Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:12117

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-10-2016
Datum publicatie
12-10-2016
Zaaknummer
AWB 16 / 20998
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- AA

- Iran

- bekeerling

- christendom

- bekering ongeloofwaardig

- vage en summiere verklaringen

- inzicht in proces bekering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 16/20998

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 7 oktober 2016 in de zaak tussen

[naam 1], eiser,

gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. P. van Zijl.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 12 september 2016 (het bestreden besluit).

Van verweerder is op 5 oktober 2016 een verweerschrift ontvangen.

Op 6 oktober 2016 is het beroep ter zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig H. Markarian, tolk Farsi. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en is van Iraanse nationaliteit. Eiser heeft op

29 januari 2016 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

2. Aan die aanvraag ligt het volgende te grondslag. Eiser is in Iran opgegroeid als een niet praktiserend moslim. Tijdens een bergbeklimming met [naam 2] - met wie eiser en drie anderen een muziekband vormde - leerde eiser [naam 3] kennen. [naam 3] was net als [naam 2] christen. [naam 3] merkte na verloop van tijd op dat eiser somber was. Eiser heeft hem toen verteld wat daar de reden van was. Eiser heeft een relatie met een vrouw beëindigd omdat de familie van eiser de relatie niet accepteerde. De vrouw is daarop met een ander getrouwd en heeft eiser vervolgens opnieuw benaderd en hem voorgesteld te scheiden om met eiser verder te gaan. Eiser wilde zijn leven met haar delen maar wist niet wat te doen, omdat zijn familie de relatie niet accepteerde. [naam 3] vertelde eiser over het woord van God, dat God het niet toestaat met een gescheiden vrouw te trouwen en dat hij gelet op het feit dat de wil van God niet in zijn voorgenomen beslissing zat, hij het hele gebeuren moest vergeten. Eiser kreeg vervolgens rust in zijn leven en een doel. [naam 3] heeft eiser een week nadat hij hem kende een bijbel gegeven en heeft hem uitgenodigd voor een huiskerk, waar eiser vervolgens eens per week heenging. Dat waren geheime bijeenkomsten. Twee maanden daarna is de huiskerk ontmaskerd. Eiser was daarbij niet aanwezig, maar heeft dit van een ander lid van de huiskerk vernomen. Daarop vond een inval bij eiser thuis plaats, waar onder meer een bijbel en geluidsopnamen zijn gevonden. Eiser liep gevaar en is Iran ontvlucht.

3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bekering ongeloofwaardig is. Eiser heeft te beperkt en algemeen verklaard en geen inzicht in het proces van bekering gegeven.

4. Eiser heeft het standpunt van verweerder gemotiveerd bestreden. Op wat eiser heeft aangevoerd, wordt - voor zover van belang - hierna ingegaan.

5. Uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer de uitspraak van 23 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:888) volgt dat het verweerder vrijstaat bij de toepassing van zijn gedragslijn voor het onderzoek naar de geloofwaardigheid van een bekering aan de motieven voor en het proces van bekering een doorslaggevend gewicht toe te kennen. Aan bekering gaat - anders dan wanneer iemand een gestelde geloofsovertuiging van zijn ouders heeft meegekregen - een weloverwogen en bewuste keuze van de vreemdeling vooraf. Dat geldt temeer indien iemand afkomstig is uit een land waar het zich bekeren tot het gestelde geloof strafbaar of maatschappelijk onacceptabel is. Eiser dient voldoende inzicht te geven in zijn motieven voor en het proces van bekering en verweerder dient hem voldoende in de gelegenheid te stellen daarover te verklaren.

6. Niet in geschil is dat eiser voldoende in de gelegenheid is gesteld om te verklaren over zijn motieven voor en het proces van bekering. Verweerder heeft vragen gesteld over het christendom, wat hem daarin aantrekt, wat de kern is van het christendom, wanneer hij daadwerkelijk geïnteresseerd raakte in het christendom, wat maakte dat hij christen werd, wat maakte dat hij koos voor het protestantisme en wat hem uit de bijbel het meeste aansprak.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat eiser met de gegeven antwoorden - die er in de kern op neerkomen dat eiser met het geloof rust en een doel in zijn leven kreeg - onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn motieven voor en het proces van bekering. Verweerder heeft in dit verband naar voren gebracht dat eiser over het innerlijke proces dat aan de gestelde bekering vooraf is gegaan en de aanleiding om zich tot het christendom - een in Iran verboden religie - te bekeren vaag, summier dan wel te algemeen heeft verklaard. Verweerder heeft voorts terecht de deelname aan de huiskerk, de inval door de autoriteiten daar en bij eiser thuis niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft over de inval in de huiskerk summier verklaard. Eiser weet niet wie er bij die bijeenkomst aanwezig waren. Niet valt in te zien waarom eiser niet heeft getracht daarover meer informatie te vergaren. Eiser heeft verder geen inzicht kunnen verschaffen in hoe de Iraanse autoriteiten op de hoogte zouden kunnen zijn geraakt van het feit dat hij de huiskerk bezocht, nu hij ten tijde van de inval in de huiskerk niet aanwezig was en de andere bezoekers van de huiskerk bovendien niet op de hoogte waren van zijn achternaam. Derhalve wordt ook de inval in de woning van eiser waarbij onder meer een bijbel zou zijn gevonden terecht niet geloofwaardig geacht. Verweerder heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat hetgeen eiser na het nader gehoor heeft aangevoerd niet leidt tot een andere conclusie, omdat eiser geen opheldering heeft verschaft over de reden dat dit niet tijdens het gehoor naar voren is gebracht. Ook de eerst in beroep overgelegde kopie van een dagvaarding maakt het voorgaande niet anders.

