Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:12088

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-10-2016
Datum publicatie
10-10-2016
Zaaknummer
09/809007-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een woningoverval te Bodegraven op 17 november 2015, waarbij een vrouw overdag in haar woning is bedreigd en is vast getapet, zodat de verdachte en zijn medeverdachte de woning konden doorzoeken en onder andere een groot geldbedrag weg konden nemen. Aan verdachte is opgelegd een jeugddetentie van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk en een GBM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 09/809007-15

Datum uitspraak: 5 oktober 2016

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 1999 te [geboorteplaats] ,

adres: [woonplaats]

thans preventief gedetineerd in [detentieadres]

[detentieadres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 19 mei 2016,

30 juni 2016 en 22 september 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.A. van der Laan en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. G.V. van der Bom, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door mevrouw [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), mevrouw [naam 2] , namens Stichting Jeugdbescherming west (hierna: jeugdreclassering) en door de moeder van verdachte naar voren is gebracht. De rechtbank heeft ter zitting mevrouw [naam 1] en mevrouw [naam 2] als getuigen/deskundigen gehoord.

Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door de [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , bijgestaan door mevrouw [naam 3] van Slachtofferhulp Nederland, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 november 2015 te Bodegraven, gemeente

Bodegraven-Reeuwijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft

weggenomen 10.000 euro, althans een (groot) geldbedrag en/of diverse sieraden,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] en/of

[benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of

gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde 2] , gepleegd met

het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of

om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij

de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het:

- het doen/houden van een hand op de mond van [benadeelde 2] en/of

- het zeggen dat er "mannen met geweren" waren die haar [benadeelde 2] , zouden

dooschieten en/of

- het meermalen tegen die [benadeelde 2] zeggen dat zij het geld moest geven en/of

moest zeggen waar het geld lag en/of

-de mond van die [benadeelde 2] dichttapen en/of die [benadeelde 2] aan handen en enkels

vasttapen en/of

- het zeggen tegen [benadeelde 2] dat zij niet de politie mocht bellen anders

zouden ze terugkomen en haar doodschien.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De rechtbank dient - kort samengevat - te beoordelen of de verdachte zich samen met een ander op 17 november 2015 schuldig heeft gemaakt aan een woningoverval in Bodegraven.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

De verdachte ontkent betrokken te zijn geweest bij de woningoverval. De verdachte voldoet niet aan het door de aangeefster opgegeven signalement. De aangeefster heeft verklaard dat de daders vermoedelijk van Marokkaanse afkomst zijn. De verdachte is van Somalische afkomst en zijn huidskleur is donker, en voorts heeft de aangeefster de verdachte ook niet kunnen aanwijzen tijdens de foslo-confrontatie. Er is ook geen technisch bewijs dat verdachte in de woning is geweest. De belastende verklaring van [medeverdachte] dient niet als bewijs gebezigd te worden, nu het lijkt alsof hij met deze verklaring anderen probeert te beschermen, aldus de raadsman.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging.1

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.

Op 17 november 2015 wordt [benadeelde 2]2 in haar woning overvallen door twee personen. De overvallers menen te weten dat zich een hoeveelheid geld in haar huis bevindt en de aangeefster wordt gedwongen te zeggen waar dit geld ligt. Nadat de overvallers het geld hebben gevonden worden de mond, polsen en enkels van de aangeefster vast getapet en wordt haar gezegd dat zij de politie niet mag bellen, omdat ze anders terugkomen om haar dood te schieten.3 De daders gaan er met geld en sieraden op een scooter vandoor.4 Aangeefster weet vervolgens de buren te waarschuwen die de politie bellen, waarna een uitgebreid onderzoek wordt gestart. De aangeefster heeft een signalement van de daders gegeven. Eén verbalisant weet ambtshalve dat [medeverdachte] voldoet aan het gegeven signalement ‘groot en fors postuur en van Marokkaanse afkomst’ en besluit langs het adres te rijden van [medeverdachte] . Deze staat op dat moment voor de deur van zijn woning en lijkt zijn schoenen te wisselen.5 Er worden camerabeelden opgevraagd van de omgeving van de woning van [medeverdachte] . Op deze camerabeelden is te zien hoe [medeverdachte] een kwartier na de overval met een gevulde gele tas zijn woning verlaat, om een minuut later weer zonder tas terug te komen.6 Uit de digitale gegevens van de vuilcontainer blijkt dat rond dat tijdstip de container geopend is met het pasje behorend bij het woonadres van [medeverdachte] .7 Vervolgens wordt de vuilcontainer geleegd en onderzocht. In de vuilcontainer wordt een gele tas aangetroffen met daarin onder andere een bivakmuts en een breekijzer.8 Ook wordt op de tape, die gebruikt is om de aangeefster vast te tapen, DNA-materiaal aangetroffen van [medeverdachte] .9

Op 27 januari 2016 wordt [medeverdachte] aangehouden en meermalen door de politie gehoord. Uiteindelijk legt [medeverdachte] op 18 maart 2016 een bekennende verklaring af en verklaart hij de woningoverval samen met de verdachte te hebben gepleegd.10 Deze verklaring wordt ondersteund door meerdere andere bewijsmiddelen in het dossier. Zo voldoet de verdachte deels aan het opgegeven signalement (donkergetint, kort zwart kroezend haar, slank postuur en ongeveer 1.80 meter lang), kennen de verdachte en [medeverdachte] elkaar van school, heeft [medeverdachte] meermalen telefonisch contact gezocht of gehad met de verdachte kort voor en na de woningoverval,11 heeft de verdachte - kort nadat [medeverdachte] op 27 januari 2016 is aangehouden - op zijn telefoon informatie opgezocht over de woningoverval,12 is een jongen gelijkend op de verdachte een half uur voor de overval met [medeverdachte] en een grijze scooter gezien door een verbalisant13, roept [medeverdachte] op 11 februari 2016 in het politiebureau van Gouda tegen de verdachte dat hij zich op zijn zwijgrecht moet beroepen en gebaarde hij met zijn wijsvinger voor zijn mond14 en heeft de verdachte op 18 maart 2016 in een arrestantenbus een gesprek met [medeverdachte] over de vraag waarom deze hem verraden heeft.15

Op grond van de inhoud van bovengenoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, en gelet op het feit dat de verdachte geen verklaring heeft willen afleggen of een aannemelijk alternatief naar voren heeft gebracht terwijl de bovengenoemde omstandigheden om een verklaring vragen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich met een ander heeft schuldig gemaakt aan de woningoverval.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

hij op 17 november 2015 te Bodegraven, gemeente Bodegraven-Reeuwijk, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft

weggenomen een groot geldbedrag en diverse sieraden,

toebehorende aan [benadeelde 2] en [benadeelde 1] ,

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededader de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit:

- het houden van een hand op de mond van [benadeelde 2] en

- het zeggen dat er "mannen met geweren" waren die haar, [benadeelde 2] , zouden

doodschieten en

- het meermalen tegen die [benadeelde 2] zeggen dat zij het geld moest geven en

moest zeggen waar het geld lag en

- de mond van die [benadeelde 2] dicht tapen en die [benadeelde 2] aan handen en enkels

vast tapen en

- het zeggen tegen die [benadeelde 2] dat zij niet de politie mocht bellen anders

