Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:12128

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-10-2016
Datum publicatie
13-10-2016
Zaaknummer
NL 16 . 2458
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

- Asielaanvraag niet ontvankelijk

- internationale bescherming andere EU-lidstaat

- afhankelijkheidsrelatie

- bijzondere omstandigheden

- ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL16.2458 (beroep) en NL16.2459 (verzoek)

V-nummers: [nummers]

uitspraak van de voorzieningenrechter en de enkelvoudige kamer in vreemdelingenzaken van 7 oktober 2016 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

mede namens haar minderjarige kinderen

[kind eiseres] , geboren [geboortedatum kind], en

[kind eiseres] , geboren [geboortedatum kind],

gemachtigde: mr. P.R. Klaver,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

gemachtigde: mr. A.M.H.W. van Heerebeek.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 12 september 2016 (het bestreden besluit) en tevens verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt uitstel van vertrek te verlenen totdat op het beroep is beslist.

De behandeling van het beroep en verzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig E. Bout en L. Taffijn, gezinscoach/persoonlijk begeleider Ambulant Jeugd, werkzaam bij het Leger des Heils Den Haag. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres, geboren op 1 april 1996 en van Guinese nationaliteit, heeft op 3 februari 2016 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Bij het bestreden besluit is de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres in een andere lidstaat van de Europese Unie, te weten Portugal, internationale bescherming geniet.

3. Op hetgeen eiseres daartegen heeft aangevoerd wordt hierna ingegaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

4. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk worden verklaard indien de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet.

Ingevolge artikel 3.106a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd slechts niet-ontvankelijk worden verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, van de Vw indien de vreemdeling een zodanige band heeft met het betrokken derde land dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan. Ingevolge het derde lid worden bij de beoordeling of sprake is van een band als bedoeld in het tweede lid, alle relevante feiten en omstandigheden betrokken, waaronder begrepen de aard, duur en omstandigheden van het eerder verblijf.

5. Niet in geschil is dat de autoriteiten van Portugal eiseres een verblijfsvergunning asiel hebben verleend, geldig van 20 december 2012 tot 20 december 2017.

6. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat haar asielvergunning niet langer geldig is, nu zij geruime tijd geleden Portugal heeft verlaten. Zij stelt niet langer rechtmatig verblijf in Portugal te hebben, zodat er niet van kan worden uitgegaan dat zij daar nog internationale bescherming geniet. Onder verwijzing naar artikel 36, tiende lid, van de Lei n.ͦ 15/98 de 26 de Março: A Assembleia da República decreta, nos termos dos artigos 161°, alinea c), 165°, n° 1, alinea b), 166°, n° 3, e 112°, n° 5, da Constituição, para valer como lei geral da República, o seguinte, stelt eiseres dat het rechtmatig verblijf wordt stopgezet op het moment dat men het grondgebied van Portugal verlaat en zich in een ander land vestigt.

De rechtbank volgt eiser niet in haar betoog. Nog daargelaten dat geen officiële vertaling van dit wetsartikel is overgelegd, is verwijzen naar Portugese wetgeving onvoldoende onderbouwing voor de stelling van eiseres dat zij niet langer rechtmatig verblijf heeft in Portugal. Gesteld noch gebleken is dat de verleende asielvergunning is ingetrokken. Eiseres heeft ook overigens niet aannemelijk gemaakt dat zij in Portugal geen internationale bescherming meer geniet. De tegenwerping van de kant van eiseres dat verweerder hiernaar nader onderzoek had moeten doen, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiseres over een nog geldige verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Portugal beschikt. Reeds daarom is sprake van een band met Portugal als bedoeld in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb.

7. Eiseres heeft voorts aangevoerd er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en haar oudere zus [naam zus], zodat het besluit in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is genomen. Deze grond kan evenmin slagen. Van een gezinsleven met haar oudere zus is geen sprake, nu de zus van eiseres – met achterlating van eiseres in Guinee toen zij zes of zeven jaar oud was – haar land van herkomst heeft verlaten om zich bij haar toenmalige echtgenoot, die in Nederland woonde, te voegen en de beide (meerderjarige) zussen thans ieder een eigen gezin hebben. De omstandigheid dat [naam] ([V-nummer]), de biologische vader van haar zoon, inmiddels als uitgeprocedeerde asielzoeker Nederland heeft verlaten, brengt hierin geen verandering.

8. Eiseres heeft tot slot betoogd dat verweerder haar schrijnende en traumatische verleden in Guinee, haar moeilijkheden zich destijds in Portugal als17-jarige vrouw met een jong kind staande te houden en de belangen van haar kinderen bij een stabiele en veilige leefomgeving onvoldoende heeft betrokken in zijn besluitvorming. Verwezen wordt in dit verband naar het rapport van Defence for Children van 29 september 2016, waaruit de kwetsbaarheid van eiseres en haar kinderen blijkt. Gelet op haar persoonlijke omstandigheden stelt eiseres dat verweerder in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot zijn besluit haar aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren, nu het in artikel 30a, eerste lid, onder a, van de Vw om een bevoegdheid gaat.

9. De rechtbank stelt voorop dat eiseres, die inmiddels 20 jaar is, in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel in Portugal. De door eiseres aangevoerde schrijnende en traumatische omstandigheden doen er niet aan af dat eiseres, reeds omdat in Portugal internationale bescherming aan haar is verleend, een zodanige band met Portugal heeft dat het voor haar redelijk is naar dat land te gaan. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij zich bij voorkomende problemen niet tot de daarvoor bedoelde instanties of de daarvoor aangewezen autoriteiten in Portugal kan wenden. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft mogen uitgaan of dat door de overdracht van eiseres aan Portugal een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.106a, eerste en tweede lid, van het Vb, zodat verweerder de aanvraag niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren. De rechtbank verwijst daartoe naar de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de uitspraak van 6 augustus 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2621).

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak met nummer NL16.2458:

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter, in de zaak met nummer NL16.2459:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, (voorzieningen)rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Paulus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2016.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week, voor zover die betrekking heeft op het beroep, na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.