Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:12072

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-10-2016
Datum publicatie
15-12-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 5047
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

intrekking marktvergunning na Wav-boete niet kennelijk onredelijk, ogg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/5047

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 oktober 2016 in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

en

Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: W. Dharmlal).

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers marktvergunning ingetrokken.

Bij besluit van 4 mei 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door [persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser was houder van een marktvergunning op de Haagse Markt voor de maandagen, woensdagen, vrijdagen en zaterdagen van standplaats [standplaatsnummer 1] en [standplaatsnummer 2] (op woensdagen alleen [standplaatsnummer 1] ). Bij besluit van 31 juli 2015 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid eiser een boete opgelegd van € 6.000,-, vanwege overtreding van de Wet arbeid Vreemdelingen (Wav). Eiser heeft tegen de boete geen rechtsmiddelen aangewend, zodat de boete onherroepelijk is.

2. Verweerder heeft op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Marktverordening de marktvergunning van eiser ingetrokken. Op grond van dit artikellid, voor zover van belang, trekt verweerder een marktvergunning in indien de vergunninghouder handelt in strijd met voorschriften van de Wav.

3.1

Eiser voert aan dat hij geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de boete vanwege zijn leeftijd en niet optimale juridische bijstand. Hij wist ook niet dat de boete verdere consequenties zou hebben. Eiser blijft er echter bij dat de vreemdeling niet voor hem werkzaam was, dat hij de vreemdeling geen geld heeft betaald en dat het hooguit een vriendelijk gebaar van de vreemdeling was om een oude man te helpen.

3.2

De rechtbank stelt vast dat de boete, en daarmee ook de overtreding van de Wav, in rechte vast staat. De redenen die eiser geeft waarom hij geen rechtsmiddelen heeft aangewend, maken dit niet anders. Eisers gronden over de rol van de vreemdeling bij zijn marktkraam, namelijk dat de vreemdeling slechts sociaal contact zocht en af ten toe een helpende hand bood, kunnen in deze procedure geen rol meer spelen.

4.1

Eiser voert aan dat hij, door de intrekking van zijn marktvergunning bovenop de Wav-boete, ten onrechte dubbel bestraft wordt.

4.2

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat het intrekken van een marktvergunning gericht is op herstel en de intrekking geen leedtoevoegend karakter heeft. De intrekking is daarom niet punitief van aard, zodat van dubbele bestraffing geen sprake is.

5.1

Eiser voert verder aan dat het niet redelijk is dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Marktverordening geen beleidsvrijheid kent. Hij wijst op de aanbeveling van de Adviescommissie bezwaarschriften om de raad voor te stellen om een overtreding van de Wav te verplaatsen naar het tweede lid van voornoemd artikel, zodat een belangenafweging mogelijk is. Eiser vraagt zich af waarom hem een mogelijkheid wordt geboden om in bezwaar te gaan, indien dit toch geen invloed op het besluit tot intrekking van de marktvergunning kan hebben. Eiser vindt de maatregel niet in verhouding staan tot de enkele zes maanden sluiting van cafés bij de constatering van drugsdelicten. Ook vergelijkt hij zijn situatie met winkels en bedrijven, die bij een overtreding van de Wav enkel een boete hoeven te betalen en verder niet worden gesloten.

5.2

De rechtbank overweegt dat de Marktverordening een algemeen verbindend voorschrift is, niet zijnde een wet in formele zin, en dat exceptieve toetsing hiervan mogelijk is. Deze exceptieve toetsing houdt in dat aan een algemeen verbindend voorschrift verbindende kracht kan worden ontzegd, indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel. Het is aan het regelgevend bevoegd gezag om de verschillende belangen, die bij het nemen van een besluit inhoudende algemeen verbindende voorschriften betrokken zijn, tegen elkaar af te wegen. De rechter heeft daarbij niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend naar eigen inzicht vast te stellen en heeft ook overigens daarbij terughoudendheid te betrachten.