zouden ze terugkomen en haar doodschieten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 12 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich zal houden aan een meldplicht bij de jeugdreclassering alsmede dat hij zorg dient te dragen voor een goede dagbesteding in de vorm van werk en/of school en tenslotte een contactverbod met [medeverdachte] . Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte wordt opgelegd de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (GBM) voor de duur van één jaar, bestaande uit een individuele behandeling en Multi Dimensionele Familie Therapie (MDFT) bij Het Palmhuis, met een vervangende jeugddetentie voor de duur van één jaar. Tenslotte heeft zij gevraagd te bepalen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman bepleit aan de verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarde de geadviseerde behandeling bij Het Palmhuis. De raadsman acht oplegging van de GBM niet opportuun, nu de geadviseerde behandeling ook in het kader van een voorwaardelijke jeugddetentie aan de verdachte kan worden opgelegd.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een woningoverval, waarbij een vrouw overdag in haar woning is bedreigd en is vast getapet, zodat de verdachte en zijn medeverdachte de woning konden doorzoeken en onder andere een groot geldbedrag weg konden nemen. Door aldus te handelen heeft de verdachte laten zien geen enkel respect te hebben voor de lichamelijke integriteit en eigendommen van anderen. Met zijn handelwijze heeft hij ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat mensen die slachtoffer zijn geworden van een geweldsdelict daar nog lang ernstige (psychische) gevolgen van kunnen ondervinden, wat ook blijkt uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring. Daarnaast worden door dergelijke gewelddadige feiten de algemene gevoelens van onveiligheid in de samenleving vergroot. De rechtbank rekent dit de verdachte ernstig aan.

Uit een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 11 februari 2016 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. De verdachte is dan ook een ‘first offender’.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 16 juni 2016 en 15 september 2016 en hetgeen de Raad in aanvulling hierop ter terechtzitting heeft opgemerkt. De Raad heeft grote zorgen over de verharde houding van de verdachte, zijn gebrekkige gevoelsleven, eigengereidheid en zijn berekenende houding. Daarnaast heeft de verdachte contact met antisociale jongeren en heeft hij een gebrek aan vrijetijdsbesteding en schoolgang. Hij geeft tevens geen openheid over zijn situatie en zijn rol in het delict, acht de geboden hulpverlening niet noodzakelijk en hij heeft geen hulpvraag. De Raad acht een gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) noodzakelijk en passend. De jeugddetentie die zal volgen als de verdachte zich niet aan de voorwaarden houdt, geldt als stevige stok achter de deur om de motivatie van de verdachte vast te houden en de pedagogische invulling gedurende langere tijd te waarborgen teneinde recidive te voorkomen. Als invulling van de GBM acht de Raad Multi Dimensionele Familie Therapie (MDFT) uitgevoerd door het Palmhuis geschikt voor de verdachte. Hij heeft baat bij deze intensieve individuele en systeemgerichte behandeling. Daarnaast is het belangrijk dat hij een dagbesteding heeft in de vorm van werk of schoolgang. De Raad acht naast de GBM, ook begeleiding door de jeugdreclassering voor de duur van twee jaar noodzakelijk.

De jeugdreclassering heeft ter zitting te kennen gegeven in te stemmen met het advies van de Raad.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de ernst van het begane misdrijf in combinatie met de intensiteit van de benodigde behandeling van de verdachte, aanleiding geeft tot de oplegging van een deels voorwaardelijke jeugddetentie en tot oplegging van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige, welke maatregel de rechtbank in het belang acht van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. De rechtbank overweegt dat oplegging van een GBM noodzakelijk is gelet op de voor de verdachte te behalen doelen ter vermindering van de kans op recidive. De inhoud van het programma zal de rechtbank bepalen conform hetgeen door de deskundigen is geadviseerd.

De rechtbank zal de duur van de GBM bepalen op een jaar. Aan deze maatregel zal de rechtbank een vervangende jeugddetentie verbinden voor de duur van een jaar.

De rechtbank zal tevens een deels voorwaardelijke jeugddetentie opleggen en daaraan als bijzondere voorwaarden verbinden dat de verdachte tijdens en na afloop van de GBM zich laat begeleiden door de jeugdreclassering, dat hij zorgt voor een goede dagbesteding (ter beoordeling van de jeugdreclassering) alsmede een contactverbod met de [medeverdachte] , zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.

De rechtbank zal bevelen dat het programma van de GBM dadelijk uitvoerbaar is, nu er gezien verdachte ’s houding en problematiek, ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen en de dadelijke uitvoerbaarheid in het belang van de verdachte is.

7 De vorderingen van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregel

7.1.

