over judicial appointments. The national anti-corruption strategy has so far not yielded the expected results. Corruption remains prevalent in many areas and continues to be a serious cause of concern. As regards fundamental rights, conditions for the full exercise of freedom of expression are not in place.

Legislation to protect minorities is broadly in place but needs to be consistently implemented across the country. (p. 49)

-Serbia has ratified all the main international human rights instruments. However,

implementation of the relevant international instruments needs to be improved and more consistent. (…) In relation to the promotion and enforcement of human rights, relevant state bodies such as the Office for Human and Minority Rights, parliamentary committees, the Ombudsman, the Equality Protection Commissioner and also civil society organisations continued to promote awareness-raising on human rights, tolerance and non-discrimination. The role of the Office for Human and Minority Rights needs to be strengthened. (p. 54)

- The adoption of a new Roma strategy and action plan remains outstanding. The third Roma seminar, held in June, concluded that good progress had been made with regard to civil registration but in all other areas progress was slow and uneven. (…) The Roma continue to face difficult living conditions and discrimination in access to social protection, health, employment and adequate housing. Compliance with international standards on forced eviction and relocation still needs to be ensured. (p. 58 en 59)

15. De rechtbank is van oordeel dat uit dit voortgangsrapport van de EC het algemene beeld naar voren komt van Servië als een land dat de mensenrechtenverdragen heeft ondertekend en het wettelijk en justitieel systeem daarmee in grote lijnen in overeenstemming heeft gebracht. De daadwerkelijke implementatie van fundamentele mensenrechten in de praktijk moet echter verbeterd worden. Niet inzichtelijk is gemaakt of en in welke mate er thans wordt voldaan aan de norm dat algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging, noch van foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.

16. Het US-DOS-rapport over 2014 geeft geen wezenlijk andersluidende informatie. Het hiervoor beschreven beeld wordt verder bevestigd door de door eisers bij zienswijze aangehaalde landeninformatie die met name gaat over Roma in Servië, zoals het rapport van juli 2015 van de commissaris voor de mensenrechten bij de Raad van Europa, Amnesty International jaarrapport 2014/2015, Human Rights Watch jaarrapport 29 januari 2015 en 21 januari 2014, het rapport van de Bertelsmann Foundation 2014, het rapport van het Europees Parlement over Servië van 28 januari 2016, rapportage van Civil Rights Defenders van mei 2015 over Servië en van Schweizerische Flüchtlingshilfe van 9 december 2014.

17. De rechtbank concludeert dat verweerder bij zijn beoordeling of Servië een veilig land van herkomst is, onvoldoende heeft onderzocht en op kenbare en deugdelijke wijze heeft gemotiveerd dat is voldaan aan de in artikel 3.37f van het VV voorgeschreven vereisten. De rechtbank ziet dan ook aanleiding de ministeriële regeling van 10 november 2015, met nummer 695431, onverbindend te verklaren voor zover Servië daarbij door een wijziging van bijlage 13 van het VV is aangemerkt als veilig land van herkomst.

18. Verweerder heeft derhalve ten onrechte met toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw de aanvragen van eisers als kennelijk ongegrond afgewezen. Dit brengt met zich dat ten onrechte aan eiser 1 en eiseres een vertrektermijn van nul dagen en een inreisverbod van twee jaar is opgelegd. De beroepen zijn gegrond en de bestreden besluiten zullen worden vernietigd wegens schending van artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

19. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Verweerder heeft zich ter zitting desgevraagd op het standpunt gesteld dat de vraag of eisers de bescherming van de (hogere) autoriteiten kunnen inroepen tegen de geloofwaardig bevonden problemen reeds positief is beantwoord door Servië aan te wijzen als veilig land van herkomst en dat er daarom van uit mag worden gegaan dat in het algemeen bescherming wordt geboden. Nu verweerders standpunt in zoverre niet houdbaar is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de huidige veiligheidssituatie in Servië en evenmin heeft onderzocht of door de autoriteiten in Servië in het algemeen bescherming wordt geboden. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2087). Er is daarmee ook geen basis de aanvragen van eisers met toepassing van artikel 31 van de Vw als ongegrond af te wijzen.

20. Er is geen aanleiding om de gevraagde voorlopige voorzieningen toe te wijzen.

21. Verweerder zal op na te melden wijze worden veroordeeld in de proceskosten van eisers.

Beslissing

De rechtbank, in de zaken met nrs. AWB 16/20492, 16/20499, 16/20582:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt het bestreden besluiten;

- bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten neemt op de aanvragen;

- veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepen, ten bedrage van € 992 (negenhonderdtweeënnegentig euro), te betalen aan eisers.

De voorzieningenrechter, in de zaken met nrs. AWB 16/20497, 16/20501, 16/20584:

- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder in de kosten van de verzoeken, ten bedrage van € 496

(vierhonderdzesennegentig euro), te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter en voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op de beroepen, kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: