Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:12141

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-10-2016
Datum publicatie
08-11-2016
Zaaknummer
NL 16 . 2461
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Asielraas niet geloofwaardig

- Afghanistan

- 3.113, tweede lid van het Vb

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL16.2461

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 7 oktober 2016 in de zaak tussen

[naam], eiser,

gemachtigde mr. N. Vollebergh,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. A.M.H.W. van Heerebeek.

Procesverloop

Eiser heeft beroep in gesteld tegen het besluit van verweerder van 9 september 2016, genomen in de zogeheten algemene asielprocedure (AA-procedure), waarbij de asielaanvraag van eiser is afgewezen (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 30 september 2016. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. R. Bom, kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig H. Azimi, tolk Dari. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Afghaanse nationaliteit. Op 20 mei 2016 heeft hij een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Eiser heeft aan zijn aanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Eiser behoort tot de Tadzjieken en is afkomstig uit het dorp [geboorteplaats] in Afghanistan. In dat dorp had zijn oom recht op een stuk landbouwgrond, maar die grond is door de eigenaar ervan verkocht aan een inwoner van het dorp [dorp]. De inwoners van dit dorp zijn Pashtun en behoren tot de Taliban. Toen gewapende mensen uit dat dorp kwamen om het stuk landbouwgrond te meten, heeft de oom van eiser één van die mannen doodgeschoten en is hij vervolgens gevlucht. Tijdens een ‘djerga’ is afgesproken dat de vijftienjarige zus van eiser zou trouwen met de broer van de overleden man. Een man en drie vrouwen zijn vervolgens bij eiser aan de deur gekomen en hebben gezegd de nieuwe familie te zijn. Eiser, die tegen dat afgesproken huwelijk is, heeft deze mensen de deur gewezen en is toen door hen bedreigd. Hij vreest dat de mensen uit [dorp] terugkomen om hem te doden. Eiser heeft als eerste zijn land verlaten en is later gevolgd door zijn familie. In Turkije is hij zijn familie uit het oog verloren en is alleen naar Nederland gereisd.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. Verweerder acht de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder acht niet geloofwaardig dat eiser problemen heeft ondervonden naar aanleiding van de djerga-overeenkomst, waarbij de zus van eiser is uitgehuwelijkt.

4. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd wordt – voor zover van belang – hierna ingegaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

5. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door eiser – behept met een serieuze gehoorbeschadiging – niet in de gelegenheid te stellen met hulp van een persoonlijke tolk kennis te laten nemen van het voornemen en vervolgens hierop inhoudelijk te reageren. Daarom is verzocht de zaak verder te behandelen in de Verlengde Asiel (VA)-procedure.

De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat er geen tolken beschikbaar waren om dadelijk het voornemen met eiser te bespreken. Gemachtigde van eiser heeft vervolgens echter wel tijdig een zienswijze ingediend en is hierin inhoudelijk op het voornemen ingegaan. In de beroepsgronden tegen het bestreden besluit zijn vervolgens geen wezenlijk andere aspecten aangevoerd dan in de zienswijze. De rechtbank vermag dan ook niet in te zien op welke wijze eiser in zijn belangen zou zijn geschaad door eerst op een later moment in de procedure bijstand te hebben gekregen van een persoonlijke tolk. Van onzorgvuldige besluitvorming is dan ook geen sprake.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht verweerder op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende heeft verklaard over de problemen die tot de djerga-overeenkomst hebben geleid. Eiser weet weliswaar te verklaren over het stuk landbouwgrond dat aan een ander dan zijn oom is verkocht, maar hij weet niet wie die grond wilde kopen/heeft gekocht, wie zijn oom heeft doodgeschoten en evenmin met welke familie vervolgens de problemen zijn ontstaan. Hierover heeft hij niet meer informatie kunnen geven dan dat de mensen uit het dorp [dorp] afkomstig zijn en tot de Pashtun behoren. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er problemen zijn ontstaan na het sluiten van de djerga-bijeenkomst. Hij heeft geen inzicht kunnen geven in de wijze waarop er een verband bestond tussen het incident waarbij zijn oom is betrokken en de mensen die aan de deur van de ouderlijke woning verschenen. Eiser stelt door vier mensen aan de deur te zijn bedreigd en dat het duidelijk was dat deze mensen tot de Taliban behoren. Eiser heeft in zijn nader gehoor verklaard dat hij bang is voor die mensen, omdat zij hem met de dood hebben bedreigd, maar hij heeft niet nader onderbouwd of geconcretiseerd wie die mensen zijn. Dat leden van de Taliban aan hun uiterlijk herkenbaar zijn en dat – zoals nader toegelicht ter zitting – alle mensen uit [dorp] behoren tot de Taliban is hiertoe onvoldoende. Nu deze mensen de reden zijn geweest voor zijn vertrek uit Afghanistan mag van eiser worden verwacht dat hij hierover meer en gedetailleerder kan verklaren. Gelet hierop heeft verweerder het dan ook terecht verbazend gevonden dat eiser niet weet of die personen na zijn vertrek nog bij zijn achtergebleven familie langs zijn geweest. Dat eiser hierover tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, doet bovendien afbreuk aan de geloofwaardigheid ervan.

7. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 3.113, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) door eiser in het nader gehoor niet te confronteren met de tegengeworpen tegenstrijdige verklaringen naar aanleiding van de vragen over het weerzien met zijn ouders. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog.

Op grond van artikel 3.113, tweede lid, van het Vb wordt de vreemdeling bij het afnemen van het nader gehoor in de gelegenheid gesteld om zo volledig mogelijk de tot staving van zijn aanvraag noodzakelijk elementen aan te voeren. Dit houdt onder meer in dat de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om uitleg te geven over eventuele ontbrekende elementen of over inconsistenties of tegenstrijdigheden in zijn verklaringen.

Tijdens het nader gehoor is eiser uitgebreid in de gelegenheid gesteld om te verklaren. Zelf heeft hij nog gevraagd of hij, in het geval dat hem alsnog iets te binnen schiet, dit later mag vertellen. Daarnaast is eiser in de gelegenheid gesteld om correcties en aanvullingen te geven op het nader gehoor. Hiervan heeft hij – op dit punt – geen gebruik gemaakt. Ook in de zienswijze is op dit punt niet gereageerd. De rechtbank concludeert dat eiser voldoende de gelegenheid heeft gekregen om nadere uitleg te geven over de tegengeworpen tegenstrijdige verklaringen.

8. Gelet op het al voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is. Gezien de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij verdragsvluchteling is, dan wel een reëel risico loopt in Afghanistan te worden onderworpen aan een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft de aanvraag derhalve terecht afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de voorzieningenrechter niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Paulus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2016.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.