5.3

Bij de totstandkoming van de Marktverordening is er bewust voor gekozen om de intrekkingsgrond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, dwingend te formuleren. Aan die keuze is ten grondslag gelegd dat sterk wordt gehecht aan een veilige, eerlijke, transparante en ondernemers- en consumentvriendelijke markt. Het tewerkstellen van illegale vreemdelingen in strijd met de Wav maakt hierop een ernstige inbreuk, nu dit leidt tot oneerlijke concurrentie. Gelet daarop is geoordeeld dat het belang van de vergunninghouder die de Wav overtreedt niet opweegt tegen het belang van een veilige, eerlijke, transparante en ondernemers- en consumentvriendelijke markt zonder oneerlijke concurrentie. Op basis van deze afweging is besloten tot vaststelling van de dwingendrechtelijke bepaling in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f. Voorts is er in lijn met het vorenstaande bewust voor gekozen geen hardheidsclausule in de Marktverordening op te nemen.

5.4

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in de uitspraak van 30 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:833) heeft geoordeeld, is de aldus gemotiveerde keuze om artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Marktverordening dwingend te formuleren en geen hardheidsclausule op te nemen voldoende onderbouwd en niet onredelijk. De Afdeling heeft geoordeeld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Marktverordening in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, dan wel een algemeen rechtsbeginsel en dat de bepaling de voormelde weergegeven terughoudende toets kan doorstaan. Eisers vergelijking met de korter durende sluiting van winkels en cafés bij de constatering van drugsdelicten of overtredingen van de Wav, kan eiser naar het oordeel van de rechtbank niet baten, nu hierbij andere factoren van belang zijn dan het belang van een veilige, eerlijke, transparante en ondernemers- en consumentvriendelijke markt zonder oneerlijke concurrentie; het transparante karakter van een markt is (onder meer) als onderscheidend aan te merken.

6.1

Eiser voert verder aan dat strikte toepassing van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Marktverordening in zijn bijzondere geval onredelijk is. Verweerder zou de maatregel moeten matigen, omdat in zijn geval intrekking van zijn marktvergunning voor de duur van vier jaren te zwaar is. Eiser is 74 jaar oud en reeds 25 jaar markthandelaar. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij zijn sociale contacten (met vooral collega marktkraamhouders van Pakistaanse afkomst) zal missen en dat hij zijn levenswerk als gevolg van een kleine onregelmatigheid moet opgeven. Ook financieel stelt eiser in de problemen te komen, omdat hij op zijn leeftijd elders geen emplooi meer zal vinden. Hij ondervindt reeds problemen om zijn vaste lasten te blijven betalen, nu hij enkel een AOW-uitkering ontvangt.

6.2

Uit jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1710) volgt dat de rechtbank tot het oordeel kan komen dat, hoewel een algemeen verbindend voorschrift als zodanig niet jegens een ieder onverbindend is te achten, een bestuursorgaan gehouden was dat voorschrift buiten toepassing te laten, omdat toepassing in een bijzonder geval kennelijk onredelijk is. De rechter dient daarbij evenzeer terughoudendheid te betrachten.

6.3

Er bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Marktverordening in dit bijzondere geval buiten toepassing had moeten laten, omdat toepassing kennelijk onredelijk is. Dat eiser financieel nadeel ondervindt door de intrekking van zijn marktvergunning, is een omstandigheid waarvan aangenomen kan worden dat deze is meegenomen bij de totstandkoming van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Marktverordening. Eiser verschilt hierin niet van andere markthandelaren van wie de marktvergunning ingetrokken wordt. Dat eiser in een financiële noodsituatie zal komen te verkeren omdat hij vanwege zijn leeftijd moeilijk een nieuwe baan zal kunnen vinden en niet rond zou kunnen komen van zijn AOW-uitkering, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De omstandigheid dat eiser met de intrekking van zijn marktvergunning zijn door de jaren heen opgebouwde sociale leven op de markt zal missen is zeer vervelend voor eiser, maar maakt niet dat de gevolgen voor eiser zo ernstig zijn dat sprake is van onevenredigheid.

7. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Pluymaekers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de rechtbank van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.