7. Eiser heeft aangevoerd dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij vaag heeft verklaard over wanneer hij met het christendom in Iran in aanraking is gekomen. Verweerder heeft volgens eiser onvoldoende rekening gehouden met het medisch advies horen en beslissen van het FMMU van 31 juli 2016 waarin is vermeld dat eiser geen exacte data kan onthouden. Nu verweerder ter zitting heeft verklaard dit punt niet langer tegen te werpen, faalt deze grond.

8. Eiser heeft voorts aangevoerd dat nu hij geen praktiserend moslim was, het voor hem een minder grote stap was om christen te worden dan voor iemand die uit een streng conservatief moslimgezin komt. De rechtbank overweegt dat het voorgaande niet wegneemt dat aan een gestelde bekering een weloverwogen en bewuste keuze voorafgaat en dat het aan eiser is inzicht te verschaffen in motieven voor en het proces van bekering, temeer nu het een geloof betreft dat in Iran strafbaar is. Deze grond geeft daarom geen aanleiding voor een ander oordeel dan onder 6 is vermeld.

9. Eiser heeft voorts aangevoerd dat de tolk waarvan tijdens het nader gehoor gebruik is gemaakt, afkomstig was uit Afghanistan en het Nederlands niet optimaal beheerst. In de aanvullingen en correcties op het nader gehoor is hierover vermeld: “Allereerst wordt opgemerkt dat bij de nabespreking is gebleken dat de vertaling van hetgeen eiser heeft verklaard, veelal letterlijk is gedaan zodat er vaak zeer omslachtige, veel te uitgebreide en daardoor soms onduidelijke zinnen zijn ontstaan. De vertaling had meer afgestemd dienen te worden op de Nederlandse taal. Dit is het gevolg van het feit dat de tolk het Nederlands niet optimaal beheerst”. De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt. Vooropgesteld wordt dat de stelling dat de tolk het Nederlands niet goed beheerst, niet is onderbouwd. Uit het verslag van nader gehoor blijkt dat tijdens het nader gehoor gebruik is gemaakt van een registertolk. Verder is vermeld: ‘Taal nader gehoor: Farsi (Iran)’. Eiser heeft zowel aan het begin als het einde van het nader gehoor desgevraagd verklaard dat hij de tolk goed heeft begrepen en goed heeft kunnen verstaan en tevreden was over de manier waarop het gesprek is gelopen. Uit het verslag van nader gehoor blijkt ook dat eiser is gewezen op de klachtenregeling van de Algemene wet bestuursrecht en daarvan geen gebruik heeft gemaakt. Nu bovendien ter zitting desgevraagd is verklaard dat er geen onjuistheden in het verslag van nader gehoor staan, dat er staat wat eiser bedoelt en nu niet (aan de hand van voorbeelden) is toegelicht welke uitspraken van eiser te letterlijk zouden zijn vertaald en wat de consequenties daarvan zijn, faalt deze grond.

10. De verwijzing van eiser voorts naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht (AWB 15/13567), Zwolle (AWB 14/21733) en Haarlem (AWB 16/12263), kan eiser voorts niet baten, omdat geen sprake is van gelijke gevallen. Ook de overgelegde verklaringen van 20 augustus 2016 en 16 september 2016 van de predikant van de kerk die eiser in Nederland bezoekt doen aan het voorgaande niet af, nu dergelijke verklaringen weliswaar kunnen dienen ter staving van een bekering, maar die de verantwoordelijkheid van de vreemdeling om zelf overtuigende verklaringen af te leggen met betrekking tot zijn bekering en het proces dat tot de bekering heeft geleid niet wegnemen. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de hiervoor onder 5 genoemde uitspraak van de Afdeling.

11. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Valk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

7 oktober 2016.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.