De vorderingen

[benadeelde 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ten aanzien van het bewezenverklaarde feit ter zake van de vordering tot schadevergoeding van € 4.355,77, bestaande uit immateriële schade groot € 4.000,- en materiële schade groot € 355,77, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade op 17 november 2015 tot de dag der algehele betaling, en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[benadeelde 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ten aanzien van het bewezenverklaarde feit ter zake van de vordering tot schadevergoeding van € 14.511,80, bestaande uit immateriële schade groot € 350,- en materiële schade groot € 14.161,80, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade op 17 november 2015 tot de dag der algehele betaling, en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vorderingen van de [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de vorderingen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , nu hij vrijspraak heeft bepleit.

Subsidiair heeft de raadsman ten aanzien van de vordering van [benadeelde 1] geen opmerkingen gemaakt en ten aanzien van de vordering van [benadeelde 2] verzocht de immateriële schade te matigen.

7.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de gehele vordering van [benadeelde 1] , groot € 14.511,80 hoofdelijk toewijzen, alsook de vordering van [benadeelde 2] , groot € 4.355,77. De posten zijn voldoende onderbouwd en uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat zowel [benadeelde 2] als [benadeelde 1] rechtstreeks schade (materieel en immaterieel) hebben geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 17 november 2015 is ontstaan.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met hun vordering hebben gemaakt. Deze kosten heeft de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

Nu de verdachte jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 14.511,80 en € 4.355,77, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 17 november 2015 tot aan de dag waarop deze vorderingen zijn voldaan, ten behoeve van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] .

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

36f, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77w, 77wc, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- op geen enkele wijze – direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben [medeverdachte] , geboren op [geboortedag 2] 1998, zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.

legt aan de verdachte op de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 12 (twaalf) maanden, die bestaat uit:

- het deelnemen aan Multi Dimensionele Familie Therapie, gegeven door het Palmhuis of

een soortgelijke instantie;

- het hebben van een dagbesteding in de vorm van school en/of werk;

beveelt, voor het geval de veroordeelde niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel heeft meegewerkt, dat de maatregel zal worden vervangen door jeugddetentie voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

beveelt dat het programma waaruit de maatregel bestaat, dadelijk uitvoerbaar is;

geeft opdracht aan de Stichting Jeugdbescherming West, afdeling Jeugdreclassering, om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de in het kader van de GBM opgelegde programmaonderdelen en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

wijst de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 2] en [benadeelde 1] hoofdelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

[benadeelde 2] , een bedrag van € 4.355,77, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 17 november 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

[benadeelde 1] , een bedrag van € 14.511,80, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 17 november 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader aan de benadeelde partijen, zal zijn bevrijd tot de hoogte van de betaalde bedragen;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 4.355,77, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 17 november 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [benadeelde 2] en een bedrag groot € 14.511,80, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 17 november 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [benadeelde 1] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 10 respectievelijk 20 dagen;

bepaalt dat voldoening van de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat doet vervallen, alsmede dat voldoening van de betalingsverplichtingen aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen doet vervallen;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd gelijk is geworden aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.M.D. de Jong, kinderrechter, voorzitter,

mr. J.E.M.G. van Wezel, kinderrechter,

mr. D. Biever, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.K. van Dijk, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 oktober 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1500-2015335398, doorgenummerd pag. 1 t/m 949 en het bijbehorende methodiekendossier (pag. 951 t/m 1470).

2 Aangifte door [benadeelde 2] , p. 43, 44

3 Verhoor [benadeelde 2] , p. 45 t/m 51

4 Verhoor [benadeelde 2] , p. 52 t/m 55

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 94, 95

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 96 t/m 105

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 112, 113

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 108 t/m 111

9 Rapport NFI, p. 88 t/m 91

10 Verhoor [medeverdachte] , p. 471 t/m 489

11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 364 t/m 366

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 938 t/m 941

13 Proces-verbaal van bevindingen, p. 374

14 Proces-verbaal van bevindingen, p. 457, 458

15 Proces-verbaal van bevindingen, 461 t/